Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE7541

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-07-2002
Datum publicatie
12-09-2002
Zaaknummer
AWB 01/536
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/536 26 juli 2002

29010 Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr R.G. Meester, advocaat te Amsterdam,

tegen

de burgemeester van Amsterdam, verweerder,

gemachtigde: mr H.C. van Esseveldt, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

1. De procedure

Op 12 juli 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 juni 2001.

Op 13 augustus 2001 heeft de president van het College een naar aanleiding van dit besluit door appellante gevraagde voorlopige voorziening geweigerd.

Op 31 oktober 2001 heeft verweerder voor zijn verweer verwezen naar het door hem in de voorlopige voorzieningenprocedure gevoerde verweer.

Bij brief van 12 december 2001 heeft appellante haar beroepschrift aangevuld.

Op 8 februari 2002 heeft een eerste onderzoek ter zitting plaatsgevonden door een enkelvoudige kamer van het College. Partijen hebben hierbij, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten toegelicht. Tevens was C, bedrijfsleider van D, aanwezig.

Het onderzoek ter zitting op 8 februari 2002 is geschorst, teneinde nadere informatie van verweerder te verkrijgen.

Bij brief van 28 februari 2002, voorzien van diverse bijlagen, heeft verweerder nadere informatie verschaft.

Bij brief van 28 maart 2002 heeft appellante gereageerd op deze nadere informatie.

Bij beschikking van 9 april 2002 heeft de behandelende enkelvoudige kamer van het College de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Bij brief van 7 mei 2002 heeft appellante nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 14 juni 2002. Partijen hebben hierbij, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten nader toegelicht. Tevens was C aanwezig.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet op de kansspelen (hierna: de Wet) luidt sinds 1 november 2000, voorzover hier van belang:

" Artikel 30

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1°. waar het café- en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2°. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

e. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld is in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

(…)

Artikel 30b

1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

(…)

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

(…).

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

c. (…).

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

b. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend, op twee wordt bepaald.

(…)."

De APV van de gemeente Amsterdam luidt, voorzover hier van belang:

" Hoofdstuk 3. Horecabedrijven

Art. 3.1

Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

(…)

h. avondzaak: een alcoholverstrekkend bedrijf met met een openingstijd van 20.00 tot 03.00 uur, en tot 04.00 uur in het weekeinde;

i. nachtzaak: een alcoholverstrekkend bedrijf in hoofdzaak in gebruik of bestemd voor het bieden van dansgelegenheid, met een openingstijd van 22.00 tot 04.00 uur, en tot 05.00 uur in het weekeinde;

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante exploiteert een horecagelegenheid onder de naam "D" op het adres E te B.

- Blijkens uittreksels van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam, gedateerd 20 augustus 1997 en 22 februari 2002, is D op deze data een nevenvestiging van appellante en drijft appellante deze vestiging sinds 21 maart 1994. Als bedrijfsomschrijving van D vermelden beide uittreksels "bar-dancing".

- Voor het uitoefenen van de horecagelegenheid is appellante op 4 september 1997 een vergunning verleend op grond van de Drank- en Horecawet. Tevens werd aan appellante op 4 september 1997 tot 1 september 2000 vergunning verleend voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten in haar inrichting.

- Op 23 september 2000 heeft een medewerker van het in opdracht van de gemeente werkende onderzoeksbureau Verispect de inrichting van appellante bezocht en rapport uitgebracht van de feitelijke situatie van die inrichting. De rapportage vermeldt onder meer:

" Het partycentrum wordt gezien als een discotheek en is daarom ook als laagdrempelig aangemerkt."

- De bedrijfsleider van appellante heeft bij formulier, gedagtekend 2 november 2000, een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning op grond van de APV met een sluitingstijd van 04.00 uur en voor een vergunning op grond van de Wet voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten. De aanvraag vermeldt onder meer:

"soort bedrijf: discotheek"

- Bij besluit van 21 december 2000 heeft verweerder geweigerd de gevraagde aanwezigheidsvergunning te verlenen.

