Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE9978

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
06-11-2002
Zaaknummer
AWB 01/304 en 01/305
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Sociaal-Economische Raad 66
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs.AWB 01/304 en 01/305 25 september 2002

4282 en 4285 Bijzondere heffing 1998 (tuinbouw) en

Bijzondere heffing 2000 (tuinbouw)

Uitspraak in de zaak van:

A, B en C, samen handelende onder de naam "D", te Haulerwijk, hierna te noemen: appellante,

gemachtigde: A, te Haulerwijk,

tegen

Productschap Tuinbouw, te Zoetermeer, verweerder,

gemachtigde: R.L.B.M. Smeelen, werkzaam bij verweerder

1. De procedure

Op 19 april 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 14 maart 2001.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen de oplegging van heffingen op grond van de Verordening PT Bijzondere heffing 1998, onderscheidenlijk de Verordening PT Bijzondere heffing fruit en champignons 2000.

Verweerder heeft op 27 november 2001 verweerschriften ingediend.

Op 14 augustus 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 66 van de Wet op de bedrijfsorganisatie luidt onder meer als volgt:

" Artikel 66

1. Voor twee of meer groepen van ondernemingen, die in het bedrijfsleven een verschillende functie vervullen ten aanzien van bepaalde produkten of groepen van produkten, kunnen openbare lichamen worden ingesteld, hoofdproduktschappen of produktschappen genaamd.

2. (…)

3. Onder onderneming wordt mede verstaan een bedrijf, waarmede niet wordt beoogd het maken van winst. "

Bij de Verordening PT Bijzondere heffing 1998 is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

1. (…)

2. In deze verordening wordt verstaan onder:

a. onderneming : onderneming waarvoor het productschap is ingesteld;

b. ondernemer : die gene die een onderneming drijft;

(…)

Artikel 2

1. De ondernemer , die in enig jaar een tuinbouwonderneming drijft, is verplicht voor dat jaar aan het productschap een heffing te betalen.

(…)

Artikel 7

(…)

4. De voorzitter is namens het bestuur bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in de artikelen 2 en 5 en kan daarbij nadere voorschriften vaststellen."

Bij de Verordening PT Bijzondere heffing fruit en champignons 2000 is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

1. (…)

2. In deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

d. onderneming : onderneming waarvoor het productschap is ingesteld;

e. ondernemer : de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming

drijft;

(…)

Artikel 2

1. De ondernemer, die in het jaar 2000 een onderneming drijft waarin fruit of champignons worden geteeld, is voor dat jaar aan het productschap een heffing verschuldigd.

(…) "

Bij uitspraak van 21 maart 1997, BK 408/96, heeft het gerechtshof te Leeuwarden een uitspraak van de Belastingdienst bevestigd, die was gebaseerd op het uitgangspunt dat de bezigheden van A niet als die van een onderneming konden worden aangemerkt. Hiertoe heeft het gerechtshof onder meer overwogen dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het met zijn bedrijfsactiviteiten mogelijk is tot structureel andere dan negatieve resultaten te komen. Het beroep in cassatie tegen deze uitspraak heeft de Hoge Raad bij arrest van 18 maart 1998, nr. 33.265, verworpen.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 30 november 1999 is appellante een heffing opgelegd ten bedrage van ƒ 758,38 op grond van de Verordening PT Bijzondere heffing 1998.

- Tegen het besluit van 30 november 1999 heeft appellante bij brief van 8 januari 2000 bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 16 november 2000 is appellante een heffing ten bedrage van ƒ 558,44 opgelegd op grond van de Verordening PT Bijzondere heffing fruit en champignons 2000.

- Tegen het besluit van 16 november 2000 heeft appellante bij brief van 23 december 2000 bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 19 februari 2001 heeft appellante verweerder onder meer als volgt bericht:

" Hierbij zend ik u het aangifteformulier Heffingen Groenten en Fruit terug.

Het kan niet voor ons bedoeld zijn, aangezien "D " sinds 1992 geen bedrijf meer is maar een hobby."

