Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AF2175

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-12-2002
Datum publicatie
19-12-2002
Zaaknummer
AWB 02/342
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Landbouwkwaliteitsbesluit scharreleieren
Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/342 10 december 2002

20310 Tuchtgerecht van de Stichting Controlebureau

voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellante van een op 21 november 2001, onder nummer TS 22/2001 tegen haar gewezen tuchtbeschikking van het Tuchtgerecht van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten (hierna: Tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij beroepschrift van 14 februari 2002, ingekomen ter griffie van het College op 18 februari 2002, heeft appellante beroep ingesteld tegen voormelde tuchtbeschikking, die appellante ter kennis is gebracht bij aangetekende brief van 4 februari 2002.

De secretaris van het Tuchtgerecht heeft het College bij brief van 14 maart 2002 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 29 oktober 2002. Appellante is in persoon ter zitting verschenen. Ter zitting zijn inlichtingen verstrekt door J.A.M. Knoben, directeur van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten (hierna: Stichting).

2. De grondslag van het geschil

2.1 De toepasselijke regelgeving

In het Landbouwkwaliteitsbesluit scharreleieren (Stb. 1978, 636, zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 2 november 1999, Stb. 485) (hierna: Besluit), is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 2

1. Op kleine verpakkingen met eieren van klasse A mag, ter aanduiding van de produktiemethode, een van de volgende vermeldingen worden aangebracht:

(…)

c. scharreleieren;

(…)

2. Het is, bij het verhandelen van eieren, verboden op of bij eieren dan wel op of bij de verpakking ervan:

a. de vermeldingen als bedoeld in het eerste lid aan te brengen of te bezigen, tenzij met betrekking tot deze eieren is voldaan aan het bij of krachtens de artikelen 3 en 4 van dit besluit bepaalde;

b. andere dan de in het eerste lid bedoelde vermeldingen ter aanduiding van de produktiemethode van eieren aan te brengen of te bezigen, met uitzondering van de vermelding, genoemd in artikel 18, eerste lid, onderdeel e, van de EEG-

verordening, of afbeeldingen aan te brengen of te bezigen die misleidend zijn of kunnen zijn met betrekking tot de produktiemethode.

(…)

Artikel 3

1. Onze Minister stelt voor eieren, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, regelen met betrekking tot:

a. de hoedanigheid, de sortering, de verzorging, de verpakking en de aanduiding;

b. de inrichting en het gebruik van de ruimte bestemd voor de kippen, die deze eieren voortbrengen;

c. de voeding, drenking en verzorging van de kippen, die deze eieren voortbrengen;

d. de kippen die deze eieren voortbrengen.

(…)"

In het Reglement Stichting Nederlands Eiercontrole Bureau betreffende het verloop van de keuring en het uitreiken van tekenen en bewijsstukken inzake scharreleieren (Stcrt. 1989, nr. 248) (hierna: Reglement) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 14

1. De aangesloten pakstationhouder is voorts verplicht:

a. een administratie te voeren met betrekking tot de ontvangst van scharreleieren, waarin tenminste moeten zijn vermeld de aantallen en het gemiddelde gewicht, de datum van ontvangst alsmede de namen en adressen van zijn leveranciers, een

en ander gestaafd door facturen of afleveringsbonnen;

b. een administratie te voeren met betrekking tot de aflevering van scharreleieren, waarin tenminste moeten zijn vermeld de aantallen, de data van aflevering alsmede de namen en adressen van de afnemers, een en ander gestaafd door copie-facturen;

c. het voeren van een administratie waaruit aangehouden voorraden scharreleieren duidelijk blijken.