- Bij brief van 6 januari 2001 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 december 2001.

- Op 20 februari 2001 heeft appellante haar bezwaar mondeling toegelicht ten overstaan van een door verweerder ingeschakelde bezwaarschriftencommissie.

- Op 23 februari 2001 heeft een medewerker van Verispect een tweede bezoek gebracht aan de inrichting van appellante en rapport uitgebracht van de feitelijke situatie van de inrichting. Bij deze rapportage is een "checklist voor hoog-laagdrempelige kwalificatie" overgelegd, alsmede een situatietekening van de inrichting van verzoekster. Deze rapportage vermeldt onder meer:

" Bedrijfssoort: laagdrempelig

(…)

Bij binnenkomst (portier) geen entreegelden.

De zaalruimte is voorzien van een grote bar aan de rechterzijde en een kleine aan de linkerkant. Aan de linkerkant na de kleine bar zijn toiletten aanwezig. Tegenover deze toiletten ligt een grote dansvloer waar zich boven deze dansvloer discolampen bevinden en bij binnenkomst ook in gebruik zijn. In het midden ook een dansvloer.

(…)

Bij navraag aan het personeel wordt er vanaf + 11.00 disco gedraaid met de aanwezigheid van een disc-jockey. Disc-jockey zelf hierover vragen gesteld.

Aanwezigheid van geluidsapparatuur is aan de rechterzijde van de grote bar aan de rechterkant hiervan.

Bezoek is gepleegd op vrijdag tussen 22.00?23.00."

- De bezwaarschriftencommissie heeft verweerder op 17 mei 2001 schriftelijk geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie. Dit advies luidt, voorzover hier van belang:

" De inrichting D is op 23 september 2000 bezocht door Verispect, een deskundig bureau op het terrein van de kansspelen. In zijn - overigens summiere - rapport concludeert Verispect dat de inrichting laagdrempelig is omdat aan het dansen een zelfstandige betekenis kan worden toegekend.

Het is niet zo dat (…) elke nachtzaak volgens de gemeente een discotheek is; elke horeca-inrichting wordt op de feitelijke situatie beoordeeld.

(…)

De commissie is van mening dat U Uw besluit om de kansspelautomaten-vergunning te weigeren kon stoelen op de door Verispect gemaakte kwalificatie van de inrichting als zijnde laagdrempelig. Er zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden aan het licht gekomen op grond waarvan U een ander besluit had moeten nemen.

(…)"

Ter zitting op 8 februari 2002 is namens verweerder het volgende verklaard:

" In Amsterdam zijn de horecabedrijven ingedeeld in dag- avond- en nachtzaken. D is een nachtzaak. Een vergunning daarvoor werd destijds verleend als het horecabedrijf als dancing/discotheek werd geëxploiteerd. Bij de inwerkingtreding van de gewijzigde wet op de kansspelen is een onderzoek gestart naar de hoog/laagdrempeligheid van horecabedrijven. Het bureau Verispect heeft D tweemaal bezocht en de inrichting als laagdrempelig beoordeeld. Voor de Burgemeester was ook van belang dat het bedrijf bij hem bekend was als discotheek. Daarvoor heeft hij gekeken naar de omschrijving door de exploitant zelf als discotheek en naar de inschrijving in het register van Kamer van Koophandel als bar-dancing. Bij D is de dansvloer ook daadwerkelijk als dansvloer ingericht en als zodanig herkenbaar. Er is gelet op de verlichting (er zijn discolampen), de aankleding en de plaats van de dj. De onderzoeken van Verispect bevestigden dit oordeel. De conclusie is dat sinds jaar en dag een exploitatievergunning wordt verleend voor een bar-dancing, hetgeen nooit door appellante is bestreden; er zijn twee dansvloeren en er wordt gedanst op live muziek dan wel op door een als disc-jockey fungerende barman verzorgde muziek.