- Bij brief van 14 maart 2001 heeft verweerder appellante verzocht bepaalde gegevens, vermeld in een daarbij gevoegd "bericht registratie", op juistheid en volledigheid te controleren. Volgens deze gegevens is de registratie van appellante als "Teler/Kweker" per 14 maart 2001 beëindigd.

- Bij besluiten van 14 maart 2001 heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen de twee vermelde heffingsaanslagen.

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de heffingsaanslagen gehandhaafd en hiertoe onder meer het volgende overwogen:

" De Verordening Productschap Tuinbouw bijzondere heffing bepaalt dat een ieder die in enig jaar een tuinbouwonderneming drijft, verplicht is voor dat jaar een heffing aan het Productschap Tuinbouw te betalen. De opbrengsten van de heffing zijn bestemd voor het houden van (praktijk) onderzoek, promotie, afzetbevordering.

Het kan zo zijn dat u als ondernemer het niet eens met de besteding van bepaalde gelden of vindt u het stuitend dat u als ondernemer met een bepaalde visie, gelden ziet gaan naar doelen waar u niet achter kunt staan. Toch kan om deze redenen, uit oogpunt van rechtsgelijkheid, de heffing niet individueel worden gematigd of ingetrokken.

De onderhavige verordening stelt de verschuldigdheid namelijk niet afhankelijk van het profijt dat de individuele ondernemer al dan niet heeft of heeft gehad van de activiteiten - algemene belangenbehartiging - van het Productschap Tuinbouw, laat staan dat daaromtrent de waardering van een ondernemer bepalend zou kunnen zijn voor die verschuldigdheid."

Bij verweerschrift heeft verweerder onder meer het volgende aangevoerd:

" Met zijn brief van 19 februari 2001 gaf appellant aan verweerder door dat de registratie van "D " onjuist is. Kort gesteld heeft appellant in de brief aangegeven dat "D " sinds 1992 geen onderneming meer is. Verweerder heeft de onderneming van appellant op grond van de door hem verstrekte gegevens als niet actief geregistreerd: "….gestopt en niet voortgezet", oftewel de status van de onderneming van appellant is als zijnde volledig beëindigd.

Verweerder wenst op te merken dat hij zich met de oplegging van heffingen in de eerste plaats baseert op de gegevens die worden verstrekt door de ondernemer. Dat inmiddels is gebleken dat deze registratie niet juist is doet niets af aan de verschuldigdheid van de onderhavige heffing die appellant is opgelegd op grond van door hem bij de landbouwtelling verstrekte gegevens.

(…)

(…) reeds uit de op het briefpapier van "D " vermelde website bleek dat appellant actief als onderneming, waarvoor het productschap is ingesteld, deelneemt aan het economisch verkeer waarbij er duidelijk de intentie bestaat producten van "D " te verkopen of te verhandelen. De website van

"D " kan op het internet worden gevonden onder http:/www.x.com/y.htm. Hierin wordt "D " als bedrijf en familiebedrijf bestempeld. Daarnaast meldt de site welke teelten er plaatshebben op "D "."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft bij haar beroepschrift onder meer het volgende aangevoerd:

" Voor de jaren 1987 en 1988 stelde de Dienst Inkomstenbelasting Ondernemingen dat D geen recht had op de faciliteiten van ondernemingen, waaronder 6 jaar aanloopperiode.

(…) op 93-11-04 hield ik een pleidooi voor de belastingkamer in Leeuwarden gevolgd door een vonnis op 93-11-26 dat het vonnis van de inspecteur vernietigde: D IS EEN ONDERNEMING.

(…)

De jaren 1987-88-89-90-91 was D dus erkend als onderneming, met aanloopperiode van 6 jaar tot en met 1992. Maar over het laatste jaar van de aanloopperiode, 1992, stelde de Belastingdienst Ondernemingen wederom dat D geen onderneming was en weigerde ondernemingsfaciliteiten te geven. (…)

De Hoge Raad der Nederlanden gaf op 18 maart 1998 in arrest nr 33265 aan dat het standpunt van de Belastingdienst juist was, verwijzende naar europese regelgeving: D IS GEEN ONDERNEMING. Het is de hobby van een oude man die AOW trekt.

