Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE7533

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
12-09-2002
Zaaknummer
AWB 01/908
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen 1 onder m, geldigheid: 2002-07-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/908 3 juli 2002

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J. Teigeler, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 27 november 2001 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 oktober 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de hoogte van de aan hem bij besluit van 1 december 2000 toegekende akkerbouwsubsidie op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 8 februari 2002 een verweerschrift ingediend.

Op 22 mei 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen - appellant in persoon en verweerder bij monde van zijn gemachtigde - hun standpunten nader hebben toegelicht. Appellant werd ter zitting bijgestaan door C uit D.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 is voorzover hier van belang het volgende bepaald:

"Artikel 3

Het in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde identificatiesysteem wordt zo opgezet dat het betrekking heeft op de percelen landbouwgrond. De Lid-Staten kunnen besluiten te werken met een andere eenheid dan een perceel landbouwgrond zoals een kadastraal omschreven perceel of een blok cultuurgrond. In dit geval nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te garanderen dat de percelen landbouwgrond op betrouwbare wijze worden geïdentificeerd, met name door de verlangen dat de steunaanvragen "oppervlakten" vergezeld gaan van de door de bevoegde instanties bepaalde gegevens of documenten die het mogelijk maken elk perceel landbouwgrond te lokaliseren en te meten.

Artikel 4

1. Onverminderd de eisen die in de sectoriële verordeningen worden gesteld, moet een steunaanvraag "oppervlakten" alle nodige gegevens bevatten, en met name:

- (…)

- de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf benodigde gegevens, de oppervlakte van deze percelen, hun ligging, het gebruik ervan (…) en de betrokken steunregeling,

(…)

Artikel 6

1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen (…) is gewaarborgd.

(…)

8. Of de percelen landbouwgrond voor een regeling in aanmerking komen, wordt nagegaan met behulp van ieder geschikt middel. Indien nodig worden daartoe aanvullende bewijzen verlangd.

(…)

Artikel 9

1. (…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is."

In artikel 1, aanhef en onder m, van de Regeling is het begrip perceel, voorzover hier van belang, gedefinieerd als "aaneengesloten oppervlakte die daadwerkelijk wordt benut voor de teelt van een akkerbouwgewas", die is gelegen in één productieregio.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft met gebruikmaking van het daarvoor bestemde formulier op 15 mei 2000 een aanvraag op grond van de Regeling ingediend. De aanvraag heeft onder meer betrekking op het met volgnummer 2 vermelde topografische perceel 18422.35851, dat volgens opgave van appellant is beteeld met maïs en een beteelde oppervlakte heeft van 4 ha.

- Bij brief van 20 november 2000 heeft het agentschap LASER aan appellant meegedeeld dat de topografische oppervlakte van voormeld perceel totaal 623 are is, maar dat uit optelling van de door appellant en andere aanvragers met betrekking tot dit perceel ingediende aanvragen is gebleken dat de totale aangevraagde oppervlakte 683 are bedraagt. Hierbij is meegedeeld dat LASER voornemens is het verschil tussen de totale aangevraagde en de topografische oppervlakte proportioneel te verdelen tussen appellant en de andere aanvragers. Appellant wordt verzocht de reden van overschrijding van de perceelsoppervlakte aan te geven danwel, indien hij van mening is dat de door LASER geregistreerde topografische oppervlakte onjuist is, hiervan objectief bewijsmateriaal - zoals een onafhankelijk meetrapport - te overleggen. Voorts raadt LASER appellant aan contact op te nemen met de andere aanvragers, voorzover deze bij appellant bekend zijn.

- Appellant heeft bij brief van 24 november 2000 gereageerd. Hierin stelt hij, onder verwijzing naar bij deze brief gevoegde afschriften van kadastrale gegevens en een voorlopig koopcontract met betrekking tot het perceel, kadastraal bekend gemeente Hunsel, Sectie F, m 243, dat het bij hem in gebruik zijnde gedeelte van het onderhavige topografische perceel bestaat uit de percelen kadastraal bekend gemeente Hunsel, Sectie F, nrs. 243, groot 3.22.80 ha, en 245, groot 1.05.05 hectare, zodat de door hem voor dit perceel opgegeven oppervlakte van 4 ha nog iets te weinig is. Voorts deelt hij mee dat de reden van de overschrijding van de totale oppervlakte van het topografische perceel voor hem niet duidelijk is en dat hem niet bekend is wie de andere aanvragers met betrekking tot dit perceel zijn.

- Bij besluit van 1 december 2000 is de aanvraag van appellant gedeeltelijk afgewezen op de grond dat het verschil tussen de voor het gewas maïs opgegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte 5,26 % van de geconstateerde oppervlakte bedraagt, zodat de geconstateerde oppervlakte minus twee keer het vastgestelde verschil wordt uitbetaald.