(…)

In het aanvullend beroepschrift van 12 december 2001 wordt gesteld dat andere, met D vergelijkbare horecabedrijven als hoogdrempelig worden aangemerkt. Het gaat om de zaken: F, G, H, I, J en K. Voorts beroept appellante zich op de cafés I, J, L , M, N, O en de P. Ik merk daar het volgende over op.

F: bestaat niet meer;

G; laagdrempelig maar heeft geen kansspelautomaten en heeft deze ook niet aangevraagd;

H; hoogdrempelig omdat het als een café is ingericht. Uit de vergunningaanvraag en het uittreksel uit het Handelsregister blijkt ook dat het om een café gaat. De feitelijke constatering van de inspecterende ambtenaren luidt "hoogdrempelig omdat er weliswaar een open ruimte in de inrichting is maar deze is niet herkenbaar als dansvloer, en is ook niet als zodanig ingericht.

I; hiervoor geldt hetzelfde: geen dansvloer, géén discolampen en niet ingericht als dancing. Er bevindt zich wel een draaitafel maar deze is niet naar het publiek gericht.

J; door de inspecterende ambtenaren is feitelijk geconstateerd dat de open plek in de zaak niet is ingericht als dansvloer.

L (avondzaak); is een echt en wel heel klein café (38 m2). Ook uit het dossier is deze inrichting als café bij de gemeente bekend.

M; hiervoor geldt hetzelfde. Dit café heeft overigens geen kansspelautomaten en heeft deze ook niet aangevraagd.

N; uit het dossier is de inrichting bekend als café. Feitelijk onderzoek wordt nog verricht.

O; géén als zodanig ingerichte dansvloer.

Ten slotte de P; hiervoor is geen vergunning verleend en er is ook geen aanvraag."

In zijn brief van 28 februari 2002 heeft verweerder onder meer bericht:

" Ten aanzien van het horecabedrijf-nachtzaak J merk ik nog op dat de aanvraag "discotheek" vermeldt. De Burgemeester ging er ook vanuit dat dit bedrijf laagdrempelig was. Omdat bureau Verispect én de ambtelijke controle het horecabedrijf in twee instanties als hoogdrempelig beoordeelden, is het bedrijf door de Burgemeester, ondanks de aanvraag als discotheek, als hoogdrempelig aangemerkt. De eventuele gevolgen voor de nachtvergunning staan uiteraard los van onderhavige procedure.

De cafés N en O zijn avondzaken en staan daarom niet bekend als dansgelegenheid als bedoeld in artikel 3.1 onder i van de APV. Avondzaken zijn ook niet door Verispect op hun drempeligheid beoordeeld."

Ter zitting op 14 juni 2002 is namens verweerder onder meer verklaard:

" Vaststaat dat in D wordt gedanst. Dat wordt ook niet betwist. Zeker op vrijdag en zaterdag is de zaak vol en wordt er onder meer op de 2 podia volop gedanst. De politie heeft mij dit gisteren nog eens bevestigd. Incidenteel zijn er ook artiesten is er een optreden of wordt een thema avond georganiseerd. Zo organiseerde appellant onlangs een miss topless verkiezing en was er een zgn. hengstenbal. De zaak is ook ingericht om te dansen. Dat in rustige periodes niet wordt gedanst en dat er ook wel eens een avond niet wordt gedanst doet niet af aan het feit dat het horecabedrijf zich in alle opzichten manifesteert als een kleine discotheek. Daarmee is D een laagdrempelige inrichting in de zin van de Wet op de Kansspelen."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in haar beroepschrift - samenvattend weergegeven - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante had noch ten tijde van het besluit in primo, noch ten tijde van het bestreden besluit de beschikking over de rapportages van Verispect. Zij werd hierdoor belemmerd in haar mogelijkheid zich tegen het standpunt van verweerder te verweren. Ten tijde van de hoorzitting naar aanleiding van het bezwaarschrift beschikte verweerder over niet meer dan enkele summier weergegeven bevindingen van Verispect betreffende het bezoek van 23 september 2000. Nu appellante niet de gelegenheid kreeg zich uit te laten over bedoelde rapportages is bovendien artikel 7:9 Awb niet nageleefd.