(…)"

In het Reglement op de Tuchtrechtspraak van de Stichting Nederlands Eiercontrole Bureau (hierna: Reglement op de Tuchtrechtspraak) is onder meer als volgt bepaald:

" Artikel 8

1. Het tuchtgerecht kan aan een aangeslotene die een voorschrift heeft overtreden één of meer van de volgende maatregelen opleggen:

(…)

b. een geldboete van ten hoogste f 10.000,--;

(…)

In de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie (Stb. 1954, nr. 417, meermalen gewijzigd) (hierna: Wet) is onder meer als volgt bepaald:

" Art. 17. Het beroep kan worden ingesteld ter zake dat:

(…)

c. het tuchtgeding is gevoerd in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijke rechtspraak;

(…)"

3. Het berechtingsrapport

Het berechtingsrapport, op 21 augustus 2001 opgemaakt door B en C, controleurs bij de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten, heeft, voor zover hier van belang, de navolgende inhoud:

" Wegens: Het verhandelen van eieren waarbij de benaming scharreleieren werd vermeld die niet voldeden aan het gestelde in artikel 2 lid 2 aanhef onder a en artikel 5 lid 1 van het Landbouwkwaliteitsbesluit scharreleieren, alsmede het niet juist bijhouden van een administratie met betrekking tot het ontvangen, afleveren en het in voorraad houden van scharreleieren zoals voorgeschreven is in artikel 14 lid 1 van het Reglement Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten betreffende het verloop van de keuring en het uitreiken van tekenen en bewijsstukken inzake scharreleieren.

(…)

Op 18 april 2001 omstreeks 15.00 uur bevond ik, relatant B, mij in een pand gelegen aan de D-weg te Y.

Aldaar is gevestigd E.

(…)

Op 25 april 2001 omstreeks 14.00 uur bevond ik, relatant, mij wederom in het pand van E aan de D-weg te Y.

(…)

Naar aanleiding van vorenstaande bevindingen stelde ik aan de hand van de getoonde interne bestel- en ontvangstlijsten vast, dat er in de periode van 1 januari 2000 tot en met 25 april 2001 door F 256.440 scharreleieren waren geleverd aan E te Y.

Aan de hand van de getoonde nota's van F/G zag ik dat er in die periode 44.100 stuks scharreleieren waren geleverd, derhalve een verschil van 212.340 stuks eieren.

Een en ander is hieronder schematisch weergegeven;

(…)

Naar aanleiding van vorenstaande bevindingen sprak ik, relatant B, omstreeks 14.45 uur op plaats en datum voornoemd

getuige H, die mij desgevraagd opgaf te zijn:

Getuige : H - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - --

geboren op DATUM te I, hoofd administratie in dienst van E, D-weg, Y.

Getuige verklaarde mij, nadat ik haar van mijn bevindingen in kennis had gesteld, desgevraagd het navolgende, zakelijk weergegeven:

"Ik ben hoofd van de administratie bij E Y.

De door u aangetroffen eieren zijn op 18 en 25 april 2001, aangeleverd door de firma F te X. Ik zal u kopieën van de

facturen d.d. 18 en 24 april 2001, alsmede de interne bestel-/ontvangstbon meegeven. Ik krijg de rekeningen van

F en betaal ze.

In het magazijn worden de leveringen gecontroleerd aan de hand van het interne bestelformulier. Zij zien daar nooit de nota's."

Op 26 april 2001 omstreeks 08.30 uur bevond ik, relatant B, mij wederom in een pand gelegen aan de D-weg te Y, alwaar E gevestigd is.

Op tijd en plaats voornoemd sprak ik een persoon die ik met het doel van mijn komst in kennis stelde en aan wie ik mij in mijn functie bekend maakte. Deze persoon verklaarde mij K te zijn, bedrijfsleider in dienst van E, hierna te noemen getuige, die mij desgevraagd opgaf te zijn:

Getuige : K - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

geboren op DATUM te L, bedrijfsleider in dienst van E, D-weg, Y.

Getuige verklaarde mij, nadat ik hem van mijn bevindingen in kennis had gesteld, desgevraagd het navolgende, zakelijk

weergegeven:

"Ik ben als bedrijfsleider mede verantwoordelijk voor de inkoop, ontvangst, verkoop, aflevering en het voorraadbeheer van E.

