Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE7246

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-08-2002
Datum publicatie
04-09-2002
Zaaknummer
AWB 00/642
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Elektriciteitswet 1998 36, geldigheid: 2002-08-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/642 2 augustus 2002

18050 Elektriciteitswet 1998

Uitspraak in de zaak van:

Nederlands Elektriciteit Administratiekantoor B.V. (voorheen: Samenwerkende Elektriciteitsproductiebedrijven N.V.), te Arnhem, appellante,

gemachtigde: mr J.K. de Pree, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen

de Directeur van de Dienst uitvoering en toezicht energie (tot 1 augustus 2002: de Directeur van de dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet), te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr A.Th. Meijer, advocaat te 's-Gravenhage.

1. De procedure

Op 31 juli 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 juni 2000.

Bij dat besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen het Besluit van 30 september 1999 tot vaststelling van de tariefstructuren, bedoeld in artikel 26e (thans: artikel 36) van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: de TarievenCode), ongegrond verklaard.

Appellante heeft op 1 november 2000 de gronden van het beroep ingediend.

Een aantal elektriciteitsproducenten heeft zich op 22 december 2000 gewend tot de president van het College met het verzoek onder meer het aangevallen besluit bij wege van voorlopige voorziening te schorsen. Dit verzoek is afgewezen bij uitspraak van de president van 22 maart 2001, nrs. Awb 01/01 t/m 01/05.

Verweerder heeft op 28 februari 2001 een verweerschrift ingediend.

Bij beschikking van 17 oktober 2001 heeft het College beslist op het verzoek van verweerder om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten aanzien van een aantal producties.

Bij brief van 22 oktober 2001 heeft appellante het College desgevraagd bericht er niet mee in te stemmen dat het College op grond van de als vertrouwelijk aangemerkte stukken uitspraak doet.

Verweerder heeft bij brief van 19 april 2002 nog enige nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2002. Bij deze gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt toegelicht.

2. De uitspraak in de zaak AWB 00/641

Bij uitspraak van heden in de zaak AWB 00/641, waarvan de behandeling ter zitting gelijktijdig met het voorliggende beroep heeft plaatsgevonden, is beslist op het beroep dat is ingesteld door een aantal elektriciteitsproducenten tegen de artikelen 3.4.1 en 3.5.1 van de TarievenCode, welke bepalingen strekken tot het invoeren van een landelijk uniform producenten transporttarief (LUP). Appellante heeft te dien aanzien gelijkluidende grieven naar voren gebracht en ter zitting naar het betoog in die zaak verwezen. Het College volstaat daarom voor wat betreft die grieven met een verwijzing naar de uitspraak in genoemde zaak 00/641, die is aangehecht aan deze uitspraak en waarbij het beroep ongegrond is verklaard.

3. Het bestreden besluit voor zover niet aan de orde in AWB 00/641

Met betrekking tot het bezwaar van appellante dat bij de vaststelling van het LUP geen rekening is gehouden met de afspraken die onder de gelding van het Protocol zijn gemaakt met de bijzondere grootverbruikers heeft verweerder als volgt overwogen:

" Voorshands gaat de Directeur Dte er van uit dat de SEP bij de vaststelling van de bedragen die zij aan de grootverbruikers op basis van het Protocol aan de distributiebedrijven in rekening brengt, op adequate wijze al de kosten van de hoogspanningsnetten heeft meegenomen. Voor zover de SEP met de vaststelling van de bedragen geen rekening heeft gehouden met deze kosten zal dit naar de mening van de Directeur Dte voor haar risico zijn.

Verder kan erop gewezen, dat de Minister heeft aangegeven een verzoek tot wijziging van het Protocol te zullen beoordelen binnen de randvoorwaarden van een stabiele overgang naar een geliberaliseerde markt en daarbij uiteraard rekening te zullen houden met het belang om de Nederlandse sector een perspectiefvolle start in de nieuwe marktomgeving te verschaffen. De directeur Dte is verder van mening dat mogelijke nadelige financiële consequenties van de invoering van het LUP tarief behoren tot het normale bedrijfsrisico van de bij deze private contracten betrokken partijen behoren. Deze zullen hun onderlinge verhoudingen nader moeten bespreken en eventueel die overeenkomsten moeten heroverwegen."

