Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE9948

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-09-2002
Datum publicatie
06-11-2002
Zaaknummer
AWB 01/484
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/484 19 september 2002

20311 Tuchtgerecht Pluimvee en Eieren

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A. & B & C, te D, appellante van een tuchtbeschikking van het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, kamer primaire sector (hierna: Tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij beschikking met kenmerk TPE 58/2001 d.d. 1 juni 2001 heeft het Tuchtgerecht aan appellante een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd.

Op 26 juni 2001 heeft het College van appellante een tegen de tuchtbeschikking gericht beroepschrift ontvangen.

De secretaris van het Tuchtgerecht heeft bij brief d.d. 11 juli 2001 de stukken doen toekomen aan het College.

Het College heeft de zaak behandeld ter openbare terechtzitting van 27 juni 2002. Appellante heeft zich doen vertegenwoordigen door A en B. Ter zitting zijn inlichtingen verstrekt door mr R.B.R. Henke, werkzaam bij het Gemeenschappelijk Secretariaat van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren, alsmede door R. Boonstra, werkzaam bij de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten, gevestigd te Zeist.

2. De vaststaande feiten

2.1 Het berechtingsrapport

Het berechtingsrapport, op 17 januari 2001 opgemaakt door E, controleur van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten, heeft, voor zover hier van belang de volgende inhoud:

" Op 19 september 2000 omstreeks 10.30 uur, bevond ik, relatant E, mij op een perceel gelegen aan de F te G. Aldaar is het opfokleghennenbedrijf van Maatschap A & B & C gevestigd, geregistreerd bij het Productschap voor Pluimvee en Eieren onder nummer X, zijnde een opfokleghennenbedrijf als bedoeld in artikel 1 aanhef onder 17 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999.

Ik bevond mij aldaar ter controle op de voorschriften van de "Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1997", het "Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1997", de "Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999" en het "Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1999".

Uit beschikbare informatie is het mij, relatant, bekend dat er op bedoeld opfokleghennenbedrijf onder meer op 29 mei 1999, 3 juni 1999, 13 augustus 1999, 22 oktober 1999, 28 oktober 1999, 17 maart 2000, 24 maart 2000, 26 juli 2000, 28 juli 2000, 1 augustus 2000, 8 augustus 2000 en 10 augustus 2000 respectievelijk 40.500, 60.000, 32.750, 39.900, 46.035, 73.600, 59.345, 40.453, 1.880, 4.850, 46.245 en 30.300 stuks eendagskuikens zijn opgezet. Op 29 april 1999 en 29 december 1999 zijn respectievelijk 28.000 en 20.550 stuks opfokleghennen opgezet.

Op tijd en plaats voornoemd sprak ik aldaar met een persoon, aan wie ik mij in mijn functie bekend maakte en die ik met het doel van mijn komst in kennis stelde en die mij verklaarde H te zijn, hierna te noemen getuige, bedrijfsleider op het opfokleghennenbedrijf van Maatschap A & B & C.

Aan de hand van een door het Productschap voor Pluimvee en Eieren opgestelde checklist controleerde ik voornoemd opfokleghennenbedrijf, waarbij getuige mij vergezelde.

Tijdens deze controle zag ik op het perceel drie pluimveestallen.

Tijdens deze controle zag ik dat op de navolgende wijze niet aan de verplichtingen was voldaan:

- niet aangetoond kon worden dat na het ruimen van de opfokleghennen die op 29 mei 1999 in stal 2 en op 29 december 1999 in stal 1 waren opgezet, de stallen waren ontsmet alvorens er op 22 oktober 1999 in stal 2 en op 17 maart 2000 in stal 1 nieuwe eendagskuikens werden opgezet;

- niet aangetoond kon worden dat na het ruimen van de opfokleghennen die op 29 mei 1999 in stal 2 waren opgezet en inmiddels weer waren afgeleverd, na het reinigen van de stal een hygiëne-onderzoek door een erkende instantie was uitgevoerd voor de opzet van nieuwe eendagskuikens op 22 oktober 1999;