Met betrekking tot de door u geconstateerde feiten kan ik u verklaren dat de scharreleieren zoals die op onze interne bestel-/ontvangstbonnen staan vermeld ook daadwerkelijk ontvangen zijn als scharreleieren van de firma F te X.

Zoals u zelf bij de controles van 18 en 25 april j.l. heeft geconstateerd zijn de verpakkingen voorzien van de benaming scharrelei.

De ontvangsten controleren wij aan de hand van de etiketten en opschriften zoals die op de verpakkingen staan vermeld. Deze werkwijze is ook in de periode van 1 januari 2000 tot en met heden zo gehanteerd. Kortom alle geleverde scharreleieren waren voorzien van de benaming "scharrel" en zijn om die reden dan ook als scharreleieren doorverkocht. Wij zien de nota's van F nooit omdat deze rechtstreeks naar onze administratie gaan.

Verder kan ik u hieromtrent niets verklaren."

In voornoemd pand omstreeks 09.00 uur sprak ik een persoon die ik met het doel van mijn komst in kennis stelde en aan wie ik mij in mijn functie bekend maakte. Deze persoon verklaarde mij M te zijn, directeur van E, hierna te noemen getuige, die mij desgevraagd opgaf te zijn:

Getuige: M - - - - - - - - - - - - - - - -

geboren op DATUM te N, directeur van E, gevestigd D-weg te Y.

Getuige verklaarde aan mij desgevraagd het navolgende, zakelijk weergegeven:

"Ik ben directeur van R. Ik ben bevoegd om de C. V. te vertegenwoordigen.

Met betrekking tot de door u geconstateerde tekortkomingen kan ik u zeggen dat ik de verklaringen van mevrouw H en

van de heer K onderschrijf. Voorts wil ik u verzoeken de verkregen informatie discreet te behandelen zodat het niet aan de

grote klok komt te hangen. Het zou onze goede naam kunnen schaden.

Voor dit moment heb ik u niets nader te verklaren en hoop dat een en ander goed en degelijk wordt uitgezocht bij mijn eierleverancier."

Naar aanleiding van vorenstaande bevindingen bevonden wij, relatanten B en C, ons op 3 mei 2001 omstreeks 15.00 uur in een pand gelegen aan de O-straat te X. Aldaar is statutair gevestigd F geregistreerd bij het Productschap voor Pluimvee en Eieren onder nummer *, zijnde tevens een pakstation als bedoeld in artikel 1 van de Landbouwkwaliteitsregeling scharreleierenkeuring en -merken.

F is ingevolge artikel 11 van het Reglement als pakstation toegelaten als aangeslotene.

Wij spraken aldaar met de ons in onze functie kennende P, hierna te noemen betrokkene, die wij met het doel van onze komst in kennis stelden.

Aan de hand van de eerder aan ons ter beschikking gestelde administratie zagen wij dat door F, ongesorteerde scharreleieren in die periode waren ingekocht bij een pluimveebedrijf en een verzamelaar, die als zodanig door de

Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten waren geregistreerd, zijnde een producent en een verzamelaar als bedoeld in artikel 1 van de Landbouwkwaliteitsregeling scharreleieren keuring en -merken.

De gehele in- en verkoopadministratie van scharreleieren werd door ons geverifieerd.

Aan de hand van die gegevens en de gegevens verkregen bij E te Y stelden wij vast dat in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2001 er in totaal 135.630 stuks scharreleieren waren ingekocht en dat er in totaal 334.564 scharreleieren waren verkocht in die periode. Derhalve een totaal verschil van 188.934 eieren.

Een en ander is hierna schematisch weergegeven;

(…)

Naar aanleiding van vorenstaande bevindingen spraken wij op tijd en plaats voornoemd betrokkene, die ons desgevraagd opgaf te zijn:

Betrokkene : - - - - - - - - - - - - - - - - - P - - - - - - - - - - - - - - - - - -

geboren op DATUM te X, wonende O-straat, X, medevennoot van F.