4. De grieven van appellante voorzover niet besproken in AWB 00/641

Op basis van artikel 32 van de Elektriciteitswet 1989 konden zeer grote gebruikers opteren voor een bijzonder tarief dat aansloot bij de tarieven in de omringende landen. Er zijn in Nederland acht bijzondere grootverbruikers die van deze bevoegdheid gebruik hebben gemaakt en een sterk afwijkend tarief hebben. Gezien de wijze van tariefstelling maakten de kosten van de elektriciteitsnetwerken normaliter geen onderdeel uit van het tarief dat aan deze klanten in rekening werd gebracht. Bij het vaststellen van de TarievenCode had rekening moeten worden gehouden met de positie van de bijzondere grootverbruikers. Het is onzeker of de transporttarieven - zowel het LUP als de gebruikerstarieven - bij deze categorie verbruikers in rekening kunnen worden gebracht. De weerlegging door verweerder van deze grief in het bestreden besluit is onbegrijpelijk. Ten onrechte gaat verweerder ervan uit dat het Protocol - de afspraak tussen appellante, de elektriciteits-producenten en de distributiebedrijven voor de jaren 1997-2000 - betrekking heeft op de bijzondere grootverbruikers. Eveneens ten onrechte veronderstelt verweerder dat in het tarief voor de bijzondere grootverbruikers de transportkosten zijn begrepen. Deze kosten werden niet in rekening gebracht. Mede als gevolg van deze onjuiste veronderstelling menen de bijzondere grootverbruikers dat zij de transporttarieven die inmiddels door de netbeheerders in rekening worden gebracht in mindering kunnen brengen op de tarieven voor afgenomen elektriciteit.

Voorts had in de TarievenCode in elk geval voor importen onder de in het verleden gesloten importcontracten geen verplichting c.q. bevoegdheid om een producententarief te heffen, mogen worden opgenomen.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge de Elektriciteitswet 1998 wordt door de netbeheerders een transporttarief in rekening gebracht, ook bij bijzondere grootverbruikers, die een contract hebben afgesloten onder de gelding van artikel 32 van de Elektriciteitswet 1989. Dit kan ertoe leiden dat deze grootverbruikers worden geconfronteerd met een tariefsverhoging. Appellante verwacht dat deze bijzondere grootverbruikers, nu in de TarievenCode voor dit probleem geen oplossing is voorzien, zullen pogen de toegenomen kosten af te wentelen op onder meer appellante.

Naar het oordeel van het College is geen rechtstreeks belang van appellante betrokken bij het ontbreken van een regeling voor de bijzondere grootverbruikers als bedoeld. Weliswaar is appellante betrokken bij de contracten met bedoelde afnemers, maar haar positie in dit kader wordt door het in rekening brengen van het transporttarief niet rechtstreeks beïnvloed.

Evenmin wordt appellante rechtstreeks in haar belang getroffen door het feit dat in de TarievenCode met betrekking tot het LUP geen uitzondering is gemaakt voor elektriciteit die geleverd wordt door de buitenlandse producenten A, B en C, op basis van oude contracten waarin met een dergelijke heffing geen rekening is gehouden. Niet appellante, maar genoemde buitenlandse producenten zijn het producenten-transporttarief verschuldigd. Ook op dit punt is daarom alleen sprake van een afgeleid belang.

Het bezwaar van appellante had derhalve, gelet op artikel 1:2 Awb, in zoverre niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Nu verweerder dat niet heeft gedaan, is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor wat betreft dit onderdeel in aanmerking voor vernietiging.

Het College zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Doende wat verweerder had moeten doen wordt het bezwaar, voor zover gericht tegen het ontbreken in de TarievenCode van een regeling ten aanzien van de contracten met bijzondere grootverbruikers en ten aanzien van de toepasselijkheid van het LUP op oude importcontracten, niet-ontvankelijk verklaard.

Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond, voorzover betrekking hebbend op de ongegrond-verklaring van appellantes bezwaren tegen

het ontbreken in de TarievenCode van een regeling met betrekking tot contracten met bijzondere grootverbruikers en ten

aanzien van de toepasselijkheid van het LUP op oude importcontracten;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verklaart bedoelde bezwaren alsnog niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, welke worden vastgesteld op € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat;

- verstaat dat het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 204,40 (zegge: tweehonderdvier euro en veertig cent)

door de Staat aan haar wordt vergoed;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr M.J. Kuiper en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2002.

w.g. C.M. Wolters w.g. L. van Duuren