Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE7013

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-08-2002
Datum publicatie
10-09-2002
Zaaknummer
AWB 02/1113
Formele relaties
Tussenuitspraak bestuurlijke lus: ECLI:NL:CBB:2002:AD9997
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Geen sprake van tegemoetkomen als bedoeld in art. 8:75a.1 Awb, nu niet het verwerend orgaan maar de gemeenteraad een ander standpunt heeft ingenomen.

Weigering ontheffing te verlenen van verbod om op zondag een winkel voor het publiek geopend te hebben.

Onder het begrip bestuursorgaan als bedoeld in art. 8:75a.1 Awb dient te worden verstaan het verwerend bestuursorgaan. Verzoekers hebben hun verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken nadat de raad van de gemeente Skarsterlân op 3 juli 2002 niet alleen had besloten de Verordening Winkeltijden Skarsterlân op een zodanige wijze aan te passen dat aan alle winkels en bedrijven in C - en dus ook met betrekking tot de supermarkt van verzoekers - voor het jaar 2002 door de raad ontheffing kan worden verleend van het verbod op zondag open te zijn gedurende de maanden april tot en met november van 13.00 tot 18.30 uur, maar ook had besloten deze ontheffing op dezelfde datum aan evenbedoelde winkels en bedrijven te verlenen. Het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers was echter gericht tegen het besluit van verweerders van 27 mei 2002, zodat verweerders als verwerend bestuursorgaan moeten worden aangemerkt. Het vorenstaande brengt mee dat, nu verweerders ter zake geen ander standpunt hebben ingenomen dan hetgeen in voormeld besluit van 27 mei 2002 is verwoord, niet met vrucht kan worden betoogd dat het hier verweerders zijn die aan verzoekers zijn tegemoetgekomen.

Verzoek om kostenveroordeling afgewezen.

Het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân, verweerders.

mr. R.R. Winter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No.AWB 02/1113 27 augustus 2002

12500

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

A en B, te C, verzoekers,

gemachtigde: mr J. Nijenhuis, advocaat te Heerenveen,

tegen

Burgemeester en wethouders van Skarsterlân, te Joure, verweerders,

gemachtigde: B. Hopman, werkzaam bij de gemeente Skarsterlân.

1. De feiten en het geschil

Bij brief van 26 april 2000 hebben verzoekers verweerders verzocht om voor onder meer hun supermarkt, gevestigd op het adres […] 24 te C, ontheffing te verlenen van het verbod om op zondag een winkel voor het publiek geopend te hebben als bedoeld in de Verordening Winkeltijden Skarsterlân, zoals geldend per 27 januari 1999.

Verweerders hebben dit verzoek afgewezen en hebben het door verzoekers daartegen ingediende bezwaarschrift bij besluit van 23 augustus 2000 ongegrond verklaard.

Hiertegen hebben verzoekers bij het College beroep ingesteld. Bij uit uitspraak van 4 juli 2001 (AWB 01/346) heeft het College dit beroep gegrond verklaard en daarbij, voor zover thans van belang, onder meer bepaald dat verweerders binnen twee weken na die uitspraak opnieuw op het ingediende bezwaarschrift beslissen.

Verweerders hebben vervolgens bij besluit van 17 juli 2001 het bezwaarschrift van verzoekers opnieuw ongegrond verklaard.

Het door verzoekers tegen laatstbedoeld besluit van verweerders ingestelde beroep heeft het College bij uitspraak van 20 februari 2002 (AWB 01/705) wederom gegrond verklaard en daarbij, voor zover thans van belang, bepaald dat verweerders opnieuw op het bezwaar van verzoekers beslissen.

Bij besluit van 27 mei 2002 hebben verweerders ten derde male besloten het bezwaarschrift van verzoekers ongegrond te verklaren.

Verzoekers hebben bij brief van 6 juni 2002 bij het College beroep ingesteld tegen het besluit van verweerders van 27 mei 2002.

Bij brief van gelijke datum, ter griffie van het College ontvangen op 7 juni 2002, hebben verzoekers zich tevens tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat verzoekers worden behandeld als waren zij in het bezit van een ontheffing van het verbod om op zondag hun supermarkt voor het publiek geopend te hebben.

Bij faxbericht van 17 juni 2002 en brief van 18 juni 2002 hebben verweerders desgevraagd een schriftelijke reactie op het verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Bij faxbericht van 8 juli 2002 hebben verweerders medegedeeld

a) dat de raad van de gemeente Skarsterlân op 3 juli 2002 onder meer heeft besloten de Verordening Winkeltijden Skarsterlân aan te passen in de zin dat alle winkels en bedrijven in C voor het jaar 2002 ontheffing kan worden verleend van het verbod op zondag open te zijn gedurende de maanden april tot en met november van 13.00 tot 18.30 uur, en b) dat de raad bedoelde ontheffing voor alle winkels en bedrijven heeft verleend voor het jaar 2002.

Hierop hebben verzoekers bij brief van 9 juli 2002 het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure.

Bij brief van 9 juli 2002 zijn verweerders in de gelegenheid gesteld schriftelijk op het verzoek om proceskostenveroordeling te reageren.

Bij brief van 23 juli 2002 hebben verweerders de voorzieningenrechter een schriftelijke reactie op het verzoek om proceskostenveroordeling doen toekomen en gemotiveerd uiteengezet waarom dat verzoek huns inziens niet voor inwilliging in aanmerking komt.

2. De beoordeling van het verzoek

Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, juncto 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in geval van intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.

De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of verweerders aan verzoekers zijn tegemoetgekomen. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Onder het begrip bestuursorgaan als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb dient te worden verstaan het verwerend bestuursorgaan. Verzoekers hebben hun verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken nadat de raad van de gemeente Skarsterlân op 3 juli 2002 niet alleen had besloten de Verordening Winkeltijden Skarsterlân op een zodanige wijze aan te passen dat aan alle winkels en bedrijven in C - en dus ook met betrekking tot de supermarkt van verzoekers - voor het jaar 2002 door de raad ontheffing kan worden verleend van het verbod op zondag open te zijn gedurende de maanden april tot en met november van 13.00 tot 18.30 uur, maar ook had besloten deze ontheffing op dezelfde datum aan evenbedoelde winkels en bedrijven te verlenen. Het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers was echter gericht tegen het besluit van verweerders van 27 mei 2002, zodat verweerders als verwerend bestuursorgaan moeten worden aangemerkt. Het vorenstaande brengt mee dat, nu verweerders ter zake geen ander standpunt hebben ingenomen dan hetgeen in voormeld besluit van 27 mei 2002 is verwoord, niet met vrucht kan worden betoogd dat het hier verweerders zijn die aan verzoekers zijn tegemoetgekomen. Het verzoek om kostenveroordeling dient derhalve te worden afgewezen.

Met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto de artikelen 8:84 en 8:54 van de Awb leidt dit tot de volgende uitspraak.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb af.

Aldus gewezen door mr R.R. Winter, in tegenwoordigheid van mr M.S. Hoppener,

als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2002.

w.g. R.R. Winter w.g. M.S. Hoppener

Verzonden op:

Een belanghebbende kan tegen deze uitspraak ingevolge artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht binnen 6 weken na de dag van verzending gemotiveerd verzet doen bij het College, door middel van een ondertekend verzetschrift. De indiener kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.