Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE7066

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
30-08-2002
Zaaknummer
AWB 00/132, 00/133, 00/134 en 00/135
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs.AWB 00/132, 00/133, 00/134 en 00/135 19 juni 2002

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr N.S. Commijs, advocaat te Utrecht,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr J. Teigeler, werkaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 7 februari 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen vier besluiten van verweerder van 31 december 1999.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant, gericht tegen de intrekking van de toekenning, alsmede de terugvordering, van akkerbouwsteun op grond van de (destijds toepasselijke) Beschikking steunverlening producenten akkerbouwgewassen 1992 respectievelijk de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen.

Appellant heeft in de vier zaken op 8 februari 2000 stukken overgelegd.

Verweerder heeft op 6 juni 2000 verweerschriften ingediend.

Het College heeft de zaken ter behandeling gevoegd en behandeld ter zitting van 14 februari 2001, waar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Op verzoek van appellant is voorts als getuige gehoord C.

Bij beschikking van 9 maart 2001 heeft het College het onderzoek in de vier zaken heropend en bij brief van diezelfde datum verweerder verzocht om nadere inlichtingen met betrekking tot het door hem gehanteerde terugvorderingsbeleid.

Bij brief van 16 oktober 2001 heeft verweerder het College bericht vooralsnog niet in staat te zijn om de gevraagde nadere inlichtingen te verschaffen.

Het onderzoek ter zitting in de vier zaken is voortgezet op 13 maart 2002.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 231/94, luidt als volgt:

" Artikel 9

Aanvragen voor het compensatiebedrag en braakleggingsaangiften kunnen niet worden ingediend voor gronden die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik waren.

(…)"

Bij Verordening (EG) nr. 658/96 betreffende bepaalde voorwaarden voor de toekenning van compensatiebedragen in het kader van de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 2

1. Voor de toepassing van artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 gelden voor de begrippen "blijvend grasland", "blijvende teelten", "meerjarige gewassen" en "herstructureringsprogramma" de in bijlage I opgenomen omschrijvingen.

(…)

BIJLAGE I

(…)

2. Blijvende teelten

Niet in vruchtwisseling opgenomen teelten van gewassen, met uitzondering van meerjarige gewassen en van blijvend grasland, die de grond gedurende ten minste vijf jaar in beslag nemen en die geregeld een oogst opleveren.

3. Meerjarige gewassen

GN-code

0709 10 00 Artisjokken

0709 20 00 Asperges

ex 0709 90 90 Rabarber

0810 20 Frambozen, bramen, moerbeien en loganbessen

0810 30 Zwarte, witte of rode aalbessen en kruisbessen

0810 40 Veenbessen, bosbessen en andere vruchten van het geslacht Vaccinium

(…)"

Artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid luidt, voorzover van belang, als volgt:

"Artikel 8

1. De Lid-Staten treffen, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om:

- zich ervan te vergewissen dat de door het Fonds gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd;

- onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen,

- de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.

(…)"

Artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, luidt, voorzover van belang, als volgt:

" Artikel 9

(…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. (…)

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

(…)

De bovenbedoelde verlagingen worden niet toegepast indien het bedrijfshoofd het bewijs levert dat hij voor de bepaling van de oppervlakte op correcte wijze is uitgegaan van informatie die door de bevoegde instantie wordt erkend."

Artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) Nr. 1678/98, luidt, voorzover van belang, als volgt:

"Artikel 14

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het betrokken bedrijfshoofd verplicht dat bedrag terug te betalen, verhoogd met de overeenkomstig lid 3 berekende rente.

(…)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd, dat derhalve volledig te goeder trouw heeft gehandeld en alle terzake geldende verplichtingen is nagekomen.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

(…)"

Artikel 1 van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen luidde ten tijde hier van belang als volgt:

"Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

m. akkerland:

a. geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 als blijvend grasland, grond voor blijvende teelten, bosgrond of grond voor niet agrarische doeleinden in gebruik was;

(…)"

Tot en met 1 november 1996 werd op grond van de Beschikking steunverlening producenten akkerbouwgewassen 1992, en de daarop volgende wijzigingen, onder akkerland verstaan al het tot het bedrijf behorende land met uitzondering van gronden die gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 permanent als weidegrond, grond voor meerjarige teelten, bosgrond of grond voor niet agrarische doeleinden in gebruik was.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft met gebruikmaking van de daarvoor bestemde formulieren op 20 mei 1994, 29 maart 1995, 4 april 1996 en 9 april 1997 steun aangevraagd op grond van respectievelijk de Beschikking steunverlening producenten akkerbouwgewassen 1992 (hierna: de Beschikking) en de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling). Deze aanvragen betroffen steeds dezelfde percelen, waarop volgens de opgaven ieder jaar in totaal 7.50 hectare maïs werd verbouwd.

