Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE7592

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-09-2002
Datum publicatie
13-09-2002
Zaaknummer
AWB 02/644
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/644 5 september 2002

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te X, handelend in maatschapsverband, appellanten,

gemachtigde: mr J.J.J. de Rooy, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr M. Haan, werkzaam bij Bureau Heffingen te Assen.

1. De procedure

Op 18 april 2002 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 19 maart 2002 van verweerder. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen brieven van 24 september 1999 en 13 oktober 2000, waarbij verweerder appellanten heeft medegedeeld dat hun bedrijf niet in aanmerking komt voor vergroting van het varkensrecht op grond van artikel 9 Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv), ongegrond verklaard.

Bij brief van 22 mei 2002 is partijen medegedeeld dat het beroep met toepassing van artikel 8:52 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) versneld wordt behandeld.

Op 31 mei 2002 heeft het College van verweerder een verweerschrift ontvangen.

Bij faxbericht van 9 juli 2002 heeft verweerder het College desgevraagd nadere informatie gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2002, alwaar de hierboven genoemde gemachtigden de standpunten van partijen nader hebben toegelicht. Ter zitting waren voorts aanwezig A, mr G.J.M. de Jager, kantoorgenoot van mr J.J.J. de Rooy, en ing H. Boerma, werkzaam bij Bureau Heffingen.

2. De grondslag van het geschil

Artikel 1, aanhef en onder e, Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv) bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder varken: dier van de diersoort varken, uitgedrukt in varkenseenheden overeenkomstig de in bijlage A bij deze wet voor de dieren van de onderscheiden diercategorieën opgenomen normen. Artikel 1, aanhef en onder h, Whv bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder varkensrecht: gemiddeld aantal varkens dat gedurende een jaar op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde ten hoogste op een bedrijf mag worden gehouden, uitgezonderd het aantal varkens dat ingevolge artikel 32 mag worden gehouden.

Ingevolge artikel 25 Whv kunnen bij algemene maatregel van bestuur, voor bepaalde groepen van gevallen waarbij de bepaling van de hoogte van het varkensrecht of fokzeugenrecht overeenkomstig hoofdstuk II en artikel 24 leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, regels worden gesteld omtrent een van hoofdstuk II en artikel 24 afwijkende bepaling van de hoogte van deze rechten. Bij deze regels kunnen nadere voorwaarden en beperkingen worden gesteld.

Artikel 34 Whv bepaalt dat een belanghebbende bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven beroep kan instellen tegen een op grond van deze wet genomen besluit.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, Bhv wordt, voorzover hier van belang, met betrekking tot een daartoe aangemeld bedrijf met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 15 van de wet de hoogte van het varkensrecht en het fokzeugenrecht bepaald overeenkomstig de hoofdstukken 1, 2 en 4 van dit besluit, onder de in dit besluit geregelde voorwaarden en beperkingen.

In artikel 9 Bhv, zoals luidend na de op 1 juli 2000 in werking getreden wijziging met terugwerkende kracht tot 1 september 1998 (Staatsblad 2000, 233), welke bepaling deel uitmaakt van hoofdstuk 2, paragraaf 3, Bhv, wordt onder meer het volgende bepaald:

" 1. Het overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet bepaalde varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, van een daartoe aangemeld bedrijf wordt overeenkomstig deze paragraaf vergroot, indien met betrekking tot het desbetreffende bedrijf na 1992 en vóór 10 juli 1997 ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens:

a. door het bevoegd gezag een milieuvergunning is verleend,

b. een aanvraag is ingediend om een milieuvergunning, die naar aanleiding van de aanvraag uiterlijk op 1 januari 2001 is verleend, dan wel

c. bij het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer dan wel overeenkomstig artikel 4 van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of artikel 3 van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer een of meer meldingen zijn gedaan. Een overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer gedane melding wordt slechts in aanmerking genomen voorzover deze betrekking heeft op een verandering van de inrichting die overeenkomstig de op het tijdstip van de melding voor de inrichting geldende milieuvergunning kon leiden tot een uitbreiding van het aantal varkens.

