Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE9959

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
06-11-2002
Zaaknummer
AWB 00/631 en 00/632
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/631 en 00/632 25 september 2002

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting en

premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

A en B, beide te C, appellanten,

gemachtigde: E.E. Tiendalli, te Wageningen,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr I.A.M. van Nieuwkerk en ing. L.M. Tijhuis, werkzaam bij verweerders agentschap Senter.

1. De procedure

Op 27 juli 2000 heeft het College van appellanten beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen besluiten van verweerder van 19 juli 2000.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten tegen de afwijzing van hun aanvragen om verklaringen als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

Appellanten hebben op 6 september 2000 de gronden van hun beroep aangevuld.

Verweerder heeft op 9 november 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 7 juni 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten nader hebben doen toelichten. Ter zitting waren tevens aanwezig voor appellanten D, en voor verweerder ing. L.M. Tijhuis.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 1, eerste lid, onder l. en o., van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de WVA) luidt:

" Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

l. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in Nederland verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek of de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige onderscheidenlijk de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe:

1°. fysieke producten;

2°. onderdelen van fysieke producten;

3°. fysieke productieprocessen;

4°. onderdelen van fysieke productieprocessen;

5°. programmatuur of

6°. onderdelen van programmatuur,

alsmede daaraan voorafgaand in Nederland verricht haalbaarheidsonderzoek;

(…)

o. S&O-verklaring: de door Onze Minister van Economische Zaken op de voet van artikel 24 aan een S&O-inhoudingsplichtige of een S&O-belastingplichtige afgegeven verklaring betreffende speur- en ontwikkelingswerk."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten hebben op 5 november 1999 aanvragen bij Senter ingediend om S&O-verklaringen voor een project dat in de daartoe strekkende aanvraagformulieren als volgt is getypeerd:

"Projecttitel : Ontwikkelingsproject geverfde rozen

Type project : Ontwikkelingsproject

Zwaartepunt v/d Ontw. : Technisch nieuw fysiek (onderdeel van een)

Product

Projectnummer : Rozenverf.2001

(…)

Omschrijving:

Ons bedrijf is een glastuinbouwbedrijf gespecialiseerd in de teelt van rozen onder glas. Door de opkomende concurrentie is ons bedrijf actief in de ontwikkeling van nieuwe producten. In dit proefproject richt ons bedrijf zich op de ontwikkeling van voor de markt nieuwe producten te weten geverfde rozen.

In de komende periode worden rozen die voldoen aan bepaalde eigenschappen (optimale capillaire werking van de stelen) in een proefopstelling geverfd in kleuren die mogelijk op de markt aanslaan. Het gaat hierbij om een biologisch afbreekbare kleurstoffen/pigmenten welke onder verschillende omstandigheden (o.a. hoge en lage temperaturen, hoge en lage luchtvochtigheid, verschillende kleurstoffensamenstellingen, korte/lange/dikke stelen et cetera) in de rozen wordt ingebracht. Hiervoor dienen de omstandigheden optimaal te zijn zoals: een goede conditionering, versheid van de rozen, temperatuur, dikte en groote van de steel, knop of bloem. Deze parameters zullen worden ontwikkeld op basis van een proefsituatie. Daarnaast dient te worden onderzocht in hoeverre de versheid van het product wordt beinvloed in relatie met het vaasleven. (afvallen of verdroging van de knoppen, bladeren of kelkbladen moet worden voorkomen). Van belang is ook de samenstelling en dichtheid van de kleurstoffen en de invloed hiervan op de in de rozen aanwezige meststoffen. Dit zal in de komende periode eveneens worden onderzocht.

(…)

Technische nieuwheid:

De technische nieuwheid van het project is de ontwikkeling van een nieuw product te weten geverfde rozen met biologisch afbreekbare kleurstoffen zonder dat het product haar sierwaarde verliest of zonder dat de levenduur van de geverfde roos (bijvoorbeeld: blauw en/of grijs) aanzienlijk wordt verkort. Verder is deze ontwikkel volledig nieuw voor ons bedrijf."

- Bij besluiten van 15 maart 2000 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen.

- Op 13 april 2000 hebben appellanten hiertegen bezwaar gemaakt en hiertoe onder meer het volgende aangevoerd:

" Het proces behelst het ontwikkelen van een zeer lage luchtvochtigheid bij een geschikte temperatuur. Dit is van belang omdat de biologische samenstelling van de ontwikkelde kleurstoffen mogelijk de levensduur van de eindproducten kan verkorten of verlengen. Een knelpunt is onder andere het vinden van een evenwichtslijn.