- De in de vier aanvragen vermelde totale oppervlakte van 7.50 hectare, beteeld met akkerbouwgewassen, bestaat voor 6.95 hectare uit gronden die appellant op grond van een daartoe op 22 maart 1994 gesloten overeenkomst in gebruik heeft gekregen van het Streekgewest Westelijke Mijnstreek, dat deze gronden op zijn beurt heeft verkregen van (de inmiddels overleden) D. Sinds 1995 pacht appellant deze gronden.

- Naar aanleiding van bovengenoemde aanvragen heeft verweerder appellant bij besluiten van 9 januari 1995 (waarbij bij besluit van 8 oktober 1994 de bijdrage reeds gedeeltelijk was toegekend) , 17 oktober 1995, 15 november 1996 en

11 november 1997 een bijdrage toegekend op grond van de Beschikking respectievelijk de Regeling van respectievelijk fl. 4.950,68, fl. 6.365,40, fl. 6364, 40 en fl. 6.356,48.

- Op 14 september 1995 heeft de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: AID) met betrekking tot de aanvraag van appellant van 29 maart 1995 een controle op het bedrijf van appellant uitgevoerd, waarbij geen afwijkingen zijn vastgesteld van de teelten in relatie tot de gegevens op de aanvraag en/of in de boekhouding gewassen. In het rapport met betrekking tot deze controle wordt nog opgemerkt dat de intekening door appellant op de bij de aanvraag behorende kaart met betrekking tot één maïsperceel niet geheel correct is, nu dit perceel iets te groot is ingetekend. Blijkens de aanvraag betreft dit het perceel dat eigendom van appellant is.

- Op 1 december 1997 heeft de AID met betrekking tot de aanvraag van appellant van 9 april 1997 een controle op het bedrijf van appellant uitgevoerd, naar aanleiding waarvan een rapport met kenmerk 1518/97/0382 is opgesteld (hierna: het AID-rapport). In dit rapport staat vermeld dat appellant voor drie percelen van in totaal 7.50 hectare een bijdrage heeft aangevraagd op grond van de Regeling, waarbij het op de aanvraag onder volgnummer 1 vermelde perceel (groot 0,55 hectare) niet aan de voorwaarden voldoet omdat op dit perceel de bedrijfsgebouwen zijn gevestigd.

In dit rapport staat voorts vermeld dat de overige opgegeven percelen (volgnummers 2 en 3 op de aanvraag met een totale oppervlakte van 6.95 hectare) de gronden betreffen die appellant in gebruik heeft van het Streekgewest Westelijke Mijnstreek.

Het rapport concludeert dat de laatstgenoemde gronden niet aan de definitie akkerland in de zin van de regeling voldoen, omdat D, die deze gronden in het verleden aan het Streekgewest Westelijke Mijnstreek heeft verkocht, op 26 november 1992 hiervoor een aanvraag heeft ingediend op grond van de Uitvoeringsregeling EEG-rooipremie appelbomen 1990. Uit deze aanvraag moet naar het oordeel van de AID worden afgeleid dat de betreffende gronden gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 permanent in gebruik zijn geweest voor blijvende teelten, omdat er vóór het tijdstip van indiening van een dergelijke aanvraag niet met het rooien mag zijn begonnen, indien men in aanmerking wil komen voor een premie.

- Bij besluit van 27 januari 1998 heeft verweerder zijn besluit van 11 november 1997 ingetrokken, de aanvraag van appellant van 9 april 1997 alsnog afgewezen en het op grond van deze aanvraag reeds uitbetaalde bedrag van fl. 6.356,48 teruggevorderd.

- Bij drie afzonderlijke besluiten van 5 februari 1998 heeft verweerder zijn besluiten van 8 oktober 1994, 9 januari 1995, 17 oktober 1995 en 15 november 1996 eveneens ingetrokken, de aanvragen van appellant van 20 mei 1994, 29 maart 1995 en

4 april 1996 alsnog afgewezen en de op grond van deze aanvragen reeds uitbetaalde bedragen van respectievelijk fl. 4.950,68, fl. 6.365,40 en fl. 6364,40 teruggevorderd.