- Tegen voormeld besluit heeft appellant bij brief van 4 januari 2001 bezwaar gemaakt. Hierin stelt appellant dat hij het in het licht van de door hem overgelegde gegevens onbegrijpelijk vindt dat ervan uit wordt gegaan dat hij in zijn aanvraag een te grote oppervlakte maïs zou hebben opgegeven en dat LASER wat hem betreft het perceel, waarop nog waarneembaar is dat in het seizoen 2000 korrelmaïs is geteeld, kan komen opmeten.

- Bij brief van 14 augustus 2001 aan LASER heeft appellant meegedeeld dat hij geen gebruik wenst te maken van de gelegenheid gehoord te worden en dat hij van mening is dat hij voldoende bewijsmateriaal met betrekking tot de juiste oppervlakte van het in geschil zijnde perceel heeft aangedragen.

- Bij brief van 21 augustus 2001 heeft LASER appellant verzocht alsnog binnen twee weken een kopie van het definitieve koopcontract en een kopie van de kadastrale kaart van het perceel op te sturen, aan welk verzoek appellant bij schrijven van 3 september 2001 heeft voldaan. Hierbij heeft appellant op de door hem bijgevoegde kadastrale kaart de door hem beteelde oppervlakte ingetekend en voorts meegedeeld dat het kadastrale perceelsnummer F 245 is gewijzigd in F 1139, dat dit perceel een totale oppervlakte heeft van 1.30.60 ha en dat daarvan 1.05.05 ha in gebruik is voor de landbouw.

- Op 18 september 2001 heeft LASER telefonisch informatie ingewonnen bij appellant, waarbij appellant voorzover hier van belang heeft meegedeeld dat aan de onderkant en langs 2/3 van de rechterkant van het perceel met het kadastrale nummer F 243 gedeeltelijk een sloot loopt, welke sloot wordt onderhouden door het waterschap.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- Bij brief van 4 januari 2002 heeft LASER naar aanleiding van het door appellant ingediende beroepschrift aan de afdeling rechtsbescherming van verweerders ministerie, voorzover hier van belang het volgende bericht:

" Voor de berekening van de topagrafische oppervlakte heeft de Topografische Dienst Nederland de oppervlakte van sloten smaller dan 6 meter bij de aangrenzende topografische percelen getrokken. Dit houdt in dat, voor het bepalen van de topografische oppervlakte van deze percelen, bij elk perceel de helft van de oppervlakte van de aangrenzende sloot bij de topografische oppervlakte wordt opgeteld.

Als sloten breder zijn dan 6 meter worden ze als afzonderlijk vlak afgebeeld op de bedrijfskaart. Bij percelen omgeven door sloten smaller dan 6 meter is het dus niet zo dat de topografische oppervlakte altijd de maximaal beteelbare oppervlakte is.

Indien op een bepaald perceel de maximaal beschikbare topografische oppervlakte wordt overschreden, dan schrijft LASER de aanvrager(s) van het betreffende perceel aan. (…) Indien onvoldoende wordt gereageerd op de aanschrijving, heeft dit als consequentie dat er een korting plaatsvindt in de Aanvraag oppervlakten bij één of meerdere personen. Bij brief van 20 november 2000 is de heer A verzocht (…) aan te geven wat de reden van de overschrijding van de perceelsoppervlakte is. Hierop heeft hij (…) gereageerd met als bewijsstukken een uittreksel van het voorlopig koopcontract en een uittreksel van het eigendomsbewijs.

LASER kan een verzoek om de topografische oppervlakte aan te passen alleen in overweging nemen als de aanvrager objectief bewijsmateriaal overlegt, zoals een onafhankelijk meetrapport. Dit meetrapport moet in ieder geval bevatten; de gemeten beteelde oppervlakte, de datum van het onderzoek, de meetmethode en een situatieschets. Aan het schrijven van appellant was dergelijk bewijsmateriaal niet toegevoegd. (…)

Appellant had voor het betreffende perceel 4 hectare aangevraagd. Door andere aanvragers was in totaal 2,83 hectare aangevraagd. In totaal was dus 6,83 hectare aangevraagd, terwijl de topografische oppervlakte maar 6,23 hectare is. Aangezien geen enkele aanvrager voldoende bewijs heeft overlegd om aan te tonen dat de aangevraagde oppervlakte overeenkomt met de topografische oppervlakte, zijn de aanvragers alledrie evenredig gekort. De aanvraag van appellant is daardoor teruggebracht tot 3,65 hectare ((400:683) x 623).