Beseft moet worden dat het hierbij om reeds geoogste rozen gaat van een speciale soort. De kleuring van de roos gebeurt door de roos op een speciale vochthoudende ondergrond te zetten die de kleurstof bevat. Tijdens het onderzoek wordt onderzocht onder welke omstandigheden deze reeds geoogste rozen optimaal de kleurstoffen opnemen en het gewas "doorkleuren". Gezien de wensen met betrekking tot houdbaarheid en uitstalleven moet onderzocht worden onder welke omstandigheden de perfecte gekleurde roos ontstaat.

Hiervoor zijn uiteraard niet alle basismaterialen geschikt. Ingeval de minister vragen zou hebben gesteld, dan was het mogelijk geweest de verschillen en knelpunten omtrent de ontwikkeling toe te lichten."

- Bij brief van 3 mei 2000 heeft verweerder appellanten om aanvullende gegevens verzocht.

- Bij brief van 24 mei 2000 hebben appellanten op verweerders vragen onder meer als volgt geantwoord:

" In het kader van uw vraagstelling in hoeverre er een technisch nieuw product wordt ontwikkeld is belanghebbende van mening dat een product ook kan worden gedefinieerd als een voortbrengsel van een chemisch en fysiologisch proces. Technisch nieuw voor de ondernemer omdat soortgelijke producten niet eerder zijn ontwikkeld. Technisch omdat de ondernemer technische omstandigheden heeft gebouwd waarmee het chemisch en fysiologisch proces tot stand komt. Zo is er een afzonderlijke ruimte gebouwd waarin de luchtvochtigheid tot een bepaald maximum kan worden verhoogd bij een bepaalde temperatuur. Hierdoor ontstaan een capillaire werking en een technisch nieuw fysiek product. Dit product heeft een afzonderlijke prijs en wordt ook afzonderlijk op de markt aangeboden.Volgens belanghebbende is er absoluut geen sprake van het optimaal instellen van procesparameters."

- Op 29 mei 2000 zijn appellanten ter zake van hun bezwaren door verweerder gehoord. Daarbij heeft hun gemachtigde gevraagd om over de beantwoording van een bepaalde vraag met D te kunnen overleggen.

- Op 6 juni 2000 hebben appellanten verweerder onder meer als volgt bericht:

" (…) de droge kleurpigmenten worden ingekocht en op basis van een proefopzet (…) gemengd met onder andere water. Ook worden verschillende kleuren gemengd ter verkrijging van nieuwe kleuren. Op basis van deze proefopzet zullen de parameters van de concentraties van de vloeistoffen worden bepaald. Knelpunten worden verwacht bij de samenstelling van de parameters. Deze zullen worden opgelost op basis van een verder onderzoek."

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen, waarbij zijn afwijzing van de aanvragen is gehandhaafd.

3. De bestreden besluiten

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer als volgt overwogen en besloten:

" Zowel in mijn vragenbrieven van 3 mei 2000 en 29 mei 2000 als tijdens de hoorzitting heb ik gevraagd wat u in het kader van dit project in fysieke zin zelf ontwikkelt. Noch de betreffende rozen noch de (biologische) kleurstoffen blijken door u te worden ontwikkeld. U koopt deze in om ze te gebruiken. Hetzelfde geldt voor de apparatuur in de proefopstelling. Uw werkzaamheden concentreren zich op (onderzoek naar) het op het op de juiste manier combineren en samenvoegen van rozen, kleurstoffen en apparatuur om aldus een niet eerder door u vervaardigd eindproduct te kunnen leveren, oftewel; een geverfde roos (met lange levensduur en hoge sierwaarde). Ten behoeve van dit product verricht u diverse proeven ten aanzien van klimatologische omstandigheden, kleurstofsamenstellingen, capillaire werking en houdbaarheid. Deze werkzaamheden resulteren in de parameterisering van het verfproces voor rozen zonder dat er sprake is van fysieke ontwikkeling. Uw werkzaamheden zijn dan ook niet gericht op de ontwikkeling van een (onderdeel van een) technisch nieuw fysiek product (of productieproces). Bovendien worden werkzaamheden met betrekking tot het invoeren in een bestaande bedrijfssituatie en het aanpassen van aangekochte technologie, producten, processen of programmatuur, dan wel onderdelen daarvan op grond van de Afbakeningsregeling, artikel 1, letter d niet als S&O gerekend.