- Bij brief van 17 februari 1998 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 januari 1998 en de drie besluiten van 5 februari 1998.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

- Het eerste onderzoek ter zitting door het College heeft plaatsgevonden op 14 februari 2001. Aldaar is die dag door het College op verzoek van appellant als getuige gehoord E, broer van de overleden D, die hierbij onder meer heeft verklaard dat op het gehele perceel dat door D aan het Streekgewest Westelijke Mijnstreek is verkocht ten tijde van deze verkoop appelbomen stonden, zij het dat twee kleinere onderdelen van dit perceel pas in februari 1987 door zijn broer zijn verkregen en dat deze stukjes grond pas in het voorjaar van 1988 zijn beplant met appelbomen. Vermoedelijk zijn alle bomen in 1992 of 1993 gerooid, doch in ieder geval direct na de verkoop van de gronden.

3. De bestreden besluiten en het nadere standpunt van verweerder

De bestreden besluiten houden - samengevat - onder meer het volgende in.

Uit artikel 9 van Verordening (EEG) 1765/92, een rechtstreeks werkende en ieder verbindende communautaire bepaling, volgt dat gronden die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet agrarische doeleinden in gebruik waren, niet in aanmerking komen voor een bijdrage op grond van de Regeling. Aan de hand van een controle door de AID en een administratief onderzoek dat daarop volgde, is vastgesteld dat de in de diverse aanvragen opgegeven percelen niet voldoen aan de definitie van akkerland, welk feit appellant in bezwaar niet heeft bestreden.

Dat de inmiddels verkregen bijdragen zijn geïnvesteerd in het bedrijf van appellant en appellant in financiële moeilijkheden dreigt te geraken bij volledige terugvordering van de reeds uitgekeerde bedragen, vormt geen aanleiding terugvordering achterwege te laten. Een aanvrager draagt zelf de verantwoording voor het indienen van een volledige en juiste aanvraag, waarbij de aanvrager geacht wordt op de hoogte zijn van de ter zake geldende voorwaarden.

De opgelegde sanctie is gebaseerd op artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92, welke bepaling een naar de grootte van het verschil tussen opgegeven en feitelijk geconstateerde oppervlakte gedifferentieerde sanctionering voorschrijft. De zwaarte van de sanctie is derhalve evenredig aan de ernst van de omissie.

Ten verweer is onder meer aangevoerd dat het terugvorderen van onverschuldigd betaalde bedragen, dat is geregeld in Verordening (EG) nr. 2988/95, mogelijk is tot vier jaar na de datum waarop de onregelmatigheid is begaan.

Ter zitting van het College op 14 februari 2001 is door verweerder voorts het volgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van de gronden die hebben toebehoord aan D en waarvoor appellant subsidie heeft aangevraagd, staat vast dat hierop fruitbomen zijn geteeld. Voor deze gronden is door D een rooipremie voor appelbomen aangevraagd op 26 november 1992. Om voor deze premie in aanmerking te komen mag er voor de aanvraag niet zijn begonnen met rooien. Hieruit volgt dat in ieder geval voor deze gronden vaststaat dat er sprake is van meerjarige teelten tot en met 31 december 1991.

Ter zitting van het College van 13 maart 2002 is door verweerder nog het volgende naar voren gebracht.

Het is op zich juist dat verweerder de mogelijkheid heeft onderzocht om in zaken waarin aan de hand van teledetectie is vastgesteld dat niet is voldaan aan de definitie "akkerland", gelet op de bewijsrechtelijke problemen af te zien van terugvordering van verleende steun over voorgaande jaren en dat verweerder tot op heden bij gebleken onregelmatigheden in teledetectie-zaken (nog) niet tot terugvordering heeft besloten. Verweerder heeft hierover inmiddels overleg gevoerd met de Europese Commissie en geconcludeerd dat ook in teledetectie-zaken in beginsel terugvordering dient plaats te vinden.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep in het beroepschrift - samengevat - onder meer het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Primair is appellant van mening dat fruitbomen moeten worden aangemerkt als een meerjarig gewas als bedoeld in bijlage I van Verordening (EG) nr. 658/92, zodat de teelt van dit fruit niet kan worden aangemerkt als een blijvende teelt als bedoeld in deze bijlage.

