Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE9941

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
06-11-2002
Zaaknummer
AWB 01/1048
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/1048 18 september 2002

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr H.S.O. Slagers-Busscher,

tegen

de Minster van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr K.J.H. Terwal.

1. De procedure

Op 18 december 2001 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 13 november 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Op 6 februari 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Hierop heeft appellant op 5 maart 2002 gerepliceerd.

Op 20 maart 2002 heeft verweerder een conclusie van dupliek ingediend.

Op 7 augustus 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen hun standpunten hebben toegelicht.

Tevens is verschenen drs. M. Honig van GeoRas, die ter ondersteuning van verweerders standpunt een toelichting heeft gegeven met betrekking tot satellietopnames die zijn weergegeven op ter zitting overgelegde foto's.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Regeling, zoals deze ten tijde van belang luidde, is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

e. raadsverordening: verordening (EEG) nr. 1765/92 (…);

(…)

m. akkerland:

a) geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 als blijvend grasland, grond voor blijvende teelten, bosgrond of grond voor niet agrarische doeleinden in gebruik was;

(…)

Artikel 3

Overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 3887/92, (…) en deze regeling (…) worden jaarlijks op aanvraag de beschikkingen tot subsidievaststelling gegeven aan producenten van akkerbouwgewassen (…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft een "Aanvraag oppervlakten 1999 vereenvoudigde regeling en voederareaal" bij verweerder ingediend ter verkrijging van subsidie op grond van de Regeling voor 6.46 ha maïs (percelen 4, 5 en 8). Tevens heeft appellant hierbij een oppervlakte van 9.96 ha grasland (percelen 1 tot en met 3, 6 en 7) opgegeven als voederareaal.

- Bij brief van 9 november 1999, met bijlage, is aan appellant medegedeeld dat gewasperceel 5 ter grootte van 1.85 ha niet voldoet aan de definitie akkerland.

- Bij brief van 17 november 1999 heeft appellant gereageerd en onder overlegging van een tweetal kopie-fakturen van een loonbedrijf, verzocht om ook voor perceel 5 de gevraagde akkerbouwsteun te verlenen.

- Bij besluit van 3 december 1999 is de aanvraag van appellant voor een akkerbouwsubsidie is afgewezen. Hierbij is als reden vermeld dat het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte 1.85 ha bedraagt, zijnde 40,13 % van de geconstateerde oppervlakte en dat bij een verschil tussen aangevraagde- en geconstateerde oppervlakte groter dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, het recht op een subsidie geheel vervalt.

- Tegen dit besluit is namens appellant bezwaar gemaakt bij brief van 12 januari 2000, waarin onder meer het volgende wordt aangevoerd:

" De afwijzing heeft betrekking op perceelno. 5 met als reden dat perceelno. 5 niet voldoet aan de definitie akkerland. Volgens de heer A is er in het jaar 1991 op het bewuste perceel wel degelijk maïs verbouwd en zou het perceel daarom voldoen aan de definitie akkerland."

- Op 17 maart 2000 heeft verweerder appellant gehoord ter zake van zijn bezwaar.

In het verslag van de hoorzitting staat onder meer het volgende vermeld:

" De voorzitter zegt dat de satellietfoto's op 11 april 1991 en op 30 november 1991 zijn genomen. Zij laat de foto's aan de heren A zien.

De heer A zegt dat het perceel op 11 april nog grasland was. Op 18 april is het gefreesd voor maisteelt. De rekening hiervan heeft hij overlegd. Boven aan de rekening staat mais poten inclusief perceel 5. De rekening is ondertekend door de loonwerker. Deze heeft er ook bijgeschreven dat het inclusief perceel 5 was. Het frezen heeft op 18 april 1991 plaatsgevonden. De foto's zijn op 11 april gemaakt. De mais is daarna gepoot. En is er op 23 oktober 1991 weer afgehaald. Daarvan wordt een rekening overhandigd. "

- Bij besluit van 4 mei 2000 heeft verweerder op dit bezwaar beslist.

