Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE9950

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-09-2002
Datum publicatie
06-11-2002
Zaaknummer
AWB 02/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/2 19 september 2002

20311 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren

Uitspraak in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A, te B, appellante van een tuchtbeschikking van het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, kamer primaire sector (hierna: Tuchtgerecht),

gemachtigde: C, directeur van appellante.

1. De procedure

Bij beschikking met kenmerk TPE 76/2001 d.d. 14 december 2000 heeft het Tuchtgerecht aan appellante een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd.

Appellante heeft door het afleggen een schriftelijke verklaring, ingekomen ter griffie van het College op 27 december 2001, beroep ingesteld.

Bij schriftuur ingediend op 17 januari 2002 heeft appellante de middelen van beroep kenbaar gemaakt.

De secretaris van het Tuchtgerecht heeft bij brief d.d. 18 januari 2002 de stukken doen toekomen aan het College.

Het College heeft de zaak behandeld ter openbare terechtzitting van 27 juni 2002. Appellante was door zijn gemachtigde vertegenwoordigd. Ter zitting zijn inlichtingen verstrekt door mr R.B.R. Henke, werkzaam bij het Gemeenschappelijk Secretariaat van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren, alsmede door R. Boonstra, werkzaam bij de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten, gevestigd te Zeist.

2. De vaststaande feiten

2.1 Het berechtingsrapport

Het berechtingsrapport, op 26 april 2001 opgemaakt door D, controleur van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten, heeft, voorzover hier van belang de volgende inhoud:

" Op 25 januari 2001, omstreks 10.15 uur bevond ik, relatant D, mij op een perceel gelegen aan de E-weg te B. Aldaar is het vleeskuikenbedrijf van A gevestigd, geregistreerd bij het Productschap voor Pluimvee en Eieren onder nummer X, zijnde een vleeskuikenbedrijf als bedoeld in artikel 1 onder aanhef 15 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999.

Ik bevond mij aldaar ter controle op de voorschriften van de "Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999" en het "Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven 1999".

Uit beschikbare informatie is het mij, relatant, bekend dat er op bedoeld vleeskuikenbedrijf onder meer op 14 januari 2000, 17 maart 2000, 19 mei 2000, 20 juli 2000, 21 + 22 september 2000 en 24 november 2000 respectievelijk 110.000, 126.800, 109.650, 100.000, circa 132.680 en 126.300 stuks vleeskuikens zijn opgezet.

Op tijd en plaats voornoemd sprak ik aldaar met een persoon aan wie ik mij in mijn functie bekend maakte en die ik met het doel van mijn komst in kennis stelde en die mij verklaarde C te zijn, hierna te noemen betrokkene.

Aan de hand van een door het Productschap voor Pluimvee en Eieren opgestelde checklist controleerde ik voornoemd vleeskuikenbedrijf, waarbij betrokkene mij vergezelde en welke checklist hij voor gezien heeft getekend. Deze checklist is als bijlage I bij dit berechtingsrapport gevoegd.

Tijdens deze controle zag ik op het perceel vijf pluimveestallen en dat op de navolgende wijze niet aan de verplichtingen was voldaan:

- er lagen onder andere pallets en stenen tegen de stallen:

- niet aangetoond kon worden dat 35.000 vleeskuikens die op 24 november 2000 waren opgezet en op 3, 9 en 12 januari 2001 weer waren afgeleverd, bij binnenkomst waren bemonsterd en onderzocht op de aanwezigheid van de schadelijke micro-organismen Salmonella;

- niet aangetoond kon worden dat na de op 18 april 2000, 19 juni 2000 en 23 oktober 2000 geconstateerde Salmonellabesmettingen van de op 17 maart 2000 in hok 1, 19 mei 2000 in hok 1 en 22 september 2000 in hok 1, 2 en 4 opgezette vleeskuikens, na het reinigen en ontsmetten van de stallen en voor de opzet van nieuwe vleeskuikens op 19 mei 2000, 20 juli 2000, 22 september 2000 en 24 november 2000, een onderzoek op de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen in de stallen was uitgevoerd door een erkende instantie;

zijnde verplichtingen zoals voorgeschreven in artikel 2 lid 2 onder b, artikel 4 lid 1 en artikel 6 lid 3 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 jo. artikel 3 en artikel 6 lid 1 van het Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven 1999.