Verder zijn niet alle fouten aan appellant te wijten. Appellant heeft in alle betreffende jaren aanvragen ingediend. Daarbij heeft hij reeds van aanvang af de stukken met betrekking tot de onderhavige gronden overgelegd en aansluitend steeds de gevraagde premie zonder voorbehoud verkregen, Met betrekking tot de eerste aanvraag heeft appellant zelfs een bezwaarschriftenprocedure doorlopen in verband met een opgelegde korting ten gevolge van het vermeend te laat insturen van stukken, welk bezwaar nadien gegrond is verklaard. In geen van de besluiten van verweerder waarbij de gevraagde bijdrage is verleend, is appellant er op gewezen dat geen recht op subsidie bestond.

Hierbij komt dat verweerder pas in de brochure bij de Aanvraag oppervlakten 1998 vereenvoudigde regeling en voederareaal kenbaar heeft gemaakt dat percelen die in de periode 1987 tot en met 1991 beteeld werden met appelbomen, en die inmiddels zijn gerooid, niet voldoen aan de definitie akkerland. Voorgaande brochures bevatten deze clausule niet.

Ter zitting van het College op 14 februari 2001 is door appellant het volgende aangevoerd.

Ingevolge de Beschikking werd onder akkerland verstaan al het tot het bedrijf behorende land met uitzondering van gronden die gedurende de kalenderjaren 1987 tot en met 1991 permanent als weidegrond, grond voor meerjarige teelten, bosgrond of grond voor niet agrarische doeleinden in gebruik waren. Aangezien het begrip meerjarige teelt niet nader is gedefinieerd en naar plaatselijk gebruik in Limburg een boomgaard niet als een meerjarige teelt wordt beschouwd, kan de door D geëxploiteerde boomgaard niet zonder meer als zodanig worden beschouwd.

Verder zijn de bevindingen van verweerder ten dele onjuist. Appellant heeft een perceel van één hectare in eigendom, waarop slechts ten dele bedrijfsgebouwen zijn gesitueerd. Op het andere gedeelte van dit perceel (groot 0.55 hectare) is immer maïs verbouwd, zodat dit perceel wel degelijk als akkerland in de zin van de Regeling moet worden aangemerkt. Voorts zijn niet alle gronden die D aan het Streekgewest heeft verkocht in de periode van 1 januari 1987 tot 31 december 1991 permanent in gebruik geweest als boomgaard. Van de door appellant in gebruik genomen oppervlakte ter grootte van 6.95 hectare, zijn twee percelen van respectievelijk 41 are en 1.30.90 hectare pas op 18 februari 1987 door D in eigendom verworven en pas in 1988 beplant met fruitbomen.

Op grond van de door D ingediende aanvraag om een rooipremie voor de appelbomen heeft verweerder niet zonder nader onderzoek mogen aannemen dat het desbetreffende perceel ook daadwerkelijk tot 31 december 1991 als boomgaard in gebruik is geweest. De bestreden besluiten zijn op dit onderdeel onzorgvuldig voorbereid en worden niet gedragen door een deugdelijke motivering.

Tenslotte is appellant van mening dat verweerder in redelijkheid niet meer kon besluiten tot terugvordering van de in het verleden verleende bijdragen. Hiertoe acht appellant van doorslaggevend belang dat verweerder gelet op de in 1994 overgelegde stukken reeds van aanvang af had kunnen danwel moeten weten voor welke doeleinden de onderhavige gronden door D waren gebruikt, te meer daar de aanvraag om een rooipremie al was ingediend. Bovendien heeft de AID naar aanleiding van de aanvraag voor het jaar 1995 ook al eens een bedrijfscontrole verricht, hetwelk niet tot gevolgen heeft geleid. Op geen enkel moment heeft verweerder aangegeven dat geen grondslag zou bestaan voor een bijdrage op grond van de regeling. Indien hierbij tevens de onduidelijke terminologie van de regelgeving wordt betrokken, op grond waarvan voor appellant geen sprake was van een kenbare onregelmatigheid, alsmede het tijdsverloop tussen de uitkering van de bedragen en de besluiten tot terugvordering, moet worden geoordeeld dat de besluiten in strijd met het vertrouwensbeginsel tot stand zijn gekomen.

Ter zitting van het College op 13 maart 2002 is door appellant het volgende naar voren gebracht.