2. Een bedrijf komt uitsluitend voor de toepassing van deze paragraaf in aanmerking indien ten aanzien van het bedrijf is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen is per saldo niet verkleind ten gevolge van de registratie van kennisgevingen van verplaatsingen met betrekking tot dat recht die zijn gedaan in de periode van 1 januari 1996 tot 10 juli 1997 of, ingeval het bedrijf na 1 januari 1996 door samenvoeging is ontstaan of een of meerdere malen is overgedragen, in de periode gelegen tussen die samenvoeging of de laatste van die overdrachten en 10 juli 1997;

b. uiterlijk op 1 januari 2003 is binnen de inrichting extra huisvesting gebouwd voor ten minste 75% van het aantal varkens waarvoor extra huisvesting diende te worden gebouwd om alle varkens die mogen worden gehouden ingevolge de verleende milieuvergunning, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, onderscheidenlijk ingevolge de milieuvergunning, bedoeld in de tweede volzin van dat lid dan wel het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, te kunnen huisvesten overeenkomstig de verleende milieuvergunning, onderscheidenlijk overeenkomstig de in het eerste lid, tweede volzin, bedoelde milieuvergunning in samenhang met de overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer gedane meldingen, dan wel overeenkomstig het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer in samenhang met de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde meldingen;

c. uiterlijk op 1 januari 2003 is op het bedrijf huisvesting voor varkens aanwezig voor tenminste het aantal varkens dat overeenkomt met 85% van het op grond van deze paragraaf vergrote varkensrecht;

d. bij de melding, bedoeld in artikel 2, wordt een afschrift van de vergunning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk de meldingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c en, in voorkomend geval, de milieuvergunning, bedoeld in de tweede volzin van het eerste lid, waarop door het bevoegd gezag de datum van ontvangst is aangetekend, overgelegd. Bij gebreke van een dergelijke aantekening wordt tevens een door het bevoegd gezag afgegeven bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld, overgelegd;

e. binnen zes weken na de verlening van de milieuvergunning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dan wel, indien die verlening vóór de inwerkingtreding van dit besluit heeft plaatsgevonden, binnen zes weken na die inwerkingtreding, wordt een afschrift van de milieuvergunning overgelegd aan het Bureau Heffingen. Op verzoek van het Bureau Heffingen wordt binnen de daarbij aangegeven termijn de milieuvergunning aan dat bureau overgelegd.

(…)

6. Deze paragraaf blijft buiten toepassing indien de vergroting minder dan 10% van het overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet bepaalde varkensrecht zou zijn."

In de Nota van Toelichting bij het Bhv (hierna: NvT Bhv) wordt onder meer het volgende bepaald:

" ALGEMEEN

(…)

2. Hardheidsgevallen

In artikel 25 van de wet is voorzien in een mogelijkheid afwijkende regels te stellen voor bepaalde groepen van gevallen waarbij de bepaling van de hoogte van het varkensrecht of het fokzeugenrecht bij inwerkingtreding van de wet tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden. (…)

In hoofdstuk 2 van het besluit worden de groepen van bedrijven ten aanzien waarvan sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, nader onderscheiden in de volgende acht categorieën.

(…)

De vierde categorie heeft betrekking op bedrijven die vóór 10 juli 1997 bezig waren de productiecapaciteit binnen het voor deze bedrijven geldende mestproductierecht uit te breiden en daartoe concrete stappen hebben gezet. Voor deze categorie biedt paragraaf 3 van hoofdstuk 2 een voorziening waarbij het varkensrecht wordt vergroot. Voor deze vergroting geldt een maximum dat is gerelateerd aan de niet-benutte ruimte binnen het geldende mestproductierecht.