- Op beroep van appellant heeft het College dit besluit vernietigd bij uitspraak van 6 juni 2001, no. AWB 00/489.

- Bij brief van 24 september 2001 heeft verweerder appellant een additionele satellietopname, gedateerd 2 september 1991, toegezonden alsmede de uitleg van GeoRas, die als volgt luidt:

" Dit beeld bevestigt onze eerdere diagnose. Op perceel 5 is geen mais geteeld , er is op het moment van de opname gras te zien."

- Hierop heeft appellant bij brief van 17 oktober 2001 gereageerd

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant opnieuw ongegrond verklaard en daartoe onder meer als volgt overwogen:

" (…) dat de firma GeoRas een door de Europese Commissie erkende firma is die sinds een aantal jaren de controles voor Laser uitvoert ten behoeve van het al of niet voldoen aan de definitie akkerland. Ik ga dan ook uit van de juistheid van de onderhavige foto.

(…)

De rekeningen welke u als bewijs ten aanzien van het voldoen van een bepaald perceel aan de definitie akkerland wilt aanmerken, moeten zijn toegespitst op perceel 5. Uit de rekeningen d.d. 21 juni 1991 en 6 augustus 1991 van Loon- en grondverzetbedrijf Fa. C blijkt slechts dat er een oppervlakte van 4.25 ha. maïs op 29 april 1991 is gepoot en eenzelfde oppervlakte maïs op 16 juli 1991 is gespoten. Er blijkt echter geen relatie met perceel 5. Bij de oppervlakte van 4.25 ha. is door de loonwerker D op beide rekeningen vermeld "inclusief kavel no. 5."

Dit is door de loonwerker ondertekend voor akkoord. Tijdens de hoorzitting heeft u nog een rekening van Loon- en grondverzetbedrijf Fa. C, met factuurdatum 11 november 1991, overgelegd.

Hierop staat vermeld dat er op 23 oktober 1991 een oppervlakte van 4.25 ha. maïs is gehakseld.

De door u overgelegde rekeningen en de verklaring van de loonwerker, acht ik - mede gelet op de beschikbare satellietfoto's, die aantonen dat er in de referentieperiode altijd gras heeft gestaan - onvoldoende bewijs. De verklaring van de loonwerker is bovendien een verklaring achteraf.

Ook de door u, als getuigenbewijs overgelegde verklaringen van bouwvakkers die tijdens het bouwen van een huis op het perceel achter de gebouwen maïs hebben gezien moeten worden beschouwd als verklaringen achteraf en daar kan niet het gewicht aan worden gegeven dat u er aan wilt geven, namelijk dat van doorslaggevend bewijs dat er in 1991 inderdaad maïs op het perceel heeft gestaan. In elk geval is dit niet voldoende om het tegendeel van de additionele satellietfoto aan te tonen.

(…)

U verzoekt de subsidie voor de percelen 4 en 8 wel te verlenen. Hiermee maakt u impliciet bezwaar tegen de opgelegde sanctie.

Hierover merk ik het volgende op.

De opgelegde sanctie als gevolg van een afwijking van meer dan 20% volgt rechtstreeks uit de Europese verordening. Deze laat mij niet de mogelijkheid hiervan af te wijken. Wat betreft de zwaarte van de sanctie wijs ik op artikel 9, tweede lid van Verordening (EEG) nr. 3887/92 dat een naar de grootte van het verschil tussen opgegeven en feitelijke oppervlakte gedifferentieerde sanctionering voorschrijft. Dit heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven ook beslist in haar uitspraak van 28 mei 1997 (zaaknummer 96/0378/060/013). Overigens is het niet aan mij om voor de keuze van de verordeninggever een andere keuze in de plaats te stellen, met andere woorden de innerlijke waarde van de verordeningen te toetsen en daarmee de expliciete keuze van de (Europese) wetgever te beoordelen.