De stelling van verweerder met betrekking tot het standpunt van de Europese Commissie, op grond waarvan zou moeten worden vastgehouden aan de verplichting tot terugvordering, is bij het ontbreken van stukken in dit verband niet controleerbaar. Voorts is thans nog geen sprake van een éénduidig terugvorderingsbeleid, zodat vooralsnog sprake is van rechtsongelijkheid.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Allereerst is de vraag aan de orde of verweerder bij de bestreden besluiten de intrekking heeft kunnen handhaven van zijn eerdere besluiten tot toekenning van akkerbouwsteun aan appellant op grond van zijn oordeel dat de door appellant opgegeven percelen in de referentieperiode 1987-1991 voor meer dan 20% niet als akkerland in gebruik zijn geweest.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in ieder geval ten aanzien van de gronden die hebben toebehoord aan D, een oppervlakte van 6.95 hectare, vaststaat dat er sprake was van blijvende teelten op 31 december 1991 omdat hierop blijkens diens aanvraag om een rooipremie van 26 november 1992 in de referentieperiode fruitbomen zijn geteeld en er voor de aanvraag niet begonnen mag zijn met rooien om voor deze premie in aanmerking te komen.

Door appellant is weliswaar gesteld dat deze oppervlakte van 6.95 hectare ook twee percelen van respectievelijk 41 are en 1.30.90 hectare omvat, die pas op 18 februari 1987 in eigendom door D zijn verworven en in 1988 zijn beplant met fruitbomen, maar ook dan resteert 5.23.10 hectare die in de referentieperiode was beplant met appelbomen.

In appellants betoog dat verweerder niet zonder nader onderzoek heeft mogen aannemen dat deze gronden ook tot 31 december 1991 daadwerkelijk in gebruik zijn geweest als boomgaard, kan het College appellant niet volgen. Het ligt immers op de weg van appellant aan te tonen dat de in zijn aanvraag vermelde gronden in het licht van artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 in aanmerking komen voor akkerbouwsubsidie en voldoen aan de definitie van akkerland. Appellant heeft verweerders conclusie dat uit de in 1992 aangevraagde rooipremie volgt dat op 31 december 1991 geen sprake kon zijn van akkerland, niet afdoende bestreden. Bovendien is deze conclusie in lijn met de verklaring van de door appellant opgevoerde getuige, dat de appelbomen vermoedelijk pas in 1992 of 1993 zijn gerooid.

Appellant heeft gesteld dat de fruitteelt op bedoelde gronden niet valt onder de term "meerjarige teelten" in genoemd artikel 9 en hiertoe ten eerste aangevoerd dat een nadere definitie van deze term ontbreekt en naar de regionale, in Limburg heersende opvatting terzake de fruitteelt ook niet wordt begrepen onder "meerjarige teelten".

Dienaangaande overweegt het College ten eerste dat dit betoog er aan voorbij gaat dat aan gemeenschapsrechtelijke termen als in geding, een uniforme uitleg behoort te worden gegeven waaraan afwijkende plaatselijke of regionale opvattingen niet kunnen afdoen zonder aan de gemeenschappelijke rechtsorde die door het EG-Verdrag is tot stand gebracht, afbreuk te doen.

Voorts oordeelt het College dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan dat de term "meerjarige teelten" in artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 de betekenis heeft van "blijvende teelten" als bedoeld in Verordening (EG) nr. 658/96, artikel 2 en bijlage I waarbij juist voor de toepassing van genoemd artikel 9 begripsomschrijvingen zijn bepaald. Dit oordeel vindt zijn bevestiging in de Franse, Engelse en Duitse teksten van beide verordeningen, die niet het verschil in de Nederlandse tekst vertonen, maar steeds, zowel in artikel 9 als in artikel 2 en bijlage I, de term "cultures permanentes", "permanent crops" en "Dauerkulturen" bevatten.

Ten tweede heeft appellant aangevoerd dat bedoelde fruitteelt niet valt onder de omschrijving van blijvende teelt in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 658/96, nu de desbetreffende appelbomen zijn aan te merken als meerjarige gewassen die in die omschrijving zijn uitgezonderd.

Dit argument faalt nu appelbomen niet staan vermeld op de lijst van meerjarige gewassen in genoemde bijlage I, onder 3.

