Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE8711

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-09-2002
Datum publicatie
11-10-2002
Zaaknummer
AWB 01/734
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 17
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 21
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 22
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/375
AB 2002, 423 met annotatie van J.H. van der Veen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 01/734 24 september 2002

11246

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te X, appellanten,

gemachtigde: mr B. Nijman, advocaat te Wageningen,

tegen

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr L.P. de Wit, werkzaam op verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 13 september 2001 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een bezwaarschrift dat appellanten hadden ingediend tegen een besluit van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: minister) d.d. 19 december 2000.

Nadat verweerder bij besluit van 19 september 2001 had beslist op voormeld bezwaarschrift, hebben appellanten tegen dat besluit beroep ingesteld bij een op 30 oktober 2001 door het College ontvangen beroepschrift.

Appellanten hebben bij schrijven van 18 december 2001 de gronden van hun beroep uiteengezet.

Verweerder heeft onder dagtekening 12 februari 2002 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2002. Appellanten zijn aldaar niet verschenen. Het standpunt van verweerder is ter zitting toegelicht door zijn hiervoor genoemde gemachtigde.

2. De feiten

Bij brief van 1 oktober 1999 heeft de Gezondheidsdienst voor dieren (hierna: GD) appellanten het volgende te kennen gegeven:

" Op 16 augustus 1999 werden door u 80 runderen geïmporteerd, afkomstig uit Polen. Uit een steekproef onderzoek voorafgaande aan de import bij 8 runderen uit deze koppel bleek dat 1 rund positief en 1 rund twijfelachtig reageerde op enzoötische runderen leucose.

Als gevolg hierop werd de gehele koppel onderzocht. Hierbij bleek dat nog 11 runderen positief reageerden op leucose in de AGIDT-test.

Op grond van deze uitslag wordt uw rundveebeslag als leucose besmet aangemerkt. Dit houdt in dat van uw bedrijf geen runderen voor het leven mogen worden afgevoerd.

Afvoer voor de slacht is alleen toegestaan in overleg met de Gezondheidsdienst.

De 12 positieve runderen met de volgende ID codes dienen binnen 20 dagen na dagtekening van dit schrijven te worden geslacht."

Overeenkomstig voormelde aanzegging van de GD zijn de besmette runderen op 20 oktober 1999 geslacht.

De Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: RVV) heeft appellanten bij schrijven van 26 oktober 1999 medegedeeld dat de RVV de in evengenoemde brief van de GD vermelde besmetverklaring overneemt, hetgeen - zo vervolgt dit schrijven - betekent dat alle overige op het bedrijf aanwezige runderen op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit verdachte dieren met ingang van 1 oktober 1999 als verdacht van endemische runderleucose worden aangemerkt. In dit schrijven is voorts melding gemaakt van maatregelen waartoe in verband met de besmetverklaring zou kunnen worden overgegaan krachtens artikel 21, derde lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwwd).

Appellanten hebben zich, na en naar aanleiding van een briefwisseling met de RVV, bij schrijven van 23 november 2000 gewend tot de minister met het verzoek om ter zake van de slacht - op 20 oktober 1999 - van de door de GD besmet verklaarde runderen een schadevergoeding toe te kennen met toepassing van artikel 86 van de Gwwd.

Bij het hierboven vermelde schrijven van 19 december 2000 heeft de minister de gemachtigde van appellanten onder meer te kennen gegeven dat hij het verzoek om schadevergoeding afwijst, aangezien een tegemoetkoming in de schade, als bedoeld in artikel 86, eerste lid, van de Gwwd, slechts zou kunnen worden uitgekeerd, indien sprake zou zijn van doding van dieren krachtens artikel 22, eerste lid, van de Gwwd. De slacht van de runderen van appellanten vond, volgens de minister, evenwel niet krachtens laatstgenoemd artikel plaats.

Bij besluit van 19 september 2001 is namens verweerder door de "teamleider rechtsbescherming" beslist op het bezwaarschrift van appellanten tegen evengenoemd besluit tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

3. De beoordeling

3.1 Het College overweegt in de eerste plaats dat het belang van appellanten bij een uitspraak op hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar is vervallen, aangezien verweerder bij besluit van 19 september 2001 alsnog op dit bezwaar heeft beslist en niet is gebleken van enig belang van appellanten bij een inhoudelijke rechterlijke toetsing.

Derhalve komt dit beroep in aanmerking voor niet-ontvankelijkverklaring.

Het College acht wel termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling ter zake van dit beroep, met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Deze kosten worden begroot op € 80,50; zulks wegens verleende rechtsbijstand en op basis van een wegingsfactor van 0,25.

3.2 Met betrekking tot het beroep dat is gericht tegen meergenoemd besluit van 19 september 2001 overweegt het College dat het besluit van 19 december 2000 is gegeven door de minister zelve, terwijl het besluit op bezwaar is genomen door een daartoe gemandateerd ambtenaar.

Het College zal allereerst - ambtshalve - beoordelen of het bestreden besluit, mede bezien bij het licht van de bestaande jurisprudentie, bevoegd is genomen. Het College verwijst voor deze jurisprudentie naar de uitspraak van 30 maart 1999 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (E03.96.0783; JB 1999/109) en naar de uitspraak van 21 maart 2002 van de Centrale Raad van Beroep (99/5009 MAW; JB 2002/132; tevens te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder LJN AE1344).