Verweerder probeert door besluiten als de onderhavige met betrekking tot de aanwezigheidsvergunningen op een oneigenlijke manier het aantal nachtzaken terug te brengen. Er is dan ook sprake van détournement de pouvoir. D wil zijn nachtvergunning behouden én als hoogdrempelig worden aangemerkt.

Ten onrechte zijn de avondzaken buiten schot gebleven in het onderzoek van Verispect.

Niet voldoende is gemotiveerd waarom D laagdrempelig zou zijn. Het enkele feit dat in cafés wordt gedanst is, evenmin als het feit dat het dartspel of - op maximaal drie tafels - het biljartspel wordt beoefend dan wel wordt geschaakt, gedamd of gekaart, op zichzelf voldoende reden om de inrichting als laagdrempelig aan te merken. Van belang is of de laagdrempelige activiteiten in het teken staan van overwegend hoogdrempelige activiteiten, zoals het drinken van alcoholische drankjes. In D komen de gasten hoofdzakelijk voor het drinken van één of meer drankjes; dat de gasten af en toe dansen is bijzaak.

Er zijn meer cafés die vergelijkbare activiteiten als D verrichten, maar wel een aanwezigheidsvergunning verkregen. Voorbeelden zijn: N, O en nachtcafés als Q. Andere nachtcafés waar af en toe wordt gedanst zijn café R en bar J. Voor bijna alle Amsterdamse cafés geldt dat de gasten er met plezier "bewegen".

D richt zich op bezoekers vanaf 21 jaar.

In haar aanvullende beroepschrift van 12 december 2001 voert appellante aan:

" Zoals u bekend is cliënt van mening dat er tal van zogenaamde nachtzaken binnen de gemeente Amsterdam bestaan, welke qua exploitatie vergelijkbaar zijn met die van cliënt, welke wel als laagdrempelig vallen op te merken. Bijgaand doe ik u een kopie toekomen van de rapportage van Verispect BV aan de gemeente Amsterdam d.d. 12 oktober 2000 (…). Zoals u uit dit overzicht kunt afleiden vallen de zaken F, G, H, I, J en K in ieder geval op te vatten als hoogdrempelig. Deze lijst is overigens nog niet eens compleet. Cliënt is van mening dat zijn exploitatie niet afwijkt van voren genoemden bedrijven, althans niet tot de conclusie mag worden gekomen dat deze bedrijven wel als hoogdrempelig kunnen worden gekwalificeerd doch niet het bedrijf van cliënt. Tevens wenst cliënt hierbij op te merken dat er bij al deze zaken geen sprake is van een "foutje" in de constatering van de burgemeester c.q. Verispect BV.

Vervolgens is cliënt van mening dat ook tal van dag- en avondzaken qua exploitatie vergelijkbaar aan met die van cliënt zijn. Aan tal van dag- en avondzaken, met het vergelijkbare exploitatie met die van cliënt, is door de burgemeester van Amsterdam ook onder het regime van de vernieuwde wet op de Kansspelen een kansspelvergunning verleend. Ondermeer valt ondermeer te denken aan Cafe's I, J, L, K, M, N, O en de P. Hierbij zij verwezen naar het bijgevoegde overzicht (…) welk overzicht als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd."

In haar brief van 28 maart 2002 heeft appellante gesteld:

" H heeft een middenbar, links achter in de hoek ligt een dansvloer. Er is gekleurd licht aanwezig. Cafe I heeft eveneens sfeerverlichting. Net zoals bij Cafe D zijn er veel barkrukken aanwezig. Cafe N heeft vlak bij de ingang, aan de voorzijde, een dansvloer. Er is gekleurde verlichting aanwezig. Daarnaast is er een podium aanwezig waar 2 'chromen danspalen' zijn gesitueerd. De burgemeester gaf tijdens de zitting aan dat onderzoek nog werd verricht. Echter zijn de uitkomsten van dit onderzoek voor de burgemeester niet overlegd. In Cafe O wordt achterin gedanst en is gekleurde verlichting aanwezig.