(…)

8. Reactie op ontvangen adviezen

(…)

De systematiek van dit besluit is (…) analoog aan die van de wet en heeft als voordeel dat geen sprake is van lange en ingewikkelde aanvraag- en beoordelingsprocedures met eventueel daaropvolgende bezwaar- en beroepsprocedures die onvermijdelijk gepaard gaan met een zeker tijdsbeslag en derhalve met rechtsonzekerheid voor de betrokkenen. Eenieder kan daarentegen direct uit het besluit afleiden tot welk varkensrecht en fokzeugenrecht die besluit voor hem leidt. Ter informatie van betrokkenen zal Bureau Heffingen dit ook nog schriftelijk meedelen. (…)

Indien, zoals in casu, de rechtsgevolgen direct voortvloeien uit algemeen verbindende voorschriften, is er ten principale geen taak weggelegd voor de bestuursrechter, die immers slechts bevoegd is indien sprake is van individuele besluiten met rechtsgevolg. Het creëren van een bezwaar- en beroepsmogelijkheid verdraagt zich derhalve niet met de gekozen systematiek waarin van dergelijke besluiten geen sprake is. Overigens laat dit uiteraard onverlet dat de justitiabele zich desgewenst tot de civiele rechter kan wenden. De hiervoor genoemde voordelen van de generieke aanpak gelden niet voor de bepleite individuele toetsing van elk afzonderlijk geval.

Een dergelijke individuele toetsing is overigens bovendie niet in overeenstemming met artikel 25 van de Wet herstructurering varkenshouderij dat immers uitdrukkelijk spreekt van bepaalde groepen van gevallen.

(…)

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

(…)

Artikel 9

Eerste lid. Paragraaf 3 van hoofdstuk 2 van dit besluit biedt een voorziening voor de hierboven als vierde categorie aangeduide groep, de varkenshouders die bezig waren met uitbreiding van hun productie, terwijl de in 1995 en 1996 gehouden aantallen varkens nog niet representatief waren voor de beoogde bedrijfsomvang na uitbreiding.

(…)

Naast de kosten gemoeid met de eventuele verwerving van grond of niet-gebonden mestproductierechten kunnen ook overigens reeds investeringsverplichtingen zijn aangegaan, zoals ten behoeve van de bouw van een nieuwe stal. Een voorwaarde dat investeringsverplichtingen moeten zijn aangegaan, is evenwel niet in het besluit opgenomen, aangezien aan een dergelijke voorwaarde slechts aan de hand van uiteenlopende, veelal ondershands opgemaakte bewijsstukken, te toetsen zou zijn, hetgeen zich niet goed verdraagt met de gekozen systematiek dat de hoogte van het varkensrecht rechtstreeks uit dit besluit voortvloeit. (…)

Teneinde vast te stellen of een bedrijf al dan niet concrete uitbreidingsplannen had, wordt in het eerste lid aangesloten bij de aanvraag om een milieuvergunning. Om zeker te kunnen stellen dat sprake is van actuele uitbreidingsplannen moet sprake zijn van een recente aanvraag. (…)

Vierde lid [thans: zesde lid, toevoeging CBb]. De beoogde uitbreiding ten opzichte van het overeenkomstig de wet vastgestelde varkensrecht dient een zekere minimum-omvang te hebben om te kunnen concluderen dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. (…) De drempel van 10% beoogt een scheidslijn aan te brengen tussen marginale uitbreidingen enerzijds en substantiële investeringen anderzijds. Het gaat hierbij om een vergroting ten opzichte van het varkensrecht, zoals dat op grond van hoofdstuk II en artikel 24 van de wet zou worden bepaald. (…)

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 18 februari 1997 hebben appellanten bij burgemeester en wethouders van Boekel een aanvraag ingediend om een milieuvergunning, welke aanvraag bij besluit van 16 september 1997 is ingewilligd.

- Door middel van een op 3 oktober 1998 gedagtekend formulier "Aanmelding Besluit hardheidsgevallen i.v.m. aanvraag milieuvergunning vóór 10 juli 1997", door verweerder ontvangen op 13 oktober 1998, hebben appellanten verzocht om een extra varkensrecht op grond van artikel 9 Bhv.

- Bij brief van 22 januari 1999 heeft verweerder genoemd formulier aan appellanten geretourneerd met het verzoek dit alsnog volledig in te vullen.

- Op 22 februari 1999 heeft verweerder het door appellanten verder ingevulde formulier ontvangen.