- niet aangetoond kon worden dat na een hygiëne-uitslag van 2,68 op 16 maart 2000 van hok 3 opnieuw was ontsmet voor de opzet van een koppel eendagskuikens op 24 maart 2000;

- niet aangetoond kon worden dat de eendagskuikens die op 28 oktober 1999 in stal 3 en op 26 juli 2000, 28 juli 2000 en 1 augustus 2000 in stal 2 waren opgezet en inmiddels weer afgeleverd, waren bemonsterd en onderzocht op Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium 14 dagen voor aflevering;

- uit de administratie bleek dat de eendagskuikens die op 28 oktober 1999 in stal 3 en op 26 juli 2000, 28 juli 2000 en 1 augustus 2000 in stal 2 waren opgezet en respectievelijk op 2 december 1999 en 12 september 2000 waren afgeleverd, niet tijdig waren bemonsterd en onderzocht op Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium. De leghennen waren respectievelijk op 11 januari 2000 en 11 september 2000 onderzocht en op respectievelijk 2 december 1999 en 12 september 2000 afgeleverd. De uitslag van het onderzoek van 11 september 2000 was tijdens de inspectie op 19 september 2000 nog niet bekend;

- niet aangetoond kon worden dat de eendagskuikens die op 17 maart 2000 in stal 1 en 2 waren opgezet en inmiddels weer waren afgeleverd, waren bemonsterd en onderzocht op de aanwezigheid van de schadelijke micro-organismen Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium 14 dagen voor aflevering;

- uit de administratie bleek dat de eendagskuikens die op 3 juni 1999 in stal 3 waren opgezet en op 15 juli 1999 waren afgeleverd, niet tijdig waren bemonsterd en onderzocht op Salmonella. De leghennen zijn op 13 september 2000 onderzocht en op 15 juli 1999, 16 augustus 1999, 27 september 1999 en 29 september 1999 afgeleverd;

zijnde verplichtingen zoals voorgeschreven in artikel 3 lid 1 en 2 en artikel 4 lid 5 en 8 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1997 juncto artikel 3 lid 1 en 2 van het Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1997, alsmede artikel 3 lid 3, artikel 4 lid 4 en 7 en artikel 9 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 jo. artikel 3 lid 2 en artikel 4 lid 1 en 2 van het Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1999.

Als bijlage I is een "uitslagen overzicht bemonsteringen in kader van "plan van aanpak" legsector" gevoegd.

Op plaats en datum voornoemd sprak ik omstreeks 13.00 uur eerder genoemde getuige, die mij desgevraagd opgaf te zijn:

Getuige - - - - - - - - - - - - - - - - - H - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

geboren op datum te K, wonende de F, G, bedrijfsleider bij Maatschap A & B & C.

Na getuige met de bevindingen in kennis gesteld te hebben, verklaarde hij mij op mijn vragen het volgende, zakelijk weergegeven:

"Ik ben bedrijfsleider op het opfokleghennenbedrijf van Maatschap A & B & C. Deze functie vervul ik vanaf maart 2000.

Wij fokken de hennen op voor I's Broederij. Maatschap A & B & C krijgt een vergoeding per opgefokte hen. I's Broederij bepaalt het hele proces van opzetten en afleveren van de hennen. Hierin hebben wij geen zeggenschap. Ook het bloedtappen regelt I's Broederij. Wij moeten naast het verzorgen van de hennen, zelf zorgen dat de stallen gereinigd en ontsmet worden en dat de hygiëne- en wateronderzoeken uitgevoerd worden. Voor de volledigheid deel ik u mede, dat iedere keer als ik de term "wij" gebruik, ik de heer A en mijzelf bedoel.

Voor wat betreft het niet ontsmetten van stal 2 voor de opzet van eendagskuikens op 22 oktober 1999 kan ik u mededelen, dat wij te laat wisten dat er weer kuikens opgezet zouden worden in stal 2 en 3. We waren op dat moment net die stallen aan het reinigen. Voor stal 2 was er te weinig tijd om te ontsmetten, want op 20 oktober 1999 gingen de laatste hennen weg en op 22 oktober 1999 kwamen de nieuwe kuikens. Voor stal 3 was die tijd er wel, omdat die kuikens een week later kwamen.