Betrokkene verklaarde op mijn vragen het volgende, zakelijk weergegeven:

"Ik ben medevennoot van F, statutair gevestigd O-straat, X We handelen ook onder de naam G en ons pakstation is gevestigd aan de Q-straat te X. Ik ben als zodanig mede verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken binnen dit bedrijf. We staan bij het Productschap voor Pluimvee en Eieren geregistreerd onder nummer *.

Ik kan u verklaren dat de gegevens die u heeft opgenomen bij E kloppen en dat ik meer scharreleieren heb aangeleverd dan dat er op de nota's stonden vermeld. Ik heb dus niet in alle gevallen de benaming "scharreleieren" op de nota's vermeld, terwijl ik in feite telkens meer leverde.

Scharreleieren moet je duurder inkopen en de afnemer wil er niet al te veel meer voor betalen waardoor mijn marge kleiner wordt, vandaar dat ik batterij-eieren als scharreleieren heb verkocht. Ik ga akkoord met de resultaten door u vastgesteld in de administratie bij het E te Y. De door u geconstateerde verschillen zijn juist, dit waren geen scharreleieren.

De "extra" leveringen van scharreleieren aan het E had ik niet in mijn administratie vermeld.

Ik ga akkoord met de door u vastgestelde bevindingen, deze zijn juist. Verder heb ik u niets te verklaren."

(…)"

4. De bestreden tuchtbeschikking

Bij de bestreden tuchtbeschikking heeft het Tuchtgerecht onder meer als volgt overwogen en beslist:

" Deze zaak berust op een berechtingsrapport nr. A01049.

(…)

Door de inhoud van bovengenoemd berechtingsrapport staan naar het oordeel van het Tuchtgerecht vast en zijn bewezen de hierboven omschreven feiten.

De bewezen verklaarde feiten leveren op:

1. overtreding van artikel 2 lid 2 van het Landbouwkwaliteitsbesluit Scharreleieren (zoals gewijzigd) in samenhang met artikel 3 lid 1 van dat besluit.

2. overtreding van artikel 14 lid 1 onder a, b, en c van het Reglement betreffende het verloop van de keuring en het uitreiken van tekenen en bewijsstukken inzake scharreleieren.

Op elk van deze overtredingen afzonderlijk kan ingevolge artikel 8 van het Reglement op de tuchtrechtspraak van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten een aldaar genoemde tuchtrechtelijke maatregel worden gesteld.

De navolgende tuchtrechtelijke maatregel is naar het oordeel van het Tuchtgerecht in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en met de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd.

Het Tuchtgerecht overweegt daarbij met name het navolgende:

- Een niet te verwaarlozen gedeelte van de consumenten geeft de voorkeur aan scharreleieren boven "gewone" eieren en is bereid de veelal hogere prijs voor scharreleieren te betalen, zulks in het belang van het ethologisch welzijn van de legkippen, die deze scharreleieren produceren;

- In het onderhavige geval heeft de aangeslotene tenminste 196.000 eieren meer afgeleverd als scharreleieren dan zij in de desbetreffende periode volgens haar administratie voorhanden had en, naar mag worden aangenomen, daarmede eieren van legkippen, ten aanzien van wier welzijn niet aan de vastgestelde criteria was voldaan - doen doorgaan voor

scharreleieren;

- De aangeslotene heeft daarbij uit financieel gewin bewust onjuist gehandeld;

- Dusdoende heeft de aangeslotene de kopers van scharreleieren bewust willen misleiden;

- Derhalve is sprake van een ernstige overtreding, die een hoge boete rechtvaardigt;

- Daarnaast heeft de aangeslotene in de periode van 1 januari 2000 tot en met 25 april 2001 de administratie met betrekking tot de ontvangst en de aflevering van scharreleieren niet juist gevoerd en aldus de controle bemoeilijkt;

