Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE9945

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-09-2002
Datum publicatie
06-11-2002
Zaaknummer
AWB 02/1266
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No. AWB 02/1266 17 september 2002

29010 Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

1. A

2. B, te C, verzoeksters,

gemachtigde: mr D.H.J. Kochx, advocaat te Rotterdam ,

tegen

de burgemeester van 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: Y. Ammerdorffer, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Bij besluit van 14 mei 2002 hebben burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage beslist op het door verzoeksters ingediende bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van verweerder van 29 november 2001.

Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van verzoeksters om een vergunning voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten binnen de inrichting "D", aan het adres X te 's-Gravenhage, afgewezen.

Verzoekers hebben bij brief van 20 juni 2002 bij het College beroep ingesteld tegen bovengenoemd besluit van 14 mei 2002. Bij brief van dezelfde datum hebben verzoekers zich tot het College gewend met het verzoek de voorlopige voorziening te treffen dat het laatstgenoemd besluit wordt geschorst.

Bij besluit van 25 juni 2002 heeft verweerder het besluit van burgemeester en wethouders van 14 mei 2002 ingetrokken en het door verzoeksters ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Bij brief van 23 juli 2002 heeft het College verzoeksters verzocht hun (spoedeisend) belang bij de onderhavige procedure nader toe te lichten.

Bij brief van 29 juli 2002 hebben verzoeksters het College verzocht om uitstel van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening.

Bij brief van 5 augustus 2002 hebben verzoeksters gereageerd op de brief van het College van 23 juli 2002.

De voorzieningenrechter van het College heeft besloten onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zonder zitting uitspraak te doen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet op de kansspelen (hierna: de Wet) luidt sinds 1 november 2000, voorzover hier van belang:

" Artikel 30

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1°. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2°. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

e. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld is in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

(…)

Artikel 30b

1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

(…)

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

c. in niet voor het publiek toegankelijke inrichtingen, waarvoor ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet een vergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf is vereist of waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is bij het Bedrijfschap Horeca.

(…)

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

c. in een inrichting, anders dan onder a of b, bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, indien het houden van een zodanige inrichting krachtens een vergunning van de

burgemeester bij gemeentelijke verordening is toegestaan.

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

b. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend, op twee wordt bepaald.

(…)."

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden:

- Verzoekster sub 1 exploiteert op het adres X te 's-Gravenhage een inrichting onder de naam "D". Verzoeker sub 2 is als bedrijfsleider van genoemde inrichting in dienst van verzoekster sub 1.

- Door middel van een op 2 januari 2001 gedagtekend formulier, door verweerder ingeboekt op 28 maart 2001, heeft verzoekster sub 1. vergunning aangevraagd tot het in haar inrichting (in deze aanvraag aangeduid als "D") aanwezig hebben van twee kansspelautomaten gedurende twaalf maanden per jaar.

- Blijkens een in opdracht van verweerder opgestelde rapportage van 2 mei 2001 betreft de onderhavige inrichting één lokaliteit en staan er binnen de inrichting twee kansspelautomaten opgesteld.

- Bij brief van 29 oktober 2001 heeft verweerder verzoekster sub 1 in kennis gesteld van zijn voornemen om de aanvraag af te wijzen en haar in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze hieromtrent kenbaar te maken.

- Bij brief van 19 november 2001 heeft verzoekster sub 1. verweerder in kennis gesteld van haar standpunt en op 20 november 2001 heeft zij ten kantore van verweerder haar standpunt nader toegelicht.

- Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 29 november 2001, conform zijn bij brief van 29 oktober 2001 kenbaar gemaakte voornemen, de aanvraag afgewezen.

- Tegen dit besluit hebben verzoeksters bij brief van 4 december 2001 bezwaar gemaakt.

- Bij brief van gelijke datum hebben verzoekers zich tot het College gewend met het verzoek de voorlopige voorziening te treffen dat het besluit van 29 november 2001 wordt geschorst.

- Bij brief van 20 december 2001 heeft verweerder het College medegedeeld dat hangende de bezwaarschriftprocedure wordt afgezien van handhavend optreden, waarbij verweerder verzoeksters bij brief van diezelfde datum hiervan eveneens in kennis heeft gesteld.

- Bij brief van 8 januari 2002 hebben verzoeksters het verzoek om voorlopige voorziening van 4 december 2001 ingetrokken.

- Op 11 maart 2002 hebben verzoeksters het bezwaarschrift mondeling toegelicht.

- Bij advies van 15 mei 2002 heeft de Adviescommissie bezwaarschriften verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

- Bij besluit van 14 mei 2002 hebben burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage, conform het advies van de commissie, het bezwaar ongegrond verklaard.

- Bij besluit van 25 juni 2002 heeft verweerder het besluit van 14 mei 2002 ingetrokken, om reden dat dit besluit onbevoegd genomen was, en het bezwaarschrift, conform het advies van de commissie, ongegrond verklaard.

- Bij brief van 5 augustus 2002 hebben verzoeksters, in reactie op de brief van 23 juli 2002, het College een machtiging doen toekomen waar uit valt af te leiden dat B gemachtigd is om namens A op te treden. Voorts wordt in deze brief aangevoerd dat het belang van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat bij het treffen van een voorziening als gevraagd de speelautomaten in de inrichting kunnen blijven staan.

3. Het besluit ten aanzien waarvan om een voorziening wordt gevraagd

In het bij het besluit overgenomen advies van de commissie wordt - onder meer - het navolgende overwogen:

" (…)

Uit de rapportage alsmede uit de brief van reclamante van 19 november 2001 blijkt, dat in de onderhavige recreatie-inrichting diverse activiteiten plaatsvinden. De openingstijden zijn van 07.00 tot 01.00 uur en gebleken is, dat de inrichting in de ochtenduren voornamelijk bezocht wordt voor het nuttigen van niet-alcoholische dranken en in de middag voor het nuttigen van een lunch. Dat de recreatie-inrichting vanaf laat in de middag wordt bezocht door mensen die alcoholhoudende drank willen nuttigen, doet niet af aan het feit, dat gedurende de dag activiteiten plaatsvinden welke te kwalificeren zijn als laagdrempelig. Deze activiteiten trekken immers een publiek dat de inrichting bezoekt voor het nuttigen van alcoholvrije dranken en/of (geringe) etenswaren. Hiermee wordt een breder publiek aangetrokken dan enkel publiek voor wie het gewoon is een inrichting te bezoeken met het doel daar alcoholhoudende drank te gebruiken. Gesteld kan derhalve worden, dat in de onderhavige recreatie-inrichting laagdrempelige activiteiten plaatsvinden die een zelfstandige stroom bezoekers trekken en die tevens in een dusdanige omvang plaatsvinden, dat dit niet meer gezien kan worden als puur ondersteunend aan het hoogdrempelige cafébezoek. Uit het vorenstaande blijkt, dat de onderhavige recreatie-inrichting op goede gronden als laagdrempelig is aangemerkt.

(…)"

4. Het standpunt van verzoekers

In het onderhavig verzoekschrift is door verzoeksters aangevoerd dat de twee kansspelautomaten gemiddeld € 550,-- aan inkomsten genereren, waardoor verzoeksters bij verwijdering van de automaten per direct een groot financieel nadeel lijden. Deze inkomsten zijn eens te meer van belang nu verzoeksters in een vergevorderd stadium zijn met het verkrijgen van een bouwvergunning voor uitbreidingsverbouwingen, waarbij de inkomsten uit de kansspelautomaten een voordeel opleveren voor de financiering van de uitbreiding.

In het verzoekschrift wordt aangevoerd dat het belang van verweerder tot verwijdering van de kansspelautomaten niet opweegt tegen het belang van verzoeksters tot behoud van de kansspelautomaten. Verzoeksters zijn van mening dat verweerder met het besluit ten aanzien waarvan thans om een voorziening wordt gevraagd onvoldoende de belangen van verzoeksters heeft afgewogen.

5. De beoordeling van het verzoek

Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College op verzoek van een belanghebbende een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

De voorzieningenrechter constateert allereerst dat de aanvraag is ingediend door verzoekster sub 1. en dat zij ook de exploitant van de betrokken inrichting is. Verzoeker sub 2. is als bedrijfsleider in dienst van verzoekster sub 1. en heeft dientengevolge slechts een afgeleid belang bij de onderhavige procedure. De omstandigheid dat verzoekster sub 1. verzoeker sub 2. gemachtigd heeft namens haar op te treden, maakt niet dat hierdoor verzoeker sub 2 door het litigieuze besluit rechtstreeks in zijn belangen is getroffen. De voorzieningenrechter is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verzoeker sub 2. kennelijk niet in het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening kan worden ontvangen.

Ten aanzien van verzoekster sub 1. overweegt de voorzieningenrechter in het voetspoor van eerdere uitspraken dat in beginsel slechts aanleiding kan zijn tot het treffen van een voorlopige voorziening in een zaak als de onderhavige, waar het gaat om een financieel belang, indien, ook zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht, ernstig dient te worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en bovendien door verzoeker wordt gewezen op feiten en omstandigheden die meebrengen dat zijn belang vordert dat het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingewilligd.

De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat verzoekster sub 1 in het onderhavige verzoekschrift geen argumenten heeft aangevoerd op grond waarvan de juistheid van verweerders oordeel moet worden betwijfeld dat in casu sprake is van een laagdrempelige inrichting. In het verzoekschrift is slechts gesteld dat verweerder onvoldoende acht heeft geslagen op de financiële belangen van verzoekster sub 1. Aldus miskent verzoekster sub 1. dat de Wet verweerder geen ruimte laat tot een belangenafweging indien de aanvraag betrekking heeft op de aanwezigheid van kansspelautomaten in een laagdrempelige inrichting. Uit artikel 30c van de Wet volgt immers dat een dergelijke aanvraag in alle gevallen dient te worden afgewezen. Wil de voorzieningenrechter aan een belangenafweging toe kunnen komen, dan zal een verzoeker in een geval als het onderhavige in ieder geval moeten stellen dat zijn inrichting hoogdrempelig is.

Overigens is gesteld noch gebleken dat het voortbestaan van verzoeksters onderneming bij het wegvallen van de inkomsten uit de speelautomaten in gedrang zou zijn, waar slechts is gesteld dat deze inkomsten een voordeel opleveren bij de financiering van een voorgenomen, doch nog niet aangevangen, uitbreiding van deze onderneming.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig één der partijen met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken.

Toepassing gevend aan artikel 8:83, derde lid, Awb wegens kennelijke ongegrondheid c.q. niet-ontvankelijkheid van het verzoek wordt beslist als volgt.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster sub 1. af en verklaart verzoeker sub 2. niet-ontvankelijk in het verzoek om voorlopige voorziening.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 september 2002.

w.g. D. Roemers w.g. R.P.H. Rozenbrand