- Bij brief van 24 september 1999 heeft verweerder appellanten onder meer het volgende meegedeeld:

" Uit de gegevens vermeld op het door u ingezonden formulier 'Aanmelding Besluit hardheidsgevallen i.v.m. aanvraag milieuvergunning vòòr 10 juli 1997' (…) is gebleken dat uw bovengenoemde bedrijf niet in aanmerking kan komen voor categorie 3 van het Besluit.

(…)

(…) Het niet in aanmerking komen van uw bedrijf voor de genoemde categorie van het Besluit vloeit rechtstreeks voort uit dit besluit. Bezwaar maken en beroep instellen tegen dit bericht is dan ook niet mogelijk."

- Door middel van een op 6 augustus 2000 gedagtekend formulier "Aanmelding Besluit hardheidsgevallen ivm categorie 12, 14 en 19 voor bedrijven die een Melding varkensrechten hebben ontvangen", door verweerder ontvangen op 11 augustus 1998, hebben appellanten verzocht om een extra varkensrecht op grond van artikel 9 Bhv.

- Bij brief van 13 oktober 2000 heeft verweerder appellanten onder meer het volgende meegedeeld:

" Uit de gegevens vermeld op het door u ingezonden formulier 'Aanmelding Besluit hardheidsgevallen i.v.m. categorie 12, 14 en 19' (…) is gebleken dat uw bedrijf (…) niet in aanmerking kan komen voor categorie 14a van het Besluit hardheidsgevallen Whv.

De reden voor afwijzing is:

Uw bedrijf beschikt niet over een melding of een milieuvergunning ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens, fokzeugen of kippen, die in de periode van 1 januari 1993 tot 10 juli 1997 bij het bevoegd gezag voor uw bedrijf is aangevraagd/gedaan.

Het niet in aanmerking komen van uw bedrijf voor de genoemde categorie van het Besluit hardheidsgevallen vloeit rechtstreeks voort uit dit Besluit. Bezwaar maken en beroep instellen tegen dit bericht is dan ook niet mogelijk."

- Bij brief van 2 juli 2001 hebben appellanten bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de brieven van 24 september 1999 en 13 oktober 2000 van verweerder. Bij brieven van 10 en 26 september 2001 zijn de gronden van het bezwaar aangevuld.

- Na appellanten in de gelegenheid te hebben gesteld op 13 november 2001 te worden gehoord over hun bezwaar, heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

In het bestreden besluit heeft verweerder, zakelijk weergegeven en voorzover van belang voor de beoordeling van het beroep, het volgende overwogen.

Appellanten hebben niet binnen de in de Awb gestelde termijn bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 24 september 1999 en 13 oktober 2000. Deze termijnoverschrijding is verschoonbaar, nu appellanten binnen twee weken na de publicatie van de uitspraak van 19 juni 2001 van het College (AWB 00/581) in het Agrarisch Dagblad alsnog bezwaar hebben gemaakt. Appellanten kunnen derhalve in hun bezwaar worden ontvangen.

Artikel 9 Bhv is bedoeld voor bedrijven die vóór 10 juli 1997 investeringsverplichtingen zijn aangegaan in verband met bedrijfsuitbreiding. De besluitgever heeft ervoor gekozen alleen een milieuvergunning, een aanvraag om een dergelijke vergunning en een melding als bedoeld in artikel 8.19 Wet milieubeheer te aanvaarden als bewijs van uitbreidingsplannen en investeringsverplichtingen. Andere bewijsstukken zijn voor de toepassing van het Bhv derhalve niet relevant. Deze wijze van abstraheren hangt samen met de wettelijke basis van het Bhv, artikel 25 Whv, waarin wordt gesproken over "groepen van gevallen" en derhalve niet over individuele gevallen. Met het oog op de uitvoerbaarheid van het Bhv heeft de besluitgever niet gewild dat Bureau Heffingen in individuele gevallen verschillende, veelal onderhands opgemaakte, bewijsstukken zou moeten beoordelen om vast te stellen of sprake was van een intentie tot bedrijfsuitbreiding. Een individuele beoordeling strookt volgens de besluitgever voorts niet met het rechtstreeks uit de Whv voortvloeien van het varkensrecht. Dat het College in zijn uitspraak van 19 juni 2001 heeft geoordeeld dat bij toepassing van de onderhavige categorie hardheidsgevallen in bepaalde gevallen sprake is van een besluit, heeft weliswaar gevolgen voor de rechtsbescherming, maar niet voor de uitgangspunten en de inhoud van het Bhv.