De opmerking over het feit dat er een sloot langs een gedeelte van het perceel loopt is bedoeld om te verklaren waarom de beteelde oppervlakte kleiner is dan de topografische en kadastrale oppervlakte. (…) Op basis van een gemaakte schatting van de breedte en de lengte van deze sloot ben ik tot de conclusie gekomen dat het verschil in oppervlakte hierdoor wordt veroorzaakt.

Overigens wijs ik erop dat mij bij de voorbereiding van dit advies is gebleken dat het perceel in januari 2000 is ontstaan uit drie andere percelen. Het perceel van de heer A, welke is opgegaan in het huidige perceel, had toen een topografische oppervlakte van 4,08 ha. In 1999 heeft de heer A dit perceel aangevraagd voor 4 hectare, en zijn aanvraag is voor dat jaar goedgekeurd. De sloot rondom het perceel was toen ook al aanwezig, waardoor het niet valt uit te sluiten dat de beteelde oppervlakte toen ook al kleiner was. (…)

Gelet op het bovenstaande acht ik het aannemelijk dat de beteelde oppervlakte die voor een subsidie in aanmerking komt kleiner is dan de door de heer A aangevraagde oppervlakte."

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

" Uit uw bezwaarschrift blijkt, dat de kadastrale oppervlakte van bovengenoemd perceel 0,2785 hectare meer bedraagt dan de aangevraagde oppervlakte.

Op het verzoek om aan te tonen dat uw aangevraagde oppervlakte correct is, heeft u gereageerd door, zowel bij uw reactie van 24 november 2000 als bij uw bezwaarschrift een uittreksel van het kadaster en een uittreksel van een voorlopig koopcontract toe te voegen. Op verzoek van LASER heeft u bij brief van 3 september 2001 nog een kadastrale kaart en een koopakte van het perceel met sectienummer F 243 opgestuurd.

Uit de overgelegde bewijsstukken blijkt dat het perceel met volgnummer 2, (topografisch perceelsnummer 18422.35851) uit twee kadastrale percelen bestaat, namelijk perceel F 243 en perceel F 1139. Eerstgenoemd perceel heeft een kadastrale oppervlakte van 3,2280 hectare, laatstgenoemd perceel heeft een kadastrale oppervlakte van 1,0360 hectare, dus het totale perceel heeft een kadastrale oppervlakte van 4.26.40 hectare. Het perceel met het kadastrale nummer F 1139 is kadastraal echter groter dan op de topografische kaart. Op de topografische kaart is van het bovenste hoekje van dit perceel een apart perceel gemaakt met het topografische nummer 18409.35863. Dit perceel heeft een topografische oppervlakte van 0,18 hectare. Het betreffende perceel is niet door u aangevraagd en moet derhalve van de kadastrale oppervlakte van 4,26,40 hectare worden afgetrokken. Er blijft dan een kadastrale oppervlakte van 4,08,40 hectare over. De topografische oppervlakte van het door u aangevraagde deel van het perceel is niet duidelijk omdat er door meerdere aanvragers een deel van het perceel is aangevraagd.

Voor de toekenning van een bijdrage in het kader van de Regeling, wordt uitgegaan van de beteelde oppervlakte en dus niet van de kadastrale oppervlakte.

In artikel 1, onder m, van de Regeling wordt bepaald, dat onder perceel wordt verstaan de aaneengesloten oppervlakte die daadwerkelijk wordt benut voor de teelt van een akkerbouwgewas(….), welke is gelegen in een produktieregio.

Voor de goede orde zij vermeld, dat de beteelde oppervlakte in principe gelijk is aan of kleiner is dan de topografische oppervlakte. Voorts is de topografische oppervlakte gelijk aan of kleiner dan de kadastrale oppervlakte. Tijdens het telefonisch contact dat LASER op 18 september 2001 met u heeft gehad, is gebleken dat er rond het perceel met nummer F 243 gedeeltelijk een sloot loopt. Deze is bij de topografische oppervlakte inbegrepen, maar is niet beteelbaar en moet derhalve van de totale oppervlakte worden afgetrokken. Gezien de oppervlakte van perceel 2 acht ik het aannemelijk dat er voor de sloot nog eens 43 are van de totale oppervlakte af gaat. Er blijft dan een beteelbare oppervlakte van 3,65 hectare over.

LASER kan een verzoek om de topografische oppervlakte aan te passen alleen in overweging nemen als u objectief bewijsmateriaal overlegt, zoals een onafhankelijk meetrapport. Dit meetrapport moet in ieder geval bevatten; de gemeten beteelde oppervlakte, de datum van het onderzoek, de meetmethode en een situatieschets. Aan uw schrijven heeft u dergelijk bewijsmateriaal niet toegevoegd."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Met de reeds in bezwaar overgelegde gegevens meent appellant genoegzaam te hebben aangetoond dat het onderhavige perceel groter is dan de door hem aangevraagde 4 ha.