Stal 1 is niet ontsmet maar wel gereinigd voor de opzet van eendagskuikens op 17 maart 2000. Dit kwam omdat wij geen tijd hadden om èn schoon te maken èn te ontsmetten. Op 14 maart 2000 gingen de laatste hennen weg en op 17 maart 2000 kwamen de nieuwe kuikens. Het gas van het ontsmetten kan in die tijd nooit wegtrekken.

Voor de opzet van eendagskuikens op 22 oktober 1999 in stal 2 en op 17 maart 2000 in stal 1 is geen hygiëne-onderzoek uitgevoerd, omdat als er niet ontsmet is, het uitvoeren van een hygiëne-onderzoek geen zin heeft.

Na de uitslag van het hygiëne-onderzoek van 16 maart 2000, waarvan de uitslag hoger was dan 1,5 in stal 3, hebben wij niet opnieuw ontsmet. Daar was namelijk geen tijd meer voor, omdat de kuikens al weer in de stal zaten voordat de uitslag bekend was. De eerstvolgende uitslag was wel weer goed, namelijk 0,95.

Voor wat betreft het ontbreken van de uitslag van het Salmonella-onderzoek van de koppels hennen die op 17 maart 2000 in stal 1 en 2 waren opgezet kan ik u het volgende mededelen. Ik ben er zeker van dat er bloed getapt is voor het Salmonella-onderzoek. De uitslag is echter niet aanwezig, ook niet bij de Gezondheidsdienst. We hebben toen van de hennen van alle stallen tegelijk bloed getapt. Alleen van stal 3 is de uitslag aanwezig.

Dat er vier keer niet voor ieder koppel dat afgeleverd is een bloedonderzoek is verricht, komt omdat het bij ons niet bekend was dat voor het gedeeltelijk afleveren (uitladen) van hennen ook bloed getapt dient te worden. Indien wij dit geweten hadden, dan hadden wij I"s Broederij daar op kunnen wijzen.

Van de eendagskuikens die op 8 augustus 2000 in stal 3 zijn opgezet, is op 11 september 2000 bloed getapt. De hennen zijn vervolgens op 15 september 2000 afgeleverd. Op dat moment had de uitslag bekend moeten/kunnen zijn, maar dit was niet het geval, tot op heden (19 september 2000) is de uitslag nog niet bekend.

Dat er niet genoeg bloedmonsters zijn genomen c.q. te kleine steekproeven (met betrekking tot het bloedonderzoek) zijn gehouden, komt omdat de opfokbegeleider van I's Broederij de bloedonderzoeken uitvoert. Daarbij is niet iedere keer de juiste steekproef aangehouden. Wij wisten niet dat er eisen zitten aan het aantal bloed monsters dat genomen moet worden. Hadden wij dit geweten, dan hadden wij dit tegen de opfokbegeleider gezegd.

Verder heb ik u niets te verklaren."

Op 29 september 2000 omstreeks 10.00 uur bevond ik, relatant E, mij op het perceel gelegen aan de J-weg te D, alwaar Maatschap A & B & C gevestigd is. Aldaar sprak ik met een persoon, hierna te noemen betrokkene, die ik van het doel van mijn komst in kennis stelde en die mij desgevraagd opgaf te zijn:

Betrokkene- - - - - - - - - - - - - - - - - A - - - - - - - - - - - - - -

geboren op datum te L, wonende J-weg, D.

Nadat ik betrokkene met de door mij geconstateerde bevindingen in kennis had gesteld, verklaarde hij mij op mijn vragen het volgende, zakelijk weergegeven:

"Als medeverantwoordelijke ben ik op de hoogte van de algemene gang van zaken op het bedrijf in G. De dagelijkse leiding is in handen van H in samenwerking met I's Broederij. Ik kan mij vinden in de verklaring zoals H die afgegeven heeft, met daarbij de navolgende aanvulling.