Een bedrijf komt slechts in aanmerking voor een extra varkensrecht op grond van artikel 9 Bhv, indien op grond van de nieuw aangevraagde milieuvergunning meer varkens (uitgedrukt in varkenseenheden) mogen worden gehouden dan ingevolge de oude vergunning. De door appellanten voorgestane interpretatie van artikel 9 Bhv verdraagt zich niet met genoemde uitgangspunten van het Bhv en kan dan ook niet worden gevolgd.

Indien de oude Hinderwet- of milieuvergunning van rechtswege is vervallen, vergelijkt Bureau Heffingen het aantal varkens dat op grond van het nog vigerende gedeelte van de oude vergunning mag worden gehouden met het aantal varkens dat wordt genoemd in de nieuwe aanvraag. In het onderhavige geval is een dergelijke situatie niet aan de orde, nu op pagina 3 van de nieuwe milieuvergunning is aangegeven hoeveel varkens "volgens vigerende vergunning" - de oude vergunning - mochten worden gehouden. Ook achteraf heeft de gemeente niet geconstateerd dat de oude vergunning van het bedrijf van appellanten van rechtswege gedeeltelijk is vervallen.

In de beroepsfase heeft verweerder nader aangevoerd dat, gelet op het Bhv en de NvT Bhv, bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een uitbreiding geen acht wordt geslagen op andere stukken dan de nieuw aangevraagde milieuvergunning dan wel melding als bedoeld in artikel 8.19 Wet milieubeheer alsmede (eventueel) de oude vergunning en een verklaring van de gemeente over het verval van rechtswege van laatstbedoelde vergunning. Gelet hierop is de mestboekhouding van de vorige eigenaar van het bedrijf van appellanten niet relevant.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben, zakelijk weergegeven en voorzover van belang voor de beoordeling van het beroep, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat een extra varkensrecht op grond van artikel 9 Bhv slechts kan worden toegekend indien sprake is van investeringen ten behoeve van vergroting van het aantal varkens dat mag worden gehouden. In de tekst van artikel 9 Bhv en de NvT Bhv zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de juistheid van het standpunt van verweerder. In tegendeel, met name uit de bewoordingen van de NvT Bhv blijkt dat bepalend is of sprake is van investeringen met het oog op vergroting van het aantal feitelijk gehouden varkens, hetgeen hier het geval is.

Ten onrechte weigert verweerder acht te slaan op de mestboekhouding van het bedrijf van appellanten, terwijl hij beschikt over de aangiften mestoverschotheffing vanaf 1986. Appellanten kunnen de mestboekhouding over de relevante periode niet overleggen, aangezien zij het bedrijf kort geleden hebben overgenomen en de vorige eigenaar de betreffende gegevens niet beschikbaar wil stellen. Op grond van de mestboekhouding zou kunnen blijken of, voorzover al van belang, de oude vergunning gedeeltelijk van rechtswege is komen te vervallen.

5. De beoordeling van het beroep

5.1 Het College stelt voorop dat verweerder in het bestreden besluit terecht (alsnog) heeft aangenomen dat zijn brieven van 24 september 1999 en 13 oktober 2000 dienen te worden aangemerkt als besluiten in de zin van de Awb.

5.2 Vervolgens zal het College beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overschrijding van de uit artikel 6:7 Awb voortvloeiende termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift tegen de besluiten van 24 september 1999 en 13 oktober 2000 verschoonbaar is.