- Een juiste administratie is van belang voor het in stand houden van een sluitend controlesysteem met betrekking tot de handel in scharreleieren;

- Het Tuchtgerecht houdt er rekening mee dat het tweede feit samenhangt met het eerste feit. Voor het tweede feit wordt geen afzonderlijke straf opgelegd;

- Bij de bepaling van de geldboete voor beide feiten is het Tuchtgerecht ervan uitgegaan dat aan de aangeslotene het onrechtmatig genoten voordeel, dat op ongeveer 2 ½ cent per ei kan worden gesteld, dient te worden ontnomen en dat dit bedrag bij wege van boete-element dient te worden verdubbeld.

Hoewel de tellingen in het berechtingsrapport niet eenduidig zijn, kan uit de schema's die de wekelijkse verkoop van eieren weergeven worden afgeleid dat de aangeslotene tenminste 196.000 eieren ten onrechte als scharreleieren heeft afgeleverd. De aldus berekende geldboete wordt gematigd tot het hierna te noemen bedrag.

De tuchtrechtelijke maatregel is gegrond, behalve op de reeds aangehaalde artikelen, op artikel 1 van het Landbouwkwaliteitsbesluit Scharreleieren, de Landbouwkwaliteitswet, het Reglement op de tuchtrechtspraak van de

Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten en de artikelen 14 lid 1 en 18 van de Statuten van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten.

Op grond van het bovenstaande komt het Tuchtgerecht tot de navolgende uitspraak:

Het Tuchtgerecht legt aan de aangeslotene als tuchtrechtelijke maatregel voor de hierboven omschreven overtredingen gezamenlijk op:

een geldboete van f 9.000, =; zegge: negenduizend gulden.

(…)"

In aanvulling op het bovenstaande is namens de Stichting naar voren gebracht dat het Tuchtgerecht terecht het onrechtmatig genoten voordeel heeft vastgesteld op f. 0,025 per ei en dit terecht als uitgangspunt heeft gehanteerd bij het opleggen van de onderhavige boete. Het prijsverschil tussen een batterij-ei en een scharrelei bedraagt namelijk in de handel tussen de f. 0,025 en f. 0,03 per ei. Vaak bestaan afspraken tussen eierhandelaren en afnemers om bij grote afname een lager bedrag per scharrelei in rekening te brengen.

5. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

In de tuchtbeschikking wordt geen melding gemaakt van het door appellante op 17 november 2001 opgestelde verweerschrift noch wordt ingegaan op de argumenten die daarin zijn aangevoerd.

De grieven richten zich tegen (de hoogte van) de opgelegde boete ten bedrage van f. 9.000,-. Sprake is namelijk van een incident, ten gevolge van de mond- en klauwzeercrisis waarbij de controle was verhoogd. Bovendien was appellante als gevolg van de concurrentiestrijd op de eiermarkt, waarbij de winstmarges steeds kleiner worden, gedwongen tot het verkopen en leveren van batterij-eieren als scharreleieren. De concurrentiesituatie in de eierbranche is zodanig slecht dat appellante als gevolg hiervan genoodzaakt was haar bedrijf met ingang van 1 januari 2002 te beëindigen.

Voorts heeft het Tuchtgerecht ten onrechte het onrechtmatig genoten voordeel vastgesteld op f. 0,025 per ei en dit bedrag bij wege van boete-element verdubbeld. Het prijsverschil zoals dat bestaat in de handel tussen een scharrelei en een batterij-ei is wisselend. De marge tussen een scharrelei en een batterij-ei bedraagt maximaal f. 0,01.

Nu het bedrijf gestaakt is heeft het opleggen van een maatregel, die als doel heeft om appellante af te schrikken, geen zin.

Gelet op het bovenstaande is ten onrechte een maatregel opgelegd, althans is de opgelegde boete te hoog en dient deze gematigd te worden.