Gelet op het bovenstaande heeft u niet aangetoond dat perceel 5 aan de voorwaarde van artikel 1, onderdeel m, van de Regeling voldoet. U komt derhalve niet voor een subsidie in aanmerking. "

Ten verweer is onder meer nog het volgende aangevoerd:

" (…) verweerder meent dat appellant miskent dat het bewijsmateriaal dat is overgelegd, bestaat uit verklaringen achteraf. Daarbij wil verweerder niet stellen dat verklaringen achteraf per definitie onvoldoende zijn als bewijsmateriaal.

De verklaringen achteraf betreffen (…) de vraag of in 1991 perceel 5 of een ander perceel beteeld is geweest met maïs. Uit de analyse van de foto van 2 september 1991 blijkt dat het aan perceel 5 grenzende perceel 4 beteeld is met maïs evenals het weer daaraan grenzende perceel 8. Gezien dit gegeven zijn de verklaringen van derden dat zij zich herinneren dat er op grond achter het nieuw gebouwde huis van appellant maïs hebben gezien op perceel 5 niet voldoende om te kunnen concluderen dat de maïs daadwerkelijk op perceel 5 heeft gestaan en niet op perceel 4 en 8. Van bij de bouw van een huis betrokken personen kan immers niet worden verwacht dat zij het onderscheid van maïs op perceel 5 of op perceel 4 en 8 gezaghebbend kunnen maken.

Voorts is van belang dat het perceel 2 van appellant door hem wordt aangegeven als permanent grasland, terwijl uit de analyse van het satellietbeeld van 2 september 1991 blijkt dat dit perceel voldoet aan de definitie akkerland. De oppervlakten van perceel 2 en perceel 5 verschillen slechts 0.03 ha. Dit brengt met zich mee dat de door appellant overgelegde nota's van gezaaide en gehakselde maïs ook met deze verwisseling overeenkomen."

Ter zitting heeft verweerder onder meer nog het volgende aangevoerd:

" Dat de satellietfoto van 2 september1991 pas later in de procedure is ingebracht is gelegen in het feit dat op deze foto de betreffende geografische zone niet volledig, maar slechts voor 50% zichtbaar is.

Omdat de Europese Commissie over satellietfoto's met 100% zichtbaarheid van de betreffende geografische zone wil beschikken, is de satellietfoto van 2 september 1991 niet aangekocht door de Europese Commissie en zodoende ook niet op een keuzelijst voor verweerder terechtgekomen. Wel kan erkend worden dat indien de satellietfoto van 2 september 1991 eerder in de procedure had kunnen worden ingebracht, appellant een langdurige juridische procedure bespaard was gebleven. "

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft bij beroepschrift het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

" Er waren slechts 2 satelietfoto's gemaakt op 11 april 1991 en op 30 november 1991. Dit was voor en na het groeiseizoen, dus op momenten dat er geen maïs op het land stond. Op 18 april 1991 is perceel 5 gefreesd en daarna is er maïs gepoot. Op 21 oktober 1991 is de maïs van het perceel gehaald.

Het wekt bevreemding dat er nu opeens een satellietfoto van het groeiseizoen gepresenteerd wordt, omdat appellant er gedurende de voorliggende procedure 5 maal om gevraagd heeft. Ook tijdens het onderzoek dat ter zitting d.d. 14 maart 2001 heeft plaatsgevonden werd gesteld dat er geen foto van het groeiseizoen was. Als genoemde foto er wel was, waarom heeft verweerder deze dat niet eerder verstrekt?

Nu nadat verweerder moet toegeven dat na landbouwkundig onderzoek is gebleken dat de stelling van appellant, dat gras in het gewas maïs moeilijk te bestrijden is en veengrond maakt dat gras na het oogsten van de maïs snel kan groeien waardoor de foto op 30 november 1991 gras kon aangeven, inderdaad niet onmogelijk wordt geacht (zie vervolgblad 3 en 4 van de bestreden beslissing op bezwaar d.d. 16 november 2001), komt verweerder met een foto waarvan zij eerder aangaf dat deze niet bestond.