Bij de horeca-inrichting J wordt een 'open plek' geconstateerd, waar wordt gedanst. Bij deze nachtzaak wordt dit wel geaccepteerd. Deze open plek zou niet ingericht zijn als dansvloer. Client vraagt zich af hoe een open plek kan zijn ingericht en afwijkt van zijn situatie.

Alle genoemde horeca-inrichtingen zijn vergelijkbaar met die van client. (…)

Cliënt is op grond van het voorgaande van mening dat de Burgemeester niet overtuigd heeft kunnen weerleggen dat de genoemde zaken H, I, J, N en O zullen op te vatten als vergelijkbare zaken waarbij het gelijkheidsbeginsel zou moeten opgaan. Integendeel; de Burgemeester blijkt niet in staat te zijn om de gelijkheid tussen deze zaken onderbouwd te weerleggen."

In haar brief van 7 mei 2002 heeft appellante bericht:

" Zojuist is mij ter hand gesteld door de gemeente Amsterdam de volledige onderzoekslijst van bureau Verispect, omtrent de hoog/laagdrempeligheid van "nachtzaken".

In de eerdere stukken heeft cliënt slechts een beroep kunnen doen op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de eerste pagina van de rapportage van Verispect d.d. 12/10/2000, daar er - ondanks herhaalde verzoeken tot overleggen van de stukken - geen nadere pagina' s door de gemeente werden verstrekt. Inmiddels is cliënt aldus in het bezit van de totale rapportage.

Zoals u uit het overige deel van de rapportage kunt afleiden, zijn er binnen de gemeente Amsterdam een groot aantal andere nachtzaken welke door het bureau Verispect als hoogdrempelig worden aangemerkt. Ook in die gevallen wordt op een simplistische wijze vastgesteld of er sprake is van een al dan niet hoogdrempeligheid, ook een groot deel van deze zaken zijn qua exploitatie en inrichting vergelijkbaar met die van cliënt.

Cliënt zal graag zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel aanvullen op een wijze welke u hem zal toestaan."

Ter zitting op 14 juni 2002 heeft appellante ter aanvullende onderbouwing van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel in het bijzonder gewezen op de volgende op bladzijde 2 van de Toetsingslijst van Verispect van 12 oktober 2000 vermelde inrichtingen: S, T en Q.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 30, aanhef en onder d, van de Wet kan een inrichting slechts als hoogdrempelig worden aangemerkt, indien - voorzover hier van belang - hier naast het cafébezoek geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend.

Of in een bepaald café sprake is van dergelijke activiteiten zal per geval moeten worden vastgesteld aan de hand van gegevens omtrent de desbetreffende inrichting, waarbij in het bijzonder de feitelijke situatie en gang van zaken van belang zijn.

Zeker in het geval van een gemeente met een groot aantal inrichtingen die moeten worden beoordeeld op hetzelfde aspect - in deze zaak: of sprake is van dansen als activiteit met zelfstandige betekenis - ligt het op de weg van de burgemeester om duidelijk te maken welke criteria hij bij deze beoordeling hanteert en welk gewicht hij hierbij toekent aan het resultaat van de toetsing aan elk van deze criteria. Ten aanzien van de vraag of verweerder op dit punt tekort is geschoten, overweegt het College als volgt.

In haar brief van 28 maart 2002 heeft appellante, aan de hand van een door haar gegeven beschrijving van de situaties ter plaatse, aangegeven dat in de horecagelegenheden H, N, O en J sprake is van een wijze van inrichting van de ruimte, die erop duidt dat wordt gedanst; verweerder heeft deze gelegenheden als hoogdrempelig aangemerkt.

Ter zitting van 14 juni 2002 heeft verweerder aangegeven dat hem onbekend is of hetgeen appellante stelt met betrekking tot de feitelijke situatie in H juist is, dat N een twijfelgeval vormt en dat de inrichting van I zoals door appellante beschreven gelijkenis vertoont met de inrichting van D. Verweerder heeft niet kunnen aangeven in hoeverre voor wat betreft het bieden van dansgelegenheid verschil bestaat tussen beide laatstgenoemde inrichtingen.