6. De beoordeling

6.1 Het College stelt vast dat appellante de door het Tuchtgerecht bewezen verklaarde overtredingen van artikel 2, tweede lid en artikel 3, eerste lid van het Besluit, alsmede artikel 14, eerste lid en onder a, b en c, van het Reglement, alsook de door het Tuchtgerecht uitgesproken strafbaarheid, niet heeft bestreden.

Uit artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak volgt dat in een dergelijk geval als tuchtrechtelijke maatregel een geldboete van ten hoogste tienduizend gulden kan worden opgelegd.

Appellante heeft grieven aangevoerd tegen de haar krachtens voornoemde bepaling door het Tuchtgerecht opgelegde geldboete, althans tegen de hoogte daarvan. In dit kader heeft appellante betoogd dat voornoemde overtreding slechts een incident betreft en dat zij als gevolg van de concurrentiestrijd op de eiermarkt en de geringe winstmarges op scharreleieren, gedwongen was tot het verhandelen van batterij-eieren als scharreleieren. Wat daar ook van zij, zulks doet niet af aan de verantwoordelijkheid van appellante de geldende voorschriften volledig na te komen, zodat deze grief moet worden verworpen.

Appellante heeft voorts betoogd dat het Tuchtgerecht in de tuchtbeschikking ten onrechte het onrechtmatig genoten voordeel heeft vastgesteld op f. 0,025 per ei, aangezien de marge tussen een batterij-ei en een scharrelei uiterst gering is en maximaal f. 0,01 bedraagt.

In de hiervoor genoemde brief van appellante van 17 november 2001 was reeds vermeld dat het appellante bekend was dat bij het opleggen van een sanctie wordt uitgegaan van een bepaalde veronderstelde marge, doch dat die marge nooit door appellante is gerealiseerd. Hoewel deze brief - abusievelijk - is gericht aan het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, had het naar het oordeel van het College bij het Tuchtgerecht, mede gelet op de juiste vermelding van de datum van de zitting bij het Tuchtgerecht, duidelijk kunnen en behoren te zijn dat de brief betrekking had op de onderhavige zaak. Naar van de zijde van de Stichting ter zitting bij het College is opgemerkt is dit ook onderkend en is de brief bij de zitting van het Tuchtgerecht voorgelezen en meegenomen bij de beoordeling. Dit blijkt evenwel niet uit de tuchtbeschikking, terwijl het Tuchtgerecht in het gestelde in de brief van 17 november 2001 juist aanleiding had moeten zien zijn standpunt ter zake van het door de aangeslotene veronderstelde onrechtmatig genoten voordeel nader te onderbouwen, dan wel een andere maatstaf voor de berekening daarvan te kiezen. Een en ander klemt te meer nu appellante haar stelling dat de door haar behaalde marge lager ligt dan de door het Tuchtgerecht veronderstelde marge nader heeft verduidelijkt en de bij het berechtingsrapport gevoegde bescheiden uit de administratie van appellante ook in die richting zouden kunnen wijzen.

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat het tuchtgeding is gevoerd in strijd met het beginsel van behoorlijke rechtspraak, dat inhoudt dat een beschikking dient te berusten op een deugdelijke motivering.

6.2 Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard en de bestreden tuchtbeschikking dient te worden vernietigd.

Het College acht het geraden de zaak onder toepassing van artikel 29, eerste lid, van de Wet te verwijzen naar het Tuchtgerecht ten einde haar af te doen met inachtneming van deze uitspraak.

Deze uitspraak berust op de voorschriften, vermeld in de bestreden tuchtbeschikking, alsmede op de voorschriften in de Landbouwkwaliteitswet.

Derhalve wordt als volgt beslist.

7. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeschikking;

- verwijst de zaak terug naar het Tuchtgerecht om haar af te doen met inachtneming van deze uitspraak.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 december 2002.

w.g. M.A. van der Ham w.g. I.K. Rapmund