Naar aanleiding van deze bevindingen sprak ik omstreeks 11.45 uur op plaats en datum voornoemd de eerder genoemde C, die mij desgevraagd opgaf te zijn:

Betrokkene: -------------C---------

geboren op datum te B, wonende E-weg, B, pluimveehouder en directeur van A.

Na betrokkene met de bevindingen in kennis gesteld te heben, verklaarde hij op mijn vragen het volgende, zakelijk weergegeven:

" Ik ben als directeur van dit vleeskuikenbedrijf verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken binnen dit bedrijf. Het bedrijf staat bij het Productschap voor Pluimvee en Eieren geregistreerd onder nummer X.

Voor wat betreft de door u geconstateerde bevindingen kan ik u het navolgende mededelen.

Ik doe mijn best. Ik betaal heffing aan de firma F en aan de firma G. Zij hebben naar mijn idee verder de verantwoordelijkheid voor wat betreft de onderzoeken. U kunt dit bij de firma F navragen. In principe zijn de kuikens van de firma F, want ik zit op vergoedingsbasis.

Verder heb ik u niets te verklaren."

Ik heb betrokkene medegedeeld dat tegen hem en de door hem vertegenwoordigd,

Betrokkene: ---------------A----------

Een berechtigsrapport ten behoeve van het Tuchtgerecht van het Productschap voor Pluimvee en Eieren, kamer primaire sector, zal worden opgemaakt.

Naar aanleiding van vorenstaande bevindingen heb ik, relatant D, op 29 januari 2001 omstreeks 18.00 uur, telefonisch contact gehad met de heer H, die mij desgevraagd opgaf te zijn:

Getuige: H-------------

Geboren op datum te I, wonende J, K, integratiemanager bij de firma F.

Na de getuige met de bevindingen in kennis gesteld te hebben, verklaarde hij op mijn vragen het volgende, zakelijk weergegeven:

" Ik ben integratiemanager bij de firma F. Voor wat betreft de door u geconstateerde bevindingen, kan ik u mededelen dat de vleeskuikens eigendom zijn van C. Alle onderzoeken worden verricht door C.C.L. Alle onderzoekskosten worden verrekend met de slachtopbrengsten.

Verder heb ik u niets te verklaren."

Als bijlage III is bij dit berechtingsapport gevoegd een nagezonden laboratoriumrapport van C.C.L. met betrekking tot het hyiëneonderzoek en het swabonderzoek d.d. 18 januari 2001.

Op 20 januari 2000 is eveneens een inspectie uitgevoerd door een inspecteur van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten in het kader van de "Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij". Tijdens deze inspectie is betrokkene eveneens gewezen op een tekortkoming met betrekking tot het swabonderzoek."

3. De bestreden tuchtbeschikking

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft het Tuchtgerecht onder meer als volgt overwogen en beslist:

" Vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene:

§ op 25 januari 2001 pallets en stenen tegen de stallen lagen. Dit betekent dat het bepaalde in 2, tweede lid, onder b van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 is overtreden;

§ de 35.000 vleeskuikens die op 24 november 2000 zijn opgezet en die op 3, 9 en 12 januari 2001 weer zijn afgeleverd, bij binnenkomst niet zijn bemonsterd en niet zijn onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 4, eerste en zevende lid en artikel 9 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 juncto artikel 3 en gelet op Bijlage I van het Hygiënebesluit vleeskuikensbedrijven 1999 is overtreden;

§ na de 18 april 2000, 19 juni 2000 en 23 oktober 2000 geconstateerde Salmonellabesmettingen van de op 17 maart 2000 in stal één, op 19 mei 2000 in stal één en op 22 september 2000 in stal één, twee en vier opgezette vleeskuikens en na het reinigen en ontsmetten van de betrokken stallen, geen onderzoek op de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen Salmonella is uitgevoerd door een erkende instantie. Vervolgens zijn op respectievelijk 19 mei 2000, 20 juli 2000, 22 september 2000 en 24 november 2000 nieuwe kuikens opgezet. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 6, derde lid en artikel 9 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 juncto artikel 6, eerste lid van het Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven 1999 is overtreden.