Wij fokken de hennen op voor I's Broederij. Wij krijgen van I's Broederij een vergoeding per opgefokte en afgeleverde hen. I's Broederij regelt alles, voorzover dat redelijk is. Dat betreft het bloedtappen, opzetten en (tussentijds) afleveren van hennen. Wij weten vaak niet precies wanneer er tussentijds hennen afgeleverd worden. Dat regelt I's Broederij. Het is mij bekend, dat als er afwijkingen zijn in de planning dat wij dan de verplichtingen met betrekking tot het ontsmetten en bemonsteren af en toe niet na kunnen komen vanwege tijdnood.

Als bijvoorbeeld een pluimveehouder zijn hennen niet kwijt kan aan de slachterij en daarom de nieuwe hennen niet kan ontvangen, blijven de hennen langer bij de opfokker. De opfokker komt dan in tijdnood, omdat de nieuwe hennen alweer gepland zijn; de eieren zijn al ingelegd in de broederij. Normaal is tussen de ronden drie weken leegstand gepland.

Verder heb ik u niets te verklaren."

Ik heb betrokkene medegedeeld dat tegen hem en door hem vertegenwoordigd,

Betrokkene MAATSCHAP A & B & C

een berechtingsrapport ten behoeve van het Tuchtgerecht van het Productschap voor Pluimvee en Eieren, kamer primaire sector, zal worden opgemaakt.

Op 17 juni 1998 en 14 juli 1999 hebben eveneens inspecties door een inspecteur van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiprodukten plaatsgevonden in het kader van de "Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1997". Tijdens de inspectie d.d. 14 juli 1999 is betrokkene eveneens gewezen op tekortkomingen met betrekking tot het niet laten uitvoeren van een hygiëne-onderzoek en met betrekking tot het niet laten onderzoeken van elk koppel pluimvee op de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen."

3. De bestreden tuchtbeschikking

Bij de bestreden tuchtbeschikking heeft het Tuchtgerecht onder meer als volgt overwogen en beslist (nummeringen van de vaststellingen door het College):

" Vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene, dat geregistreerd is bij het Produktschap Pluimvee en Eieren onder nummer X:

1. na het ruimen van de opfokleghennen die op 29 mei 1999 in stal twee zijn opgezet, de betrokken stal niet is ontsmet, alvorens op 22 oktober 1999 in stal twee nieuwe eendagskuikens zijn opgezet. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 3, eerste lid van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1997 is overtreden; ...

2. na het ruimen van de opfokleghennen die op 29 december 1999 in stal één zijn opgezet, de betrokken stal niet is ontsmet, alvorens op 17 maart 2000 in stal één nieuwe eendagskuikens zijn opgezet. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 3, eerste en tweede lid van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 is overtreden;

3. na het ruimen van de opfokleghennen die op 29 mei 1999 in stal twee zijn opgezet en die inmiddels weer zijn afgeleverd en na het reinigen van de betrokken stal, geen hygiëne-onderzoek is uitgevoerd door een erkende instantie. Vervolgens zijn op 22 oktober 1999 nieuwe eendagskuikens opgezet. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 3, tweede lid van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1997 is overtreden;

4. na een hygiëne-uitslag van 2,68 op 16 maart 2000 van hok drie niet opnieuw is ontsmet, alvorens een nieuw koppel eendagskuikens op 24 maart 2000 is opgezet. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 3, derde lid van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 juncto artikel 3, tweede lid van het Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1999 is overtreden;

5. de eendagskuikens die op 28 oktober 1999 in stal drie zijn opgezet en die op 2 december 1999 zijn afgeleverd en de eendagskuikens die op 3 juni 1999 in stal drie zijn opgezet en die op 15 juli 1999 zijn afgeleverd, niet zijn bemonsterd en maximaal veertien dagen voor de overplaatsing zijn onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 4, vijfde, zevende en achtste lid en artikel 9 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1997 juncto artikel 3, eerste en tweede lid van het Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1997 is overtreden;

6. de eendagskuikens die op 28 oktober 1999 in stal drie zijn opgezet en die op 24 februari 2000 en op 25 februari 2000 zijn afgeleverd, niet maximaal veertien dagen voor de overplaatsing zijn onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 4, vijfde, zevende en achtste lid en artikel 9 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1997 juncto artikel 3, eerste en tweede lid van het Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1997 is overtreden;