Let wel: ik heb meer dan mijn best gedaan om te bewijzen dat D een onderneming is. Dat heeft mij ruwweg f 100,000,- gekost. Tevergeefs:

D IS GEEN ONDERNEMING.

(…)

Het Productschap Tuinbouw is er van op de hoogte dat D geen onderneming is, onder andere door mijn brief van 2001-02-19.

(…)

In elk van de twee brieven van afwijzing van mijn bezwaarschrift (…) gebruikt het Productschap voor D zes maal de aanduiding "onderneming" en eenmaal "bedrijf". Met andere woorden: Veertien maal in strijd met het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden!

(…)

Het is duidelijk dat na de herhaalde leeftijdsdiscriminatie, de stopzetting van een uitkering aan WHK, de eerdere valkuil van de RSBP-subsidie en de zéér hoge proces en notariskosten het momenteel voor D onmogelijk is de

- niet verschuldigde - heffing van f 758,38 voor 1999 te betalen, om over die van 2000 maar niet te spreken.

(…)

Het is ondenkbaar dat iemand die geen fiscale ondernemersfaciliteiten krijgt, wel allerlei heffingen zou kunnen betalen. Daarom wordt het College van Beroep gevraagd om (sterk) subsidiair de hardheidsclausule van toepassing te verklaren."

5. De beoordeling van het geschil

Het College kan appellante in haar betoog dat zij geen onderneming drijft, niet volgen. Immers, uitdrukkelijk heeft de wetgever voor de toepassing van de Wet op de bedrijfsorganisatie ook een bedrijfsvoering zonder winstoogmerk gezien als activiteit van een onderneming, zoals blijkt uit artikel 66, derde lid, van deze wet.

Dat andere wetten zoals de Wet op de inkomstenbelasting 1964, uitgaan van een ander ondernemingsbegrip waarbij het winstoogmerk wel essentieel is, is hiermee niet in strijd.

Appellantes grief dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het door haar ingeroepen arrest van de Hoge Raad, treft daarom geen doel. Dit arrest betreft namelijk een uitspraak van het gerechtshof waarbij het ging om een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en niet om een aanslag in productschapsheffingen krachtens op de Wet op de bedrijfsorganisatie gebaseerde verordeningen.

Wat er zij van de beëindiging van de registratie van appellante als "Teler/Kweker" per 14 maart 2001, deze beëindiging ontneemt geen grond aan verweerders standpunt dat appellante in de aan deze datum voorafgaande jaren een onderneming heeft gedreven gezien haar uit de stukken blijkende deelname aan het economisch verkeer.

Appellante heeft deze deelname welke in ieder geval bestond uit de verkoop van ecologische producten, ook nooit ontkend.

De conclusie is dat verweerder appellante op goede gronden heeft aangemerkt als ondernemer en als zodanig als heffingsplichtige ingevolge de artikelen 2, lid 1, van de Verordening PT Bijzondere heffing 1998, onderscheidenlijk van de Verordening PT Bijzondere heffing fruit en champignons 2000.

Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, strekt ten betoge dat bij de bestreden besluiten ten onrechte is nagelaten haar van deze heffingsplicht te ontheffen. Dienaangaande overweegt het College dat niet is gebleken van enige grondslag voor verweerder hierbij tevens appellabel te beslissen over een ontheffing van deze heffingsplicht. Voor zodanige grondslag zijn met name geen aanknopingspunten te vinden in hetgeen appellante in bezwaar heeft gesteld, te weten dat zij niet in staat is de heffingen te betalen, noch in het beroep dat appellante in dit geding doet op een hardheidsclausule.

De slotsom is dat de beroepen ongegrond verklaard dient te worden.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr R.H.L. Dallinga, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 september 2002.

w.g. D. Roemers w.g. R.H.L. Dallinga