Nu verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat van de door appellant opgegeven percelen op 31 december 1991 in ieder geval 5.23.10 hectare in gebruik was voor blijvende teelten in de hiervoor bedoelde zin, die derhalve was uitgesloten van akkerbouwsteun, alsmede dat als gevolg van deze uitsluiting de door appellant in de verschillende steunaanvragen aangegeven oppervlakte meer dan 20% groter is dan de geconstateerde oppervlakte, bestond ingevolge artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 over de desbetreffende jaren geen aanspraak op akkerbouwsteun.

Derhalve heeft verweerder de intrekking van zijn eerdere besluiten tot toekenning van akkerbouwsteun over die jaren bij de bestreden besluiten kunnen handhaven.

5.2 Dat de onregelmatig betaalde akkerbouwsteun door verweerder is teruggevorderd, is in overeenstemming met de verplichting van de lidstaten om de bedragen terug te vorderen, die door onregelmatigheden of nalatigheden zijn verloren gegaan, neergelegd in artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 729/70. Bovendien is met betrekking tot onverschuldigde betaling van steunbedragen als in dit geding aan de orde, het betrokken bedrijfshoofd tot terugbetaling verplicht ingevolge artikel 14, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3887/92. Niet gebleken is dat sprake zou kunnen zijn van een uitzondering op deze terugbetalingsplicht, als bedoeld in lid 4 van dit artikel.

Verweerder vordert, in het licht van Verordening (EG) nr. 2988/95, geen onverschuldigde bedragen meer terug indien meer dan vier jaar zijn verstreken, te rekenen vanaf de datum waarop de onregelmatigheid is begaan. Het College kan voorbijgaan aan de vraag in hoeverre de door verweerder toegepaste verjaringstermijn rechtstreeks voortvloeit uit genoemde verordening, nu deze termijn gezien de omstandigheden van dit geval niet onevenredig lang is.

Al hetgeen appellant tegen de terugvordering heeft aangevoerd, stuit af op deze bepalingen van gemeenschapsrecht. Hierbij neemt het College in overweging dat ten aanzien van de gronden die voorheen door D zijn geëxploiteerd, niet met vrucht gesteld kan worden dat uitbetaling van de daaraan gerelateerde steun is gebaseerd op informatie die op enig moment door verweerder is erkend in de zin van de laatste in rubriek 2 geciteerde volzin van artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92. Het voorwerp van geschil in de door appellant omschreven bezwaarschriftenprocedure in 1994 betrof immers niet de vraag of de door appellant opgegeven gronden konden worden aangemerkt als akkerland, doch slechts de vraag of appellant bij zijn aanvraag al dan niet tijdig een verklaring van gebruik had overgelegd. Hierbij is van belang dat uit de destijds door appellant overgelegde overeenkomst met het Streekgewest Westelijke Mijnstreek niet blijkt dat deze gronden voorheen als boomgaard in gebruik waren geweest. Voor de stelling van appellant dat uit de beslissing op bezwaar van 9 januari 1995 blijkt dat verweerder in het kader van die procedure contact heeft gehad met het Streekgewest Westelijke Mijnstreek, bieden de bewoordingen van dit besluit geen steun, zodat niet is aangetoond dat verweerder uit hoofde van dit gesteld contact reeds vanaf 1994 op de hoogte zou zijn geweest van het gebruik van deze gronden als boomgaard. Appellant kan verder evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat uit het door appellant in 1994 bij de aanvraag overgelegde kaartmateriaal kenbaar was dat deze gronden voorheen als boomgaard in gebruik waren geweest. Voorts kan niet worden gesteld dat verweerder de voorheen door D geëxploiteerde gronden als akkerland heeft erkend omdat de door de AID verrichte controle op 14 september 1995 destijds niet heeft geleid tot afwijzing of intrekking van de aangevraagde steun. Immers, laatstgenoemd onderzoek had geen betrekking op de vraag of de voorheen door D geëxploiteerde gronden konden worden aangemerkt als akkerland.

Het College overweegt tenslotte - mede gelet op de ter zitting gedane mededelingen van verweerder - dat niet is gebleken dat verweerder bij het terugvorderen van onregelmatig verstrekte steun een uitvoeringspraktijk hanteert waarin naar willekeur in sommige gevallen wel, in andere niet tot terugvordering wordt overgegaan. Voor vernietiging op die grond bestaan mitsdien geen termen.

5.3 De slotsom is dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr M.J. Kuiper en mr F.W. du Marchie-Sarvaas in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2002.

w.g. C.M. Wolters w.g. R.P.H. Rozenbrand