7. betrokkene heeft het naar het oordeel van het tuchtgerecht, gelet op de wijze van bedrijfsvoering, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de eendagskuikens die op 17 maart 2000 in stal één en twee zijn opgezet en die inmiddels zijn afgeleverd, zijn bemonsterd en maximaal veertien dagen voor de overplaatsing zijn onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 4, vierde, zesde, zevende en negende lid en artikel 9 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 juncto artikel 4, eerste en tweede lid van het Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1999 is overtreden.

Dit zijn alle strafbare feiten.

Het tuchtgerecht constateert voorts dat:

- de eendagskuikens die op 28 oktober 1999 in stal drie zijn opgezet en die op 19 januari 2000 zijn afgeleverd, zijn bemonsterd en maximaal veertien dagen voor de overplaatsing zijn onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium. Dit brengt het tuchtgerecht ertoe te besluiten tot een vrijspraak voor zover dit de overtreding betreft van de verplichting als genoemd in artikel 4, vijfde, zevende en achtste lid en artikel 9 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1997 juncto artikel 3, eerste en tweede lid van het Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijvcn 1997;

- de eendagskuikens die op 26 juli 2000, 28 juli 2000 en 1 augustus 2000 in stal twee zijn opgezet en die op 12 september 2000 zijn afgeleverd, zijn bemonsterd en maximaal veertien dagen voor de overplaatsing zijn onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium. Dit brengt het tuchtgerecht ertoe te besluiten tot een vrijspraak voor zover dit de overtreding betreft van de verplichting als genoemd in artikel 4, vierde, zesde, zevende en negende lid en artikel 9 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 juncto artikel 4, eerste en tweede lid van het Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1999.

Het tuchtgerecht overweegt dat betrokkene een opfokleghennenbedrijf uitoefent door zich toe te leggen op het opfokken van leghennen tot het stadium waarop zij consumptie-eieren produceren. Betrokkene oefent de dagelijkse gang van zaken uit op het bedrijf, zoals het verzorgen van het pluimvee, en werkt daarbij nauw samen met I's Broederij. Betrokkene is als opfokleghennenbedrijf geregistreerd bij het Produktschap voor Pluimvee en Eieren onder nummer X. Betrokkene is naar het oordeel van het tuchtgerecht verantwoordelijk voor de naleving van de betrokken voorschriften.

Het tuchtgerecht is van oordeel dat bij overtredingen van de regelgeving ten aanzien van het ontsmetten, ten aanzien van het laten uitvoeren van het hygiëne-onderzoek, ten aanzien van het opnieuw ontsmetten na een hygiëne-uitslag van 2,68 en ten aanzien van het niet dan wel niet tijdig bemonsteren en onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium, gelet op het belang van de volksgezondheid, sprake is van ernstige overtredingen. Een opfokleghennenbedrijf heeft een distribuerende rol meer aan het begin van de keten en draagt daardoor een grote verantwoordelijkheid voor het zorgvuldig toepassen van de geldende voorschriften. Indien een dergelijk bedrijf de betrokken regelgeving niet zeer nauwkeurig toepast betekent dit dat een groot risico bestaat op verspreiding van besmetting van pluimvee met Salmonella.

Het tuchtgerecht constateert dat sprake is van een zeer ernstige situatie in die zin dat door betrokkene een wel zeer groot aantal keren de geldende voorschriften wordt overtreden. Het tuchtgerecht is naar aanleiding van de verklaring van betrokkene door tijdgebrek in de problemen te zijn gekomen met de uitvoering van een aantal voorschriften - zoals de bepalingen ten aanzien van het ontsmetten - van oordeel dat betrokkene de bedrijfsvoering zodanig behoort in te richten dat de van toepassing zijnde voorschriften worden nageleefd. Niet in de laatste plaats geldt dit naar het oordeel van het tuchtgerecht voor bedrijven met de omvang van het bedrijf van betrokkene. Betrokkene had naar het oordeel van het tuchtgerecht ook pas na het uitvoeren van de op grond van de regelgeving geldende verplichting opfokleghennen dienen te accepteren. Het tuchtgerecht is van oordeel dat betrokkene op een zeer nonchalante wijze omgaat met de geldende regelgeving en is daarnaast van oordeel dat I's Broederij kennelijk op volstrekt onvoldoende wijze rekening wenst te houden met de door betrokkene op basis van de op hem van toepassing zijnde regelgeving uit te voeren verplichtingen. Een dergelijke wijze van bedrijfsvoering brengt een zeer groot gevaar voor de volksgezondheid met zich.