Dit zijn alle strafbare feiten.

Het tuchtgerecht overweegt dat betrokkene een vleeskuikenbedrijf uitoefent dat is geregistreerd bij het Produktschap Pluimvee en Eieren onder nummer X. Betrokkene oefent op dit bedrijf de dagelijks gang van zaken uit. Dat betrokkene mogelijkerwijs -blijkens de in het berechtingsrapport opgenomen verklaring- met derden is overeengekomen om voor het houden van vleeskuikens een bepaalde vergoeding te ontvangen, doet naar het oordeel van het tuchtgerecht niet af aan het feit dat betrokkene, als ondernemer die het vleeskuikenbedrijf uitoefent, verantwoordelijk is voor de naleving van de geldende hygiëne- en bemonsteringsvoorschriften ten aanzien van vleeskuikens die op zijn bedrijf worden gehouden. Het tuchtgerecht merkt naar aanleiding van de verklaring van betrokkene zijn best te doen op, dat betrokkene de bedrijfsvoering zodanig dient in te richten dat de van toepassing zijnde voorschriften worden nageleefd. Niet in de laatste plaats geldt dit voor een bedrijf met de omvang van het bedrijf als dat van betrokkene.

Het tuchtgerecht is van oordeel dat sprake is van een zeer ernstige situatie als een bedrijf als dat van betrokkene waar veelvuldig sprake is van Salmonellabesmettingen, zich niet zeer strikt houdt aan de geldende regelgeving ten aanzien van de bemonstering en het onderzoek naar Salmonella bij binnenkomst van de kuikens en ten aanzien van het swabonderzoek. Indien een bedrijf op een dergelijke wijze opereert bengt dit een zeer groot risico voor de volksgezondheid met zich. Het tuchtgerecht is van oordeel dat bij overtreding van deze regelgeving sprake is van ernstige overtredingen. Een en ander klemt des te meer nu betrokkene er bij de op 20 januari 2000 gehouden inspectie eveneens op is gewezen dat de voorschriften ten aanzien van het zogenaamde swabonderzoek niet op de juiste wijze worden nageleefd. Door een dergelijke handelswijze heeft betrokkene het imago van de sector geschaad.

Het tuchtgerecht is voorts van oordeel dat de overtreding ten aanzien van het opruimen van het perceel waarop het bedrijf wordt uitgeoefent niet is aan te merken als een ernstige overtreding, maar wel als een meer dan lichte overtreding.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, kamer primaire sector, dat aan A - gelet op artikel 10, derde lid van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 - de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd: Een geldboete van fl. 7.000,- waarvan fl. 3.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het voorwaardelijk deel van de tuchtrechtelijke maatregel wordt ten uitvoer gelegd, indien na het onherroepelijk worden van deze beschikking niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat binnen de proeftijd niet één van de bepalingen van het bij of krachtens het bepaalde in de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 dan wel enige verordening houdende bepalingen omtrent hygiënevoorschriften met betrekking tot de pluimveehouderij mag worden overtreden.

Het tuchtgerecht heeft bij het opleggen van de tuchtrechtelijke maatregel rekening gehouden met de omvang van het vleeskuikenbedrijf van betrokkene, alsmede met het feit dat betrokkene eerder is gewaarschuwd door een daartoe bevoegde inspecteur dat de voorschriften ten aanzien van het laten uitvoeren van het zogenaamde swab-onderzoek niet op de juiste wijze worden nageleefd."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Naar aanleiding van de constatering dat een aantal pallets en stenen tegen stallen lagen, meldt appellante dat het bedrijfsterrein inmiddels netjes is opgeruimd.

