Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE8712

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-09-2002
Datum publicatie
11-10-2002
Zaaknummer
AWB 01/752
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 91
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/752 19 september 2002

11246

Uitspraak in de zaak van:

A en B, beiden te X, handelend in maatschapsverband, appellanten,

gemachtigde: mr J.P.H. Roggeveen, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand, vestiging Zwolle,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr L.P. de Wit, werkzaam op verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 20 september 2001 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 8 augustus 2001 van verweerder. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 8 februari 2000, waarbij de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij appellanten op grond van artikel 86 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) een tegemoetkoming in de schade heeft verstrekt, ongegrond verklaard.

Op 17 oktober 2001 hebben appellanten de gronden van hun beroep aangevoerd.

Op 16 november 2001 heeft het College van verweerder een verweerschrift ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2002, alwaar de hierboven genoemde gemachtigden de standpunten van partijen nader hebben toegelicht. Van de zijde van appellanten is voorts door B het woord gevoerd.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 21, eerste lid, Gwd bepaalt onder meer dat een door de Minister aangewezen ambtenaar de burgemeester zo spoedig mogelijk meedeelt welke maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht. Blijkens artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, Gwd kan een dergelijke maatregel bestaan uit het doden van zieke en verdachte dieren. Indien laatstbedoelde maatregel wordt toegepast, wordt de houder van de dieren ingevolge artikel 86, eerste lid, aanhef en onder a, Gwd een tegemoetkoming in de schade verstrekt uit het Diergezondheidsfonds.

Ingevolge artikel 91 Gwd kan schade, veroorzaakt door de toepassing van maatregelen als bedoeld in artikel 17 of 21, voorzover deze niet uit hoofde van de artikelen 86 of 90 voor vergoeding in aanmerking komt, in door de Minister te bepalen bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk uit het Diergezondheidsfonds worden vergoed.

Artikel 114, eerste lid, Gwd bepaalt dat de door de Minister aangewezen ambtenaren zijn belast met het toezicht op de naleving van de wet en de daarop berustende bepalingen en met de opsporing van besmettelijke dierziekten. Op grond van deze bepaling heeft de Minister onder meer de ambtenaren van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: RVV) aangewezen.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 19 november 1999 zijn de dieren op het bedrijf van appellanten verdacht verklaard van rundertuberculose, waarna een aantal dieren van appellanten met toepassing van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, Gwd is gedood.

- Op 8 februari 2000 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij besloten tot tegemoetkoming van fl. 3.598,50 in de schade als gevolg van de doding van laatstbedoelde dieren.

- Bij brief van 20 maart 2000 hebben appellanten bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 februari 2000.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het verweer

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten, gericht tegen het niet verstrekken van een aanvullende tegemoetkoming in de schade ter vergoeding van de kosten die zij naar eigen zeggen hebben moeten maken, omdat de RVV onvoldoende inzicht kon verschaffen in de te volgen handelwijze gedurende de periode van verdachtverklaring, ongegrond verklaard.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat tuberculinatie een feitelijke handeling is, uitgevoerd in het kader van de in artikel 114, eerste lid, Gwd genoemde opsporing van besmettelijke dierziekten. Tuberculinatie betreft derhalve geen maatregel als bedoeld in artikel 17 of 21 Gwd. Tuberculinatie werkt niet preventief (artikel 17 Gwd) en dient evenmin ter bestrijding van een besmettelijke dierziekte (artikel 21 Gwd). Gelet hierop is een tegemoetkoming in de schade op de voet van artikel 91 Gwd, in welke bepaling wordt verwezen naar de artikelen 17 en 21 Gwd, niet aan de orde.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben met name het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten tijde hier van belang had de RVV onvoldoende ervaring met de bestrijding van deze besmettelijke dierziekte. Meer in het bijzonder had de RVV destijds onvoldoende oog voor de bijzondere positie van de kalvermesthouderij. Bij herhaling kon de RVV bij appellanten levende vragen niet of niet afdoende beantwoorden, waardoor appellanten geheel op zichzelf waren aangewezen en nodeloos kosten hebben moeten maken. Appellanten wensen vergoeding van de extra loonkosten die zij hebben moeten maken.

5. De beoordeling van het beroep

5.1 Nu het beroep uitsluitend is gericht op vergoeding van de loonkosten die appellanten naar eigen zeggen hebben moeten maken als gevolg van het in hun ogen inadequate optreden van de RVV, staat slechts ter beoordeling van het College of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat appellanten op grond van de Gwd geen aanspraak kunnen maken op een dergelijke vergoeding. Het College overweegt dienaangaande het volgende.

De Gwd verschaft slechts in bepaalde - in hoofdstuk VIII, afdeling 2, Gwd limitatief opgesomde - gevallen aanspraak op tegemoetkoming in schade die het gevolg is van maatregelen ter bestrijding van besmettelijke dierziekten. Daaronder valt niet schade door de hier gestelde nalatigheid van de RVV. Het betreft hier immers niet schade veroorzaakt door toepassing van maatregelen als bedoeld in artikel 17 of 21 Gwd. Alleen dergelijke schade kan ingevolge artikel 91 Gwd in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk worden vergoed. De door appellanten gestelde schade is, naar voor het College is komen vast te staan, echter aan te merken als schade die verband houdt met tuberculinatie, zijnde een maatregel ter opsporing van een besmettelijke veeziekte. Tuberculinatie is naar het oordeel van het College een feitelijke handeling, die niet valt te begrijpen onder de maatregelen als bedoeld in artikel 17 of 21 Gwd en als zodanig niet op basis van de Gwd voor vergoeding in aanmerking komt.

Onder verwijzing naar artikel 8:71 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) stelt het College vast dat appellanten hun vordering tot vergoeding van de in geding zijnde schade uitsluitend bij de burgerlijke rechter kunnen instellen.

5.2 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep van appellanten ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr B. van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 september 2002.

w.g. B. Verwayen w.g. B. van Velzen