Het tuchtgerecht stelt uitdrukkelijk dat betrokkene, als ondernemer die een opfokleghennenbedrijf uitoefent, verantwoordelijk is voor de naleving van alle betrokken voorschriften, ook die ten aanzien van de bemonstering en onderzoek op Salmonella. Het tuchtgerecht wijst betrokkene erop dat in de toekomst een en ander op andere wijze dient te worden afgestemd met I's Broederij.

Het tuchtgerecht is van oordeel dat een en ander in de situatie van betrokkene des te meer klemt, nu betrokkene er bij de inspectie van 14 juli 1999 eveneens op is gewezen dat de voorschriften ten aanzien van het laten uitvoeren van het hygiëne-onderzoek en ten aanzien van het laten uitvoeren van het onderzoek op de aanwezigheid van schadelijke micro-organismen niet op de juiste wijze worden nageleefd. Het tuchtgerecht is van oordeel dat betrokkene door een dergelijke handelswijze het imago van de sector in zeer ernstige mate schaadt, mede gelet op de bijzondere verantwoordelijkheid die een opfokleghennenbedrijf draagt ten aanzien van de precieze naleving van de betrokken voorschriften en de daaraan verbonden risico's voor de volksgezondheid indien deze precieze naleving wordt nagelaten.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, kamer primaire sector, dat aan Maatschap A & B & C - gelet op artikel 10a van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1997 en artikel 10, derde lid van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 - de volgende tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd: Een geldboete van fl. 10.000,-.

Het tuchtgerecht heeft bij het opleggen van de tuchtrechtelijke maatregel rekening gehouden met de omvang van het opfokleghennenbedrijf van betrokkene, met het feit dat betrokkene eerder is gewaarschuwd door een daartoe bevoegde inspecteur dat een aantal van geldende voorschriften niet op de juiste wijze worden nageleefd alsmede met de noodzaak om de situatie op het bedrijf van betrokkene in overeenstemming te brengen met de op grond van de van toepassing zijnde regelgeving geldende voorschriften."

4. Het standpunt van appellante

Dit wordt bij de beoordeling in rubriek 5 samengevat weergegeven.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt vast dat het beroepschrift niet bij het College is binnengekomen binnen de door artikel 18 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: de Wet) genoemde termijn van veertien dagen na verzending van de brief van het tuchtgerecht van 1 juni 2001 waarbij de tuchtbeschikking aan appellante is toegezonden. Hoewel in de Wet niet is voorzien in de mogelijkheid bij overschrijding van de termijn niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten, is het College van oordeel dat in het onderhavige geval zodanige bijzondere omstandigheden aanwezig zijn dat appellante in haar beroep kan worden ontvangen. Het College overweegt daartoe dat in de hiervoor genoemde brief van 1 juni 2001 slechts melding wordt gemaakt van de mogelijkheid bij het College beroep in te stellen, zonder dat het adres van het College daarin wordt genoemd. Voorts is komen vast te staan dat appellante het beroepschrift wel binnen veertien dagen na 1 juni 2001 bij het tuchtgerecht zelve heeft ingediend. Gelet hierop is het College van oordeel dat het appellante niet kan worden toegerekend dat zij niet tijdig het beroep bij de juiste instantie heeft ingesteld.

Tegen de vaststelling van het tuchtgerecht onder 1 heeft appellante geen grieven naar voren gebracht. Ook het College stelt vast dat ter zake sprake is van een strafbaar feit.