De inrichtingen H, N en I worden naar verklaring ter zitting door verweerder nader onderzocht. Dit geldt ook voor de inrichting J, die door haar bedrijfsleider in diens "Aanvraag voor vergunningen horecabedrijf" van 8 december 1999 wordt aangemerkt als discotheek, maar door verweerder als hoogdrempelig is aangemerkt. Indien zal blijken dat een of meer van de vier inrichtingen met F vergelijkbaar zijn, zal volgens verweerder actie in hun richting worden ondernomen. Desgevraagd verklaarde verweerder niet - ook niet bij benadering - te kunnen aangeven op welk moment een dergelijke actie, indien deze geraden zou worden geoordeeld, valt te verwachten.

Met betrekking tot inrichting O heeft verweerder ter zitting van 14 juni 2002 de door appellante gegeven weergave van de situatie weersproken en ontkend dat er wordt gedanst, maar zijn standpunt niet met enig schriftelijk verslag van bevindingen onderbouwd.

De ter zitting van 8 februari 2002 betrokken stelling dat O niet beschikt over een "als zodanig ingerichte dansvloer" is onvoldoende om deze onderbouwing te kunnen geven, nu geen inzicht wordt geboden in de indeling van het café, het al dan niet aanwezig zijn van voor het dansen relevante voorzieningen en het feitelijk gebruik van de ruimte in het café.

Van de ter zitting van 14 juni 2002 door appellante genoemde inrichtingen die op bladzijde 2 van de Toetsingslijst van Verispect stonden, heeft zij al eerder - in het oorspronkelijke beroepschrift - Q vermeld als inrichting met vergelijkbare activiteiten als die welke in D plaatsvinden, terwijl Q wel over een aanwezigheidsvergunning beschikt. Een op de feitelijke situatie toegespitst verweer met betrekking tot deze inrichting ontbreekt evenwel, zodat niet valt na te gaan of tussen deze inrichting en D verschillen bestaan, die voor de toepassing van de Wet relevant zijn en rechtvaardiging kunnen vormen voor een verschillende benadering.

Het vorenstaande leidt het College tot de gevolgtrekking dat bij gebreke van gedetailleerde gegevens betreffende de verschillende inrichtingen, en bij de twijfel of verweerder zijn eerdere beoordelingen van bepaalde andere inrichtingen zal handhaven of wijzigen, onvoldoende vaststaat waar verweerder in situaties als de onderhavige de grens trekt tussen hoog- en laagdrempeligheid. Aldus blijft onduidelijk welke criteria verweerder bij zijn beoordeling hanteert en welk gewicht hij toekent aan het resultaat van zijn toetsing aan elk van deze criteria. Zonder dat hieromtrent duidelijkheid bestaat, is een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet mogelijk.

Bij deze stand van zaken kunnen de omschrijving van D in de "Aanvraag vergunningen horecabedrijf" (als discotheek) en in het handelsregister (als bar-dancing) op zichzelf geen rechtvaardiging vormen voor de kwalificatie laagdrempelig, nu verweerder andere nachtzaken die volgens artikel 3.1, aanhef en onder i, van de APV in hoofdzaak in gebruik of bestemd zouden moeten zijn voor het bieden van dansgelegenheid, wel als hoogdrempelig heeft aangemerkt.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verweerder dient opnieuw op het bezwaarschrift van 6 januari 2001 te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

Het College ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van 6 januari 2001 beslist, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, onder aanwijzing van de gemeente

Amsterdam als rechtspersoon die deze kosten aan appellante dient te vergoeden;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het griffierecht vergoedt ten bedrage van € 204,20.

Aldus gewezen door mr M.J. Kuiper, mr C.J. Borman en mr F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2002.

w.g. M.J. Kuiper w.g. R.P.H. Rozenbrand