Naar aanleiding van de constatering in het berechtingsrapport dat niet kan worden aangetoond dat de 35.000 vleeskuikens die op 24 november 2000 zijn opgezet, bij binnenkomst zijn bemonsterd en onderzocht op de aanwezigheid van de schadelijke micro-organismen Salmonella heeft navraag bij het onderzoeksbureau CCL dat de bemonstering en onderzoeken verzorgt, opgeleverd dat de uitslagen van de inlegvellen alsnog kunnen worden aangeleverd.

Voorts zijn in 2000 drie hygiëneonderzoeken uitgevoerd. Deze geven steeds een negatieve uitslag op de CASA Swab-testen. Indien te weinig uitslagen voorhanden zijn is dit te wijten aan het onderzoeksbureau CCL. Afgesproken is dat CCL alle onderzoeken die noodzakelijk zijn binnen de bedrijven in het integratieverband met slachter Goossens voor haar rekening neemt. Per dier wordt hiervoor een heffing voldaan. Op grond hiervan heeft CCL de zorgplicht voor het uitvoeren van de noodzakelijke onderzoeken overgenomen.

Het bedrijf is in het jaar 2001 geheel vrij geweest van Salmonella.

Appellante verzoekt de opgelegde tuchtrechtelijke maatregel ongedaan te maken en haar vrij te spreken. Subsidiair verzoek appellante de opgelegde boete te matigen.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt vast dat appellante overtreding van artikel 2, tweede lid, onder b, van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 niet heeft bestreden. Gezien het dienaangaande gestelde in het berechtingsrapport is overtreding van genoemde bepaling derhalve bewezen.

Met betrekking tot het verwijt dat de 35.000 vleeskuikens die op 24 november 2000 zijn opgezet en die op 3, 9 en 12 januari 2001 weer zijn afgeleverd, bij binnenkomst niet zijn bemonsterd en niet zijn onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella, stelt het College vast dat uit het door appellante bij het beroepschrift overgelegde laboratorium rapport d.d. 30 november 2000 blijkt dat door CCL op 24 november 2000 genomen monsters op Salmonella zijn onderzocht. Derhalve is niet komen vast te staan dat de verplichting ingevolge artikel 9 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 in samenhang met artikel 3 van het Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven 1999 is overtreden. In de bestreden tuchtbeschikking is dit ten onrechte bewezen verklaard zodat deze tuchtbeschikking niet in stand kan blijven.

Wat betreft de derde overtreding die door het tuchtgerecht is vastgesteld heeft appellante aangevoerd dat op 10 maart 2000 monsters zijn genomen in stal 1, stal 2 en stal 3, op 13 september 2000 in stal 1, stal 2, stal 3, stal 4 en stal 5 en op 16 november 2000 in stal 3 en stal 5. Dit betekent dat na de op 18 april 2000 geconstateerde Salmonellabesmetting en voor de opzet van vleeskuikens geen onderzoek is uitgevoerd op de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen Salmonella door een erkende instantie. Hetzelfde geldt na de op 19 juni 2000 geconstateerde Salmonellabesmetting en de opzet van vleeskuikens op 20 juli 2000 en op 22 september alsmede de op 23 oktober 2000 geconstateerde Salmonellabesmetting en de opzet van vleeskuikens op 24 november 2000 in stal 1, stal 2 en stal 4. Hiermee is komen vast te staan dat artikel 6, lid 3 en artikel 9 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 in samenhang met artikel 6, eerste lid van het Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven 1999 is overtreden. Derhalve is ook de derde aan appellante verweten overtreding bewezen.