5.2.1 Ten onrechte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het feit dat appellanten binnen twee weken na publicatie van de uitspraak van 19 juni 2001 van het College (alsnog) een bezwaarschrift hebben ingediend, grond vormt de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

Anders dan verweerder meent, wijkt de uitspraak van 19 juni 2001 niet af van eerdere jurisprudentie van het College, meer in het bijzonder de uitspraak van 1 juni 1999 (AWB 98/1350 tot en met 98/1366; www.rechtspraak.nl, LJN ZG1598). In zijn uitspraak van 19 juni 2001 heeft het College uiteengezet waarom een reactie van Bureau Heffingen op een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Bhv wel een besluit is, maar een (enkele) mededeling van Bureau Heffingen over de hoogte van het varkensrecht zoals dat voortvloeit uit de Whv, zoals aan de orde in de zaken AWB 98/1350 tot en met 98/1366, niet. In zijn uitspraak van 8 mei 2002 (AWB 99/793; www.rechtspraak.nl, LJN AE2893) heeft het College nader overwogen dat in de gevallen waarop de uitspraak van 1 juni 1999 betrekking heeft, geen sprake was van een reactie van Bureau Heffingen op meldingen, verzoeken of aanvragen als voorzien in het bepaalde bij of krachtens de Whv, maar van ongevraagd en onverplicht, bij wijze van informatieverschaffing, verstrekte gegevens over de naar de mening van Bureau Heffingen uit de Whv voortvloeiende omvang van varkensrechten. Indien evenwel een door Bureau Heffingen medegedeelde zienswijze over het regime dat in een bepaald geval geldt voor de varkensrechten wordt gedaan - en slechts kan worden gedaan - naar aanleiding van een melding als voorzien in het Bhv, kan niet worden gesproken van een rechtsgevolg dat rechtstreeks voortvloeit uit een wettelijke regeling. Laatstbedoelde situatie is ook in de onderhavige zaak aan de orde.

5.2.2 Het College is evenwel van oordeel dat op andere grond de termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten.

Hiertoe overweegt het College dat verweerder in zijn besluiten van 24 september 1999 en 13 oktober 2000 nadrukkelijk heeft gesteld dat daartegen geen bezwaar kan worden gemaakt. Door deze handelwijze heeft verweerder bij appellanten ten onrechte de indruk gewekt dat geen sprake was van besluiten waartegen ingevolge artikel 7:1, eerste lid, Awb juncto artikel 34 Whv bezwaar kon worden gemaakt. In verband hiermede kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat zij bij de indiening van hun bezwaarschrift in verzuim zijn geweest.

5.3 Wat betreft de inhoudelijke beoordeling van het beroep, stelt het College allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat ten behoeve van het bedrijf van appellanten een milieuvergunning is aangevraagd en verleend in het tijdvak, genoemd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, Bhv. Tussen partijen is evenmin in geschil dat op grond van de aanvraag en verlening van deze milieuvergunning moet worden aangenomen dat appellanten investeringsverplichtingen zijn aangegaan.

5.3.1 Aan de orde is de vraag of voor een vergroting van het varkensrecht op grond van artikel 9 Bhv vereist is dat ingevolge de milieuvergunning, aangevraagd en verleend in het in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, Bhv genoemde tijdvak, meer varkens (uitgedrukt in varkenseenheden) op het bedrijf mogen worden gehouden dan op grond van de oude vergunning op grond van de Hinderwet dan wel de Wet milieubeheer ten hoogste was toegestaan.

Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Blijkens het algemeen gedeelte van de NvT Bhv heeft artikel 9 Bhv betrekking op "bedrijven die vóór 10 juli 1997 bezig waren de productiecapaciteit binnen het voor deze bedrijven geldende mestproductierecht uit te breiden en daartoe concrete stappen hebben gezet". Het begrip productiecapaciteit verwijst naar hetgeen in feite ten hoogste kan worden geproduceerd, niet naar hetgeen rechtens ten hoogste mag worden geproduceerd.

In dit verband moet tevens in aanmerking worden genomen het gestelde in hoofdstuk 2 NvT Bhv, waar met betrekking tot artikel 9 Bhv wordt gesproken van "varkenshouders die bezig waren met uitbreiding van hun productie, terwijl de in 1995 en 1996 gehouden aantallen varkens nog niet representatief waren voor de beoogde bedrijfsomvang na uitbreiding".