Uw stelling dat een technisch nieuw fysiek product kan worden gedefinieerd als 'een voorbrengsel van een chemisch en fysiologisch proces' verandert mijn mening niet. Om van ontwikkelingswerk in de zin van de Wet te spreken dienen de eigen werkzaamheden meer te zijn dan samenvoeging en parameterisering van bestaande componenten en gebruikmaking van bestaande biologische principes. Ondanks dat u daartoe ruim in de gelegenheid bent gesteld, heb ik van u geen informatie ontvangen op basis waarvan (een deel van) uw werkzaamheden als ontwikkelingswerk in de zin van de Wet kan worden aangemerkt."

4. Het standpunt van appellanten

Bij aanvullend beroepschrift hebben appellanten onder meer het volgende aangevoerd:

" Belanghebbende verwijst naar het hoorzittingsverslag bladzijde 1, waar door gemachtigde nogmaals uiteen wordt gezet dat een voor belanghebbende nieuw proces wordt ontwikkeld hetgeen leidt tot de ontwikkeling van een voor de markt nieuw product, i.c. rozen die door een speciaal ontwikkelde behandeling, worden gekleurd. Het project omvat de ontwikkeling van en speciaal prototype klimaatkamer waarbinnen een nader ontwikkeld chemisch en fysiologisch proces dient te ontstaan, hetgeen omschreven kan worden als een speciaal verfproces.

De ontwikkeling zal dan ook eindigen op het moment dat het werkingsprincipe is aangetoond.

Er is absoluut geen sprake van het invoeren van bestaande technologie in een bestaande bedrijfssituatie, aangezien het concept volledig wordt of zal worden ontwikkeld door appellanten.

Tevens wordt door de minister de indruk gewekt als of het project grotendeels bestaat uit het vaststellen van parameters die op grond van de afbakeningsregeling, artikel 1, letter d niet gekwalificeerd kunnen worden als S&O."

Ter zitting hebben appellanten onder meer toegelicht dat hun werkzaamheden mede gericht zijn op het bereiken van een ideale pH-waarde, waartoe in de loop van 2001 is overgegaan tot toevoeging van ureum.

5. De beoordeling

5.1 Appellanten hebben bij hun aanvragen vermeld dat hun werkzaamheden zijn gericht op de ontwikkeling van een technisch nieuw fysiek product, en dit oogmerk ter zitting desgevraagd bevestigd.

Het College overweegt dienaangaande dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd, geen grondslag biedt voor de conclusie dat hun werkzaamheden zijn gericht op een producteigenschap die zich in technisch opzicht onderscheidt van hetgeen appellanten reeds bekend was, en waartoe appellanten bekende rozen technisch niet in staat waren.

Voor zodanige conclusie is op zich onvoldoende dat als gevolg van wijziging van productieomstandigheden en -materialen zoals soort en conditie van de roos, ondergrond, temperatuur, luchtvochtigheid, zuurgraad, samenstelling en concentratie van de vloeistof, een geverfde roos ontstaat die perfect beantwoordt aan de marktvraag. Immers, op zich was de voor het verfproces geselecteerde roos tevoren technisch al in staat tot hetgeen met de werkzaamheden wordt beoogd, namelijk het aannemen van een andere kleur na toediening van kleurstoffen (vergelijk uitspraken van het College van 15 december 1998, no. AWB 97/56, WPK Made, § 5.2, en van 2 november 1999, no. AWB 97/1605, Innocom, § 5.2).

Evenmin kan de omstandigheid dat appellanten soortgelijke producten niet eerder hebben ontwikkeld, dat zij de technische omgeving voor het chemische en fysiologische proces hebben gebouwd, en dat het beoogde product voor de markt, naar zij hebben gesteld, nieuw is, op zich zelf leiden tot het oordeel dat ook in technisch opzicht een nieuw product wordt ontwikkeld.

Derhalve kan niet worden geoordeeld dat verweerder de onderhavige werkzaamheden ten onrechte heeft aangemerkt als niet gericht op de ontwikkeling van technisch nieuwe producten.

5.2 Voorts overweegt het College dat niet aannemelijk is gemaakt dat de werkzaamheden van appellanten tevens het oplossen van technische knelpunten meebrengen, die van zodanige aard zijn dat voor haar technisch nieuwe onderdelen aan het verfproces moeten worden toegevoegd. Verlaging van de zuurgraad van de verfvloeistof door toevoeging van met name ureum betreft een werking die, naar appellanten ter zitting hebben erkend, hun bekend was.

5.3 De slotsom is dat verweerder op grond van hetgeen appellanten hebben aangevoerd terecht heeft geconcludeerd dat de onderhavige werkzaamheden niet voldoen aan hetgeen de WVA begrijpt onder speur- en ontwikkelingswerk, en daarom terecht de aanvraag om een S&O-verklaring heeft afgewezen.

Het beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 september 2002.

w.g. M.J. Kuiper w.g. R.P.H. Rozenbrand