Tegen de vaststellingen onder 2, 6 en 7 heeft appellante aangevoerd dat inmiddels de bewijzen zijn gevonden dat de stal is ontsmet respectievelijk dat onderzoeken hebben plaatsgevonden. Ter zitting is gebleken dat dit inderdaad zo is. Appellante dient daarom alsnog te worden vrijgesproken van de betreffende overtredingen.

Met betrekking tot de vaststelling onder 3 heeft appellante toegelicht dat de betreffende zending eendagskuikens onaangekondigd kwam. Naar het oordeel van het College doet dit niet af aan het feit dat appellante een strafbaar feit heeft gepleegd door de stal niet te ontsmetten.

Ten aanzien van de vaststelling onder 4 is ter zitting gebleken dat daarin ten onrechte over hok 3 wordt gesproken. In werkelijkheid heeft op de genoemde datum ten onrechte geen ontsmetting plaatsgevonden van hok 1. Van de overtreding met betrekking tot hok 3 dient appellant derhalve te worden vrijgesproken.

Tenslotte heeft appellante ten aanzien van de vaststelling onder 5 toegelicht dat het haar destijds niet duidelijk was dat de betreffende verplichtingen ook golden voor jonge hennen. Voorts heeft zij gesteld - hetgeen ter zitting van de zijde van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten is erkend - dat zij met ingang van 1 januari 2000 alle hennen bemonstert en onderzoekt.

Het College is van oordeel dat de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1997 en het Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1997 geen beperkingen ten aanzien van leeftijden van te bemonsteren en te onderzoeken hennen kennen. De voorschriften zijn derhalve duidelijk. Ook door het College is derhalve een strafbaar feit vastgesteld.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond; het tuchtgerecht heeft in redelijkheid niet tot de opgelegde maatregel kunnen komen. De bestreden tuchtbeschikking dient te worden vernietigd. Het College kan de zaak zelf afdoen.

Wat betreft de op te leggen maatregel overweegt het College allereerst dat het in grote lijnen de overwegingen van het tuchtgerecht onderschrijft. Nu evenwel ter zitting is gebleken dat appellante van vier van de zeven door het tuchtgerecht strafbaar geachte feiten alsnog moet worden vrijgesproken, terwijl zij haar praktijk ten aanzien van het bemonsteren en onderzoeken van jonge hennen reeds had verbeterd voordat het berechtingsrapport was opgesteld, dient met een lagere geldboete te worden volstaan. Aangezien de overtredingen minder structureel zijn dan door het tuchtgerecht is aangenomen, acht het College het voorts geraden een deel van de boete voorwaardelijk op te leggen.

Alles overwegende acht het College een geldboete van € 2250, waarvan € 1125 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar ingaande de dag na het wijzen van deze beslissing, passend en evenredig. Hierbij bepaalt het College dat het voorwaardelijk deel van deze tuchtrechtelijke maatregel ten uitvoer wordt gelegd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat appellante binnen de proeftijd niet één van de bepalingen van het bij of krachtens het bepaalde in enige verordening houdende bepalingen omtrent hygiënevoorschriften met betrekking tot de pluimveehouderij niet zal overtreden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeschikking;

- verklaart bewezen overtreding van

· artikel 3, eerste lid, van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1997;

· artikel 3, tweede lid, van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1997;

· artikel 4, vijfde, zevende en achtste lid, en artikel 9 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1997 in

samenhang met artikel 3, eerste en tweede lid, van het Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1997;

- veroordeelt appellante tot een geldboete van € 2250, waarvan € 1125 op de voorwaarde dat appellante binnen de proeftijd van

twee jaar ingaande de dag na het wijzen van deze beslissing niet één van de bepalingen van het bij of krachtens het

bepaalde in enige verordening houdende bepalingen omtrent hygiënevoorschriften met betrekking tot de pluimveehouderij

zal overtreden;

- spreekt appellante vrij ten aanzien van de overige in het berechtingsrapport genoemde mogelijke overtredingen.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, mr M.A. Fierstra en mr B. Hessel in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 september 2002.

w.g. J.A. Hagen w.g. I.K. Rapmund