Met betrekking tot het voorafgaande merkt het College op dat ook het begrip productie ziet op een feitelijke situatie en geen juridische betekenis heeft. Ook hieruit volgt dat vergroting van het varkensrecht met toepassing van artikel 9 Bhv aan de orde kan komen in geval van investeringen met het oog op een vergroting van het aantal feitelijk gehouden varkens.

Het College overweegt in dit verband voorts dat de door verweerder voorgestane interpretatie van artikel 9 Bhv, gelet op hetgeen op grond van het gestelde in hoofdstuk 2 NvT Bhv als ratio van deze bepaling kan worden aangemerkt, niet in de rede ligt. Naar moet worden aangenomen, beoogt artikel 9 Bhv (mede) te voorkomen dat omvangrijke investeringen van varkenshouders ter vergroting van de productie(capaciteit) binnen het toentertijd geldende mestproductierecht, gedaan vóórdat de contouren van de Whv zichtbaar zijn geworden, waardeloos zouden blijken. Hierbij gaat het om investeringen ter vergroting van het aantal feitelijk gehouden varkens (uitgedrukt in varkenseenheden).

Het vorenstaande leidt het College tot de slotsom dat verweerder is uitgegaan van een onjuiste interpretatie van artikel 9 Bhv. Anders dan verweerder meent, ziet deze bepaling op de situatie waarin vóór 10 juli 1997 investeringsverplichtingen zijn aangegaan met het oog op vergroting van het aantal varkens (uitgedrukt in varkenseenheden) dat feitelijk wordt gehouden.

5.3.2 Vervolgens is de vraag aan de orde of in dit geval uitsluitend aan de hand van de milieuvergunning, aangevraagd en verleend in het in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, Bhv genoemde tijdvak - eventueel vergeleken met de oude vergunning en met inachtneming van een eventuele verklaring van het bevoegd gezag over het verval van rechtswege van een gedeelte van de oude vergunning - dient te worden beoordeeld of sprake is van investeringen ten behoeve van vergroting van het aantal varkens.

Het College beantwoordt ook deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Uit artikel 9, eerste lid, Bhv en de NvT Bhv volgt dat, voorzover hier van belang, alleen op grond van een in het aldaar genoemde tijdvak aangevraagde en verleende milieuvergunning wordt aangenomen dat investeringsverplichtingen zijn aangegaan. Dat verweerder alleen een dergelijke vergunning zou mogen accepteren als bewijs dat de verplichtingen zijn aangegaan met het oog op vergroting van het aantal te houden varkens, kan niet worden afgeleid uit het bepaalde in het Bhv of het gestelde in de NvT Bhv.

In verband met het vorenoverwogene concludeert het College dat verweerder in dit geval artikel 9 Bhv op onjuiste wijze heeft uitgelegd en toegepast. Reeds hierom kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

Het College tekent hierbij aan dat de door verweerder gevolgde benadering een ongeoorloofde inperking inhoudt van de mogelijkheden tot het leveren van bewijs met betrekking tot het aanwezig zijn van een vergroting van het aantal te houden varkens, als vermeld in artikel 9, eerste lid, Bhv.

5.4 In verband met het vorenoverwogene zal het College het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellanten. Gelet op het tijdverloop sinds de door appellanten gedane meldingen ziet het College aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, Awb op te dragen binnen acht weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellanten.

Het College overweegt tenslotte dat het door appellanten betaalde griffierecht dient te worden vergoed, alsmede dat termen aanwezig zijn verweerder onder toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellanten, zijnde de kosten van de door hun gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met inachtneming van het Besluit bestuurskosten procesrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644 (1 punt ter waarde van € 322,-- voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 19 maart 2002 van verweerder;

- bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak opnieuw beslist op het bezwaarschrift van

2 juli 2001 van appellanten, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat het door appellanten betaalde griffierecht ten bedrage van € 218,-- (zegge: tweehonderdachttien euro) aan hen

wordt vergoed;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van appellanten, vastgesteld op € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro);

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die genoemde bedragen moet vergoeden.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr C.M. Wolters en mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 september 2002.

w.g. B. Verwayen w.g. B. van Velzen