Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE8300

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-09-2002
Datum publicatie
03-10-2002
Zaaknummer
AWB 02/400
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No.AWB 02/400 5 september 2002

11242 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

Nederpol B.V., te Lunteren, verzoekster,

gemachtigde: mr J.J.J. de Rooy, advocaat te Tilburg,

tegen

de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, te Voorburg, verweerder,

gemachtigde: mr J.C.M. Oudshoorn, werkzaam bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te 's-Gravenhage.

1. De feiten

Bij brief van 1 maart 2002 heeft de kringdirecteur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees Oost verzoekster medegedeeld dat het haar met ingang van 15 maart 2002 is verboden varkens (en andere evenhoevigen) te verzamelen op haar bedrijf aan de Goorsteeg te Lunteren en dat verweerder voorts zal worden geadviseerd verzoekster geen definitieve erkenning als varkensverzamelcentrum op grond van de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000 te verstrekken.

Bij brief van 7 maart 2002 heeft verzoekster tegen deze beslissing een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Op 11 maart 2002 heeft verzoekster zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek bij wege van een voorlopige voorziening het voormelde besluit van verweerder te schorsen.

Bij faxbericht van 12 maart 2002 is van de zijde van verweerder een schriftelijke reactie op het verzoek om voorlopige voorziening ontvangen.

Bij brief van 15 maart 2002 heeft verzoekster de gronden van het verzoek om voorlopige voorziening nader aangevuld.

Op 19 maart 2002 heeft verweerder verzoekster medegedeeld het besluit van 1 maart 2002 in te trekken.

Hierop heeft verzoekster bij faxbericht van diezelfde dag het verzoek om voorlopige voorziening eveneens ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure.

Bij brief van 22 maart 2002 is verweerder in de gelegenheid gesteld schriftelijk op het verzoek om proceskostenveroordeling te reageren.

Op 3 mei 2002 heeft verweerder medegedeeld bereid te zijn het griffierecht aan verzoekster te vergoeden. Bij deze gelegenheid heeft verweerder voorts aangegeven eveneens aanleiding te zien met toepassing van wegingsfactor 0,25 als bedoeld in bijlage C1 bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), de kosten voor indiening van het verzoekschrift te vergoeden.

2. De beoordeling van het verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Awb

Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, juncto 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in geval van intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.

Nu verweerder hangende het door verzoekster ingediende verzoek om voorlopige voorziening heeft besloten het besluit van 1 maart 2002 ten aanzien waarvan de voorlopige voorziening is gevraagd, in te trekken, moet het er hier voor worden gehouden dat verweerder aldus aan verzoekster is tegemoetgekomen. Verweerder heeft dit niet betwist. Gelet hierop ligt het verzoek om kostenveroordeling kennelijk voor toewijzing gereed en veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten van het geding.

Ten aanzien van de vaststelling van de hoogte van de door verweerder aan verzoekster te vergoeden proceskosten volgt de voorzieningenrechter verweerder niet in zijn betoog dat daarbij een wegingsfactor 0,25 als bedoeld in bijlage C1 bij het Bpb moet worden toegepast. Voor toepassing van een wegingsfactor is immers het gewicht van de onderliggende zaak van belang en niet, zoals verweerder kennelijk meent, de inhoud van het ingediende verzoekschrift. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient aan de onderhavige zaak een gemiddeld gewicht te worden toegekend. Gelet op bijlage C1 bij het Bpb worden de door verweerder te vergoeden kosten derhalve begroot op 1 (verzoekschrift) x 1 (gewicht) x € 322,-- = € 322,--.

Met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto de artikelen 8:54 en 8:84 van de Awb leidt dit tot de volgende uitspraak.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb toe;

- veroordeelt verweerder in de kosten die verzoekster in verband met het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs

heeft moeten maken, welke kosten worden vastgesteld op € 322,-- (zegge: driehonderd twee-en-twintig euro);

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 september 2002.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.S. Hoppener