Appellant vraagt zich af wat de geldigheid is van de datum van de foto die zou zijn genomen tijdens het groeiseizoen? Is het een wettig gedeponeerde datum, of kan verweerder een datum naar believen invullen? Hoe kan appellant na al het onzorgvuldig handelen van verweerder er nog op vertrouwen dat genoemde datum juist is, omdat steeds werd verklaard dat genoemde foto er niet was.

(…)

(…) in het beroepschrift d.d. 9 juni 2000 (bijlage) en tijdens de zitting van het CBb d.d. 14 maart 2001 heeft appellant door middel van getuigenbewijs aangetoond dat er in 1991 wel maïs is verbouwd.

Ten onrechte geeft verweerder aan in de bestreden beslissing op bezwaar (pag. 4 vervolgblad) dat de verklaring van de heer D van Loon- en Grondverzetbedrijf Fa. C te E (productie 3 en 4 bij het beroepschrift d.d. 8 juni 2000) niet toegespitst zou zijn op perceel 5. Appellant begrijpt deze opmerking van verweerder niet omdat productie 3 bij genoemd beroepschrift aangeeft dat er op 29 april 4.25 ha. maïs is gepoot, met de vermelding inclusief perceel 5. Tevens geeft productie 4 van genoemd beroepschrift aan dat 4.25 ha is bespoten op 16 juli 1991, met de vermelding inclusief perceel 5. Perceel 5 omvat 1.85 ha. Dit betekent dat er naast perceel 5 ook nog andere percelen zijn bewerkt. Hoe kan verweerder nu zeggen dat het bewijs niet is toegespitst op perceel 5.

Verder merkt verweerder op dat de verklaring van genoemde loonwerker een verklaring achteraf is. (…)

Doch wat is er mis met bewijs achteraf. Ook tijdens het onderzoek ter zitting bij Uw College d.d. 14 maart 2001 en in Uw uitspraak na beroep d.d. 6 juni 2001 is niets gezegd of gesteld dat de verklaringen van genoemde bouwvakkers en van de loonwerker als ondeugdelijk bewijs dient te worden beschouwd.

Appellant kon niet eerder weten dat getuigenbewijs nodig zou zijn om te bevestigen dat hij maïs heeft verbouwd in 1991. Het was voor appellant al moeilijk genoeg om na zo lange tijd nog getuigenbewijs te kunnen vergaren.

Geconstateerd moet worden dat verweerder appellant verwijt dat hij achteraf met een verklaring komt, terwijl verweerder zichzelf permitteert om na jaren met een additionele foto te komen die eerder niet bleek te bestaan en waarvan de datering betwijfeld wordt."

Appellant heeft onder meer als volgt gerepliceerd:

" (…) dat de door de Europese Commissie aangeleverde satellietfoto's gemaakt op 11 april 1991 en op 30 november 1991 als grondslag moeten dienen voor de vaststelling van de diagnose akkerland ja of neen in 1991.

(…)

Hoe kan Laser of GEORAS dan nu via een commerciëel bedrijf zelf de datum 2 september 1991 bepalen. Immers Laser geeft niet aan de thans beschikbare satellietfoto d.d. 2 september 1991 een satellietfoto is die door de Europese Commissie is aangeleverd. Dit is in strijd met zowel de richtlijnen van de Europese Commissie als met het rechtzekerheidsbeginsel.

Los van het bovenstaande acht appellant de analyse van de later toegevoegde commerciële satellietfoto d.d. 2 september 1991 niet verenigbaar met zijn standpunt dat hij op perceel 5 wel mais heeft verbouwd. De analyse van GEORAS aan de hand van de kleuren is niet eenduidig. Perceel 5 heeft allerlei kleuren, terwijl gras wordt geanalyseerd. Voorts zijn de percelen 7 en 1 rose/rood gekleurd en worden ook geanalyseerd als grasland. Dit terwijl de percelen 2 en 4, ook rose/rood gekleurd, worden geanalyseerd als beteeld met mais."

Ter zitting heeft appellant onder meer nog het volgende naar voren gebracht:

" Verder stelt Laser (…) dat appellant perceel 2 wel met perceel 5 verwisseld zal hebben bij de subsidieaanvraag in 1991. Dit omdat perceel 2 door appellant wordt aangegeven als permanent grasland, terwijl volgens Laser uit de analyse van de satellietfoto blijkt dat perceel 2 voldoet aan de definitie akkerland.