Ten onrechte wordt in het bestreden besluit gemakshalve aangenomen dat met de deels langs dit perceel liggende "sloot" het verschil tussen de opgegeven en door verweerder aangenomen oppervlakte kan worden verklaard. Naar de mening van appellant is overigens geen sprake van een sloot, doch slechts van een greppel die zeker geen oppervlakte van 43 are heeft.

Appellant heeft inmiddels een meting van het perceel laten verrichten door ing. W.J.B. Dericks van de rijksdienst voor oudheidkundig bodemonderzoek. Blijkens diens meetresultaat van 21 januari 2002 is de beteelde oppervlakte 3.96.58 ha. Het geringe verschil tussen deze oppervlakte en de aangevraagde kan naar de mening van appellant worden verklaard uit het feit dat hij in verband met het ter plaatse geldende lozingsbesluit verder uit de kant is gebleven dan in het verleden het geval was.

In ieder geval blijkt uit dit meetresultaat dat verweerder bij de toekenning van de subsidie een te grote korting heeft toegepast.

5. Het nadere standpunt van verweerder

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat appellant er bij brief van 20 november 2000 op is gewezen dat slechts objectief bewijsmateriaal, zoals een onafhankelijk meetrapport, aanleiding kan geven om de bij verweerder bekende topografische gegevens met betrekking tot een perceel aan te passen.

Nu de door appellant overgelegde gegevens niet als objectief bewijsmateriaal met betrekking tot de daadwerkelijk beteelde oppervlakte kunnen worden aangemerkt en de andere twee aanvragers in het geheel niet hebben gereageerd op de mededeling dat met de totaal voor het onderhavige perceel aangevraagde oppervlakte de topografische oppervlakte van het perceel werd overschreden, is verweerder terecht tot een evenredige korting van de drie aanvragen, waaronder die van appellant, overgegaan.

De eerst ter zitting door appellant vermelde meting door de dienst voor oudheidkundig bodemonderzoek kan hieraan, reeds gelet op het feit dat deze ten tijde van het bestreden besluit nog niet bekend was, niet afdoen.

Anders dan appellant veronderstelt is met de overwegingen in het bestreden besluit met betrekking tot de aangrenzende sloot niet bedoeld het verschil met de aangevraagde oppervlakte van 43 are te verklaren, doch slechts om voor appellant duidelijk te maken hoe het kan dat de kadastrale oppervlakte afwijkt van de topografische en de beteelde oppervlakte.

6. De beoordeling van het geschil

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht de toegepaste korting op de subsidietoekenning aan appellant heeft gehandhaafd.

Het College beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor in rubriek 2.1 is weergegeven, is verweerder op grond van artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 gehouden in de daar bedoelde situatie de korting van tweemaal het vastgestelde verschil toe te passen, indien wordt vastgesteld dat de aangevraagde oppervlakte groter is dan de feitelijk geconstateerde oppervlakte.

Van een feitelijk geconstateerde oppervlakte van het met volgnummer 2 in de aanvraag van appellant opgegeven perceel is evenwel geen sprake.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit, mede aan de hand van een geschatte oppervlakte van de deels langs het onderhavige perceel gelegen sloot, zijn eerdere beslissing tot een pro rata korting van de door appellant voor dit perceel aangevraagde oppervlakte gehandhaafd.

Noch de ten aanzien van appellant - evenals de andere twee aanvragen met betrekking tot het onderhavige topografische perceel - toegepaste pro rata korting, noch de aan de hand van een geschatte oppervlakte van de sloot veronderstelde beteelbare oppervlakte kan gelet op de hiervoor in rubriek 2.1 weergegeven bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3887/92, in onderlinge samenhang beschouwd, als een door verweerder(s uitvoeringsinstanties) feitelijk geconstateerde oppervlakte worden aangemerkt.

Reeds op deze grond was verweerder gelet op artikel 9, tweede lid, van deze verordening niet bevoegd tot de door hem toegepaste korting over te gaan.

Het bestreden besluit komt derhalve wegens strijd met voormeld artikellid van Verordening (EEG) nr. 3887/92 voor vernietiging in aanmerking.

Het beroep is gegrond.

Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

7. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van appellant beslist met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 102,10 (zegge: honderdentwee

euro en tien eurocent) vergoedt.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr M.A. van der Ham en mr H.G. Lubberdink, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002.

w.g. C.M. Wolters w.g. R.P.H. Rozenbrand