Het betoog van appellante dat is afgesproken dat CCL alle onderzoeken die noodzakelijk zijn voor haar rekening neemt en dat zij hierdoor de zorgplicht voor het uitvoeren van de noodzakelijke onderzoeken van appellante heeft overgenomen, doet niet af aan de verantwoordelijkheid van appellante voor correcte naleving van de in casu aan de orde zijnde verplichtingen zodat dit verweer moet worden verworpen. De Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 legt deze verplichtingen op aan de ondernemer, dat wil zeggen een natuurlijk persoon of rechtspersoon, die een pluimveebedrijf of kuikenbedrijf uitoefent, ongeacht of de ondernemer zelf deze verplichtingen nakomt dan wel een derde hiermee belast.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond, het tuchtgerecht heeft niet in redelijkheid tot de opgelegde maatregel kunnen komen. De bestreden tuchtbeschikking dient te worden vernietigd. Gezien het vorenstaande kan het College de zaak zelf afdoen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen verklaart het College bewezen overtreding van artikel 2, lid 2, onder b, van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 doordat op 25 januari 2002 pallets en stenen tegen de stallen van appellante lagen. Het College verklaart verder bewezen overtreding van artikel 6, lid 3 en artikel 9 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 in samenhang met artikel 6, eerste lid van het Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven 1999 doordat na de 18 april 2000, 19 juni 2000 en 23 oktober 2000 geconstateerde Salmonellabesmettingen van de op 17 maart 2000 in stal 1, op 19 mei 2000 in stal 1 en op 22 september 2000 in stal 1, stal 2 en stal 4 opgezette vleeskuikens en na het reinigen en ontsmetten van de betrokken stallen, geen onderzoek op de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen Salmonella is uitgevoerd door een erkende instantie terwijl op respectievelijk 19 mei 2000, 20 juli 2000, 22 september 2000 en 24 november 2000 nieuwe kuikens zijn opgezet.

Gelet enerzijds op de ernst van de bewezen overtredingen, daarbij in aanmerking nemende dat het belang van de volksgezondheid in het geding is, de omstandigheid dat in het bedrijf van appellante veelvuldig sprake is geweest van Salmonellabesmetting, dat appellante reeds eerder is gewaarschuwd dat de voorschriften ten aanzien van het swab-onderzoek niet op de juiste wijze werden aangevoerd en voorts de omvang van het bedrijf en anderzijds dat appellante meende te kunnen vertrouwen op de diensten van CCL, dat het achterwege blijven van een onderzoek op zich niet leidt tot lagere kosten voor appellante en voorts de omstandigheid dat in 2001 geen nieuwe Salmonellabesmetting is geconstateerd en voorts in aanmerking nemende dat de overtreding van artikel 2, lid 2, onder b, van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 geen ernstige maar wel een meer dan lichte overtreding is acht het College een geldboete van € 1800, waarvan € 900 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar ingaande de dag na het wijzen van deze beslissing passend en evenredig. Hierbij bepaalt het College dat het voorwaardelijk deel van deze tuchtrechtelijke maatregel ten uitvoer wordt gelegd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat appellante binnen de proeftijd niet één van de bepalingen van het bij of krachtens het bepaalde in de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 dan wel enige verordening houdende bepalingen omtrent hygiënevoorschriften met betrekking tot de pluimveehouderij niet zal overtreden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeschikking;

- verklaart bewezen overtreding van § artikel 2, lid 2, onder b, van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij

1999;

§ artikel 6, lid 3 en artikel 9 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 in samenhang met artikel 6,

eerste lid van het Hygiënebesluit vleeskuikenbedrijven 1999;

- veroordeelt appellante tot een geldboete van € 1800, waarvan € 900 op de voorwaarde dat appellante binnen de proeftijd van

twee jaar ingaande de dag na het wijzen van deze beslissing niet één van de bepalingen van het bij of krachtens het

bepaalde in de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 dan wel enige verordening houdende bepalingen

omtrent hygiënevoorschriften met betrekking tot de pluimveehouderij zal overtreden.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, mr M.A. Fierstra en mr B. Hessel in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 september 2002.

w.g. J.A. Hagen w.g. I.K. Rapmund