(…)

Doch appellant heeft zich helemaal niet vergist. Hij weet zeker dat hij in 1991 op de aaneengesloten percelen 5,4 en 8 mais heeft verbouwd en niet op perceel 2 omdat perceel 2 te nat was.

Maar het telen van mais op de percelen 4 en 8 opzij van de woning, ontnam veel zicht aan de woning. Daarom heeft appellant in 1993 toch een keer geprobeerd mais te verbouwen op perceel 2 (…)."

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is ten eerste in geschil of verweerder zijn nieuwe beslissing op appellants bezwaar heeft kunnen baseren op een additionele satellietopname die eerder niet beschikbaar was.

Appellant meent van niet, reeds omdat volgens hem het hanteren van andere dan door de Europese Commissie aangeleverde satellietopnames voor de vaststelling of een perceel akkerland is, in strijd is met richtlijnen van deze commissie.

Het College kan appellant in dit betoog niet volgen. Het is ingevolge artikel 10 EG immers aan de lidstaten controlemaatregelen te nemen om de nakoming te verzekeren van de verplichtingen die voortvloeien uit EG-regelgeving zoals de hiervoor in paragraaf 2.1 vermelde verordeningen. Artikel 10 EG laat de lidstaten vrij in de keuze van deze maatregelen. Dat de Europese Commissie hiertoe controlemiddelen als satellietopnames ter beschikking stelt, sluit op zich zelf rechtens nog niet uit dat de lidstaten ook andere controlemiddelen aanwenden, met name niet in het geval als aan de orde in dit geding, dat uit die ter beschikking gestelde satellietopnames niet valt af te leiden dat een perceel voldoet aan de communautaire definitie van akkerland. Van een specifieke europeesrechtelijke bepaling die verweerder verbiedt om subsidieaanvragen voor akkerbouwgewassen te toetsen aan andere dan door de Europese Commissie aangeleverde satellietopnames, is geen sprake.

Voorts overweegt het College als volgt.

Naar vaste rechtspraak staat de omstandigheid dat verweerder in voorgaande jaren de aanvragen minder fijnmazig heeft gecontroleerd en daarbij een perceel heeft aangemerkt als akkerland, er niet aan in de weg dat verweerder een volgende aanvraag toetst aan meer gedetailleerde controlegegevens als bedoelde satellietopnames die inmiddels te zijner beschikking zijn gekomen, en bij zijn beslissing op deze aanvraag op grondslag van deze gegevens terug te komen van zijn conclusie in voorgaande jaren. In dit verband heeft het College tevens overwogen dat de aanvrager de gelegenheid moet worden geboden in bezwaar aannemelijk te maken dat het perceel waarop bedoelde satellietopnames betrekking hebben, wel degelijk als akkerland is gebruikt in de referentiejaren 1987 tot en met 1991, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat de bewijspositie van appellant slechter kan zijn geworden door het verstrijken van de tijd sinds de referentieperiode.

De aard van de bezwarenprocedure die tot een volledige heroverweging noopt, brengt mee dat een bestuursorgaan andere feiten aan zijn beslissing op bezwaar ten grondslag kan leggen, dan die waarop de afwijzing bij het primaire besluit was gebaseerd. Deze volledige, zich tot eventuele andere feiten uitstrekkende heroverweging ingevolge de Algemene wet bestuursrecht schaadt niet de rechtszekerheid van de bezwaarde die om heroverweging verzoekt door het maken van bezwaar. Appellants beroep op het rechtszekerheidsbeginsel treft derhalve geen doel

Gesteld noch gebleken is dat appellant in zijn procespositie is geschaad doordat verweerder een andere satellietopname bij zijn nieuwe heroverweging van de afwijzing heeft betrokken.