Naar het oordeel van het College is de gevolgde wijze van besluitvorming niet in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), waarbij het volgende in aanmerking wordt genomen.

In artikel 7:11, eerste lid, Awb is bepaald dat op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. Een heroverweging in bezwaar moet zich blijkens de Memorie van Toelichting bij de wet van 4 juni 1992 (Staatsblad 1992, 315) niet beperken tot vragen over de rechtmatigheid van het primaire besluit, maar dient zich binnen de grenzen van de wet ook uit te strekken tot kwesties van beleid. Gelet hierop houdt het beslissen op bezwaar een zekere controle in op degene die het primaire besluit heeft genomen en op diens beleid. Daarmee is niet verenigbaar dat, zoals in dit geval, een ambtenaar een door het bestuursorgaan zelf genomen besluit in bezwaar heroverweegt. Deze wijze van beslissen op bezwaar beantwoordt naar het oordeel van het College niet aan de in artikel 7:11, eerste lid, Awb voorgeschreven heroverweging.

Reeds gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Het daartegen ingestelde beroep dient dan ook gegrond te worden verklaard.

3.3 Het College acht het onder de gegeven omstandigheden geraden onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb in dier voege in de zaak te voorzien, dat wordt bepaald dat het bezwaar van appellanten ongegrond is en dat het besluit van de minister d.d.

19 december 2000 wordt gehandhaafd, alsmede dat het te dier zake in deze uitspraak bepaalde in de plaats treedt van het te vernietigen besluit van 19 september 2001.

Het College overweegt daartoe het volgende.

Als vaststaand moet worden aangenomen dat het gestelde in bovenvermeld schrijven van de GD d.d. 1 oktober 1999, inzake het aanmerken van het rundveebeslag van appellanten als besmet met leucose, en het slachten van de positief bevonden runderen binnen 20 dagen na dagtekening van dit schrijven, de toepassing betreft van de Verordening bestrijding runderziekten 1992 van het - voormalige - Landbouwschap (hierna: landbouwschapsverordening). In de mogelijkheid van toekenning van een vergoeding voor runderen die zijn geslacht in verband met de toepassing van genoemde verordening, is voorzien in het Slachtvergoedingenbesluit bestrijding runderziekten 1994 van - eveneens - het Landbouwschap.

Naar de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft gesteld, is afwijzend beslist op een verzoek van appellanten om toekenning van een zodanige vergoeding.

De Gwwd kent in afdeling 2 van hoofdstuk VIII een stelsel van voorschriften inzake "Tegemoetkomingen in de schade", waarbij in artikel 86 regels zijn gesteld met betrekking tot het uitkeren van tegemoetkomingen in verband met nader omschreven maatregelen die zijn opgelegd krachtens artikel 22 van de Gwwd, zoals het doden van zieke en verdachte dieren. Voorts biedt artikel 91 van de Gwwd de mogelijkheid van schadevergoeding in door de minister te bepalen bijzondere gevallen, indien het schade betreft die is veroorzaakt door de toepassing van maatregelen, als bedoeld in artikel 17 of artikel 21, voor zover deze niet uit hoofde van artikel 86 of artikel 90 voor vergoeding in aanmerking komt.

Vast staat dat in de vergoeding van de door appellanten gestelde schade niet wordt voorzien door het bepaalde in voormelde afdeling van de Gwwd, aangezien deze schade

- zoals uit het voorafgaande blijkt - niet voortvloeit uit de toepassing van artikel 17 of artikel 21, juncto artikel 22 van de Gwwd, maar uit de door GD ter toepassing van de Landbouwschapsverordening opgedragen slacht van 12 runderen.

In verband met het vorenoverwogene moet worden geconcludeerd dat de minister terecht bij zijn besluit van 19 december 2000 het verzoek van appellanten om schadevergoeding op grond van de Gwwd heeft afgewezen, alsmede dat op het bezwaar van appellanten tegen dit besluit rechtens slechts kan worden beslist met een ongegrondverklaring van dit bezwaar en handhaving van het besluit.

Het College acht in verband met het voorafgaande termen aanwezig verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten in verband met hun beroep tegen het besluit van verweerder d.d. 19 september 2001.

Deze kosten worden begroot op € 322,--; zulks wegens verleende rechtsbijstand en op basis van een wegingsfactor van 1.

Ten slotte dient het door appellanten betaalde griffierecht aan hen te worden vergoed.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart niet-ontvankelijk het beroep van appellanten, gericht tegen het uitblijven van een besluit op hun bezwaar tegen het

besluit van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij d.d. 19 december 2000;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellanten betreffende evenvermeld beroep, welke door de Staat aan appellanten

te vergoeden kosten worden vastgesteld op € 80,50;

- verklaart gegrond het beroep van appellanten tegen het besluit van verweerder d.d. 19 september 2001 en vernietigt dit

besluit;

- verklaart ongegrond het bezwaar van appellanten tegen voormeld besluit van 19 december 2000 en handhaaft dit besluit;

- bepaalt dat het hiervoor gestelde in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellanten betreffende het beroep tegen evenvermeld besluit, welke door de Staat

aan appellanten te vergoeden kosten worden vastgesteld op € 322,--;

- gelast dat het door appellanten betaalde griffierecht ten bedrage van € 102,10 (in verband met een betaling van ƒ 225,--)

aan hen door de Staat wordt vergoed;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr B. van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 september 2002.

w.g. B. Verwayen w.g. B. van Velzen