In het licht van deze overwegingen en van hetgeen appellant heeft aangevoerd, valt niet in te zien dat verweerder het bestreden besluit van 13 november 2001 niet heeft kunnen baseren op een andere satellietopname, na te hebben vastgesteld dat de satellietopname van 30 november 1991, waarop zijn eerdere besluit van 4 mei 2000 steunde, niet uitsluit dat op 21 oktober daaraan voorafgaand maïs op perceel 5 is geoogst.

5.2 Appellant heeft voorts de geldigheid in twijfel getrokken van (de datering van) de additionele satellietopname van 2 september 1991 en de analyse van deze satellietopname door GeoRas. Het College ziet geen aanleiding deze twijfel te delen.

Appellant heeft geen concrete feiten of argumenten aangevoerd die objectieve twijfel doen rijzen aan de geldigheid van genoemde satellietopname.

Dat, naar appellant heeft gesteld, verweerder eerder het bestaan van andere satellietopnames zou hebben ontkend, mist feitelijke grondslag.

De omstandigheid dat verweerder deze satellietopname niet eerder aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, is op zich zelf geen reden voor zodanige, objectieve twijfel.

Gezien de geofysisch niet bestreden uitleg die drs M. Honig van GeoRas ter zitting heeft gegeven aan de hand van een aldaar overgelegde fotografische weergave van de satellietopname van 2 september 1991 met een hogere resolutie, heeft verweerder naar het oordeel van het College voldoende aannemelijk doen maken dat blijkens die opname perceel 5 op die datum met gras, althans met een ander gewas dan maïs is begroeid geweest. Op bedoelde foto onderscheidt perceel 5 zich qua kleur van de percelen 1, 2, 4, 7 en 8, overeenkomstig de eerder overgelegde foto van die satellietopname, maar met scherper begrenzingen die het gevolg zijn van een hogere resolutie naar drs M. Honig heeft toegelicht.

5.3 Vervolgens is de vraag aan de orde of aan de stellingen van appellant en de door hem overgelegde verklaringen voldoende gewicht toekomt om de hiervoor bedoelde, door verweerder uit de satellietopname van 2 september 1991 getrokken conclusie ter zijde te stellen. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend op grond van de volgende overwegingen.

De facturen van de loonwerker aan appellant voor het poten en behandelen van maïs op 4.25 ha bevatten geen specificatie naar percelen, en kunnen derhalve zeer goed andere - blijkens vermelde satellietopname wel met maïs bebouwde - percelen en niet perceel 5 betreffen. Aan de nadien bijgeschreven verklaring van de loonwerker dat de oppervlakte van 4.25 ha inclusief perceel 5 is, komt niet de betekenis toe die appellant hieraan toegekend wil zien, reeds bij gebreke van enige aanwijzing waarop die naderhand bijgeschreven verklaring is gebaseerd.

Ook de verklaringen dat in 1991 een perceel achter de in aanbouw zijnde woning met maïs was bebouwd, kunnen op andere grond dan perceel 5 betrekking hebben. Immers, de door appellant aangewezen achterzijde van bedoelde woning kijkt niet alleen uit op perceel 5, maar ook op het aansluitende perceel 4, waarop blijkens de satellietopname van

2 september 1991 wel maïs werd geteeld en dat volgens appellant veel zicht aan de woning ontnam.

Ter zitting heeft appellant desgevraagd nog verklaard dat perceel 8, waarop in 1991 maïs stond, toen van de buren was, waaruit zou volgen dat de 4.25 ha waarop in 1991 blijkens genoemde rekeningen van de loonwerker aan appellant maïs is geteeld, niet perceel 8 heeft omvat. Deze verklaring acht het College echter onvoldoende consistent, immers in strijd met het door appellant eerder bij pleidooi gestelde dat hij zeker weet dat hij in 1991 op de aaneengesloten percelen 5, 4 en 8 maïs heeft verbouwd.

5.4 Nu op grond van de voorgaande overwegingen het beroep ongegrond dient te worden verklaard, kan het College in het midden laten welke betekenis toekomt aan de satellietopname van 29 oktober 1991, die verweerder eerst ter zitting van het College heeft overgelegd.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 september 2002.

w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaas