Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6750

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-08-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/840 en AWB 01/856
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants Titel II, geldigheid: 2002-08-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs.AWB 01/840 en Awb 01/856 15 augustus 2002

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaken van:

1. A

2. B

3. C

4. D

5. E

appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 3 september 2001,

gemachtigde appellanten sub 1 tot en met 4: F, werkzaam bij G te Z;

gemachtigde appellante sub 5: mr J.C.J. Wouters, advocaat te Rotterdam.

1. De procedure

Bij brieven, verzonden op 3 september 2001, heeft de raad van tucht appellanten afschriften toegezonden van zijn op 3 september 2001 genomen beslissing op een klacht, op 12 september 2000 ingediend tegen appellant sub 5 (hierna: betrokkene) door onder andere appellanten sub 1 tot en met 4 (hierna: klagers).

Bij een op 31 oktober 2001 bij het College ingediend beroepschrift hebben klagers tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld. Dit beroep is bij het College geregistreerd onder zaaknummer Awb 01/840.

Bij een op 2 november 2001 bij het College ingediend beroepschrift heeft betrokkene tegen genoemde beslissing beroep bij het College ingesteld. Dit beroep is bij het College geregistreerd onder zaaknummer Awb 01/856.

De raad van tucht heeft bij brief van 5 november 2001 op de zaken betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Het College heeft de zaken gevoegd behandeld ter zitting van 6 juni 2002 waar appellanten bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. Betrokkene is ter zitting in persoon verschenen.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klachtonderdelen 1 tot en met 4 gegrond verklaard, klachtonderdeel 5 ongegrond verklaard en aan betrokkene de maatregel van berisping opgelegd.

4. Het standpunt van klagers

Klagers hebben, samengevat weergegeven, tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen voorgedragen.

4.1 Klagers zijn van oordeel dat klachtonderdeel 5 in de bestreden beslissing niet juist samenvat hetgeen door hen is betoogd. Dit klachtonderdeel behelst dat betrokkene een aantal malen onware mededelingen heeft gedaan, waardoor de bindend adviseurs de indruk kregen dat de door klagers aangestelde registeraccountant chicaneerde en onwaarheden sprak. Aldus geformuleerd, zou dit klachtonderdeel door de raad van tucht niet ongegrond zijn bevonden.

4.2 De raad van tucht heeft ten onrechte overwogen dat klachtonderdeel 6 door klagers is ingetrokken. Tegelijk met het indienen van de klacht tegen betrokkene is door klagers een klacht ingediend tegen een kantoorgenoot van betrokkene. Beide zaken zijn gelijktijdig behandeld ter zitting van de raad van tucht van 5 april 2001. Bij deze gelegenheid is deze klacht voorzover die betrekking had op de kantoorgenoot van betrokkene, ingetrokken omdat deze ten tijde van de uitvoering van de opdracht nog niet als accountant in het register was ingeschreven.

Klagers handhaven hun klacht dat betrokkene zich niet onafhankelijk en niet onpartijdig heeft opgesteld. De rapportage d.d. 5 januari 1999 van betrokkene aan bindend adviseurs is eenzijdig. In deze rapportage worden standpunten en gegevens van wederpartij H gepresenteerd als vaststaande feiten. Betrokkene bevond zich tevens in een onmogelijke positie aangezien bindend adviseur I, een voormalige kantoorgenoot van hem is. Indien betrokkene de jaarrekening aan de orde zou stellen en de incompetentie van I zou worden vastgesteld, zou dit zijn weerslag hebben op de maatschap van betrokkene. Onder die omstandigheden is niet aannemelijk dat betrokkene tot een onafhankelijk oordeel is gekomen.

Klagers verzoeken het College de bestreden tuchtbeslissing te vernietigen voorzover deze de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 5 betreft en alsnog uitspraak te doen over klachtonderdeel 5 en 6.

5. Het standpunt van betrokkene

5.1 Betrokkene heeft, samengevat weergegeven, tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen voorgedragen.

5.1.1 Ten onrechte heeft de raad van tucht niet beslist op het verweer de klacht niet ontvankelijk te verklaren, nu de inhoud van de klacht niet meer was vast te stellen door de ongestructureerde vorm waarin klagers hun bezwaren naar voren hebben gebracht en de gemachtigde van klagers ter zitting van de raad van tucht van 5 april 2001 de klacht met een 19 pagina's omvattende tekst heeft toegelicht. Voor een eerlijk verloop van een tuchtprocedure moet aan de betrokkene duidelijk zijn wat hem wordt verweten, zodat hij zijn verweer daarop kan afstemmen. Daarvan is geen sprake geweest.

5.1.2 De raad van tucht heeft in de geschriften van klagers zes klachtonderdelen onderkend. In strijd met de eisen van een behoorlijke tuchtrechtspleging heeft de raad van tucht de klachtonderdelen 1 tot en met 4 gegrond verklaard, zonder daarbij in te gaan op het desbetreffende verweer van appellant.

5.1.3 De klacht betreft schending van de artikelen 5, 9, 11 en 15 van de Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994). De raad van tucht heeft in strijd met de eisen van een behoorlijke tuchtrechtspleging de klachtonderdelen 1 tot en met 4 gegrond verklaard zonder te preciseren door welke gedragingen van betrokkene elk van de onderscheiden artikelen van de GBR zijn geschonden.

Betrokkene verzoekt het College de bestreden tuchtbeslissing te vernietigen en klagers niet ontvankelijk te verklaren, althans de klacht in al zijn onderdelen ongegrond te verklaren.

6. De beoordeling van de beroepen

6.1 Ten aanzien van de door klagers in beroep voorgedragen middelen overweegt het College het volgende.

6.1.1 Het College acht het geraden de eerste grief van klagers en de eerste en tweede grief van betrokkene gezamenlijk te behandelen. Dienaangaande merkt het College allereerst op dat klagers die het oordeel van de raad van tucht verlangen omtrent jegens een registeraccountant gerezen bezwaren, verantwoordelijk zijn voor een zodanige verwoording en structurering van hun klacht, dat de omvang van deze klacht kan worden vastgesteld. Enerzijds behoeft de betrokken accountant deze duidelijkheid met het oog op zijn verdediging en anderzijds dient de raad van tucht te kunnen bepalen omtrent welke bezwaren zijn oordeel wordt gevraagd. Zulks uiteraard onverminderd de bevoegdheid van de raad van tucht, met inachtneming van de vereisten die de goede procesorde en het recht op verdediging van de betrokken accountant stellen, ambtshalve jegens de betrokken accountant gerezen bezwaren in behandeling te nemen.

In dit verband moet in aanmerking worden genomen dat de tuchtrechtspraak blijkens artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Registeraccountants ten doel heeft het weren en beteugelen van misslagen van registeraccountants in de uitoefening van hun beroep en van inbreuken op verordeningen van de Orde en op de eer van de stand der registeraccountants. Dit doel van de tuchtrechtspraak, betreffende een algemeen belang, zou niet adequaat verwezenlijkt worden, indien aan de formulering van de klacht zodanig hoge eisen zouden worden gesteld dat klachten slechts door terzake kundigen zouden kunnen worden ingediend. Hierbij merkt het College verder op dat in beginsel aanvaardbaar is dat een klager, hangende de procedure bij een raad van tucht, zijn klacht inzake het beroepsmatig handelen van een registeraccountant aanvult en uitbreidt. In geval van zulk een aanvulling of uitbreiding brengen fundamentele eisen van een behoorlijke tuchtprocedure met zich dat de betrokken accountant voldoende in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op het nader gestelde.

Beslissend voor de beoordeling van de grief van betrokkene dat klacht en toelichting daarop ter zitting van de raad van tucht zodanig ongestructureerd waren, dat de inhoud van de klacht niet meer kon worden vastgesteld, is gelet op het vorenstaande of betrokkene voldoende gelegenheid heeft gehad adequaat te reageren. Het College beantwoord deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Hoewel het door klagers ingediende klachtschrift enerzijds een in abstracte termen geformuleerde klacht bevat en anderzijds een opsomming van feiten en meningen waarvan niet steeds duidelijk is of deze strekken ter onderbouwing van in algemene termen geformuleerde klacht dan wel door klagers zijn bedoeld als zelfstandig klachtonderdeel en klagers bovendien bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van de klacht door de raad van tucht op het verweer van betrokkene hebben gereageerd met een omvangrijke, uit 94 paragrafen en vele subparagrafen bestaande pleitnota en daar en boven nog eens 20 producties hebben overgelegd, heeft betrokkene een gedetailleerd verweerschrift ingediend zonder daarin de begrijpelijkheid van de klacht te bestrijden. Daarnaast is betrokkene door de raad van tucht in de gelegenheid gesteld (van welke gelegenheid betrokkene ook gebruik heeft gemaakt) naar aanleiding van hetgeen door klagers bij de mondelinge behandeling naar voren was gebracht, schriftelijk te reageren. Betrokkene heeft voorts in de procedure voor het College de gelegenheid gehad al hetgeen door hem dienstig werd geoordeeld ter verdediging van zijn positie, naar voren te brengen. Betrokken is derhalve door de formulering van de klacht niet in zijn recht op verweer, casu quo verdediging geschaad, zodat de daarop betrekking hebbende grief moet worden verworpen.

Met betrekking tot de tweede grief van betrokkene merkt het College op dat, behoudens in het geval de raad van tucht ambtshalve een tegen een accountant gerezen bezwaar in behandeling neemt, het gelet op eerderomschreven doel van de tuchtrechtspraak en de verantwoordelijkheid van de raad van tucht voor een eerlijk proces en een goede proces-orde, het tot de bevoegdheid van de raad van tucht kan worden gerekend een klacht te structureren en samen te vatten. Hierbij geldt als eis dat de raad van tucht de samengevatte klacht zowel aan klagers als aan de betrokken accountant voorlegt, met name indien de klacht niet helder is geformuleerd, alvorens op basis daarvan een beslissing te nemen.

De vraag dient derhalve te worden beantwoord of de wijze van samenvatten door de raad van tucht van de tegen betrokkene ingediende klachten, afbreuk heeft gedaan aan het recht op verweer van betrokkene.

Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Hoewel uit de bestreden beslissing noch uit de notulen van de openbare zitting van de raad van tucht blijkt dat de raad van tucht klagers en betrokkene uitdrukkelijk mededeling heeft gedaan van zijn samenvatting, is niet gesteld dat betrokkene hierdoor in zijn recht op verweer is geschaad. In het onderhavige geval heeft betrokkene, zoals hiervoor overwogen, voldoende gelegenheid gekregen te reageren op alle door klagers aangevoerde bezwaren. Door betrokkene is niet gesteld dat de raad van tucht de bezwaren van klagers niet juist zou hebben samengevat. Betrokkene heeft voorts noch in het beroepschrift noch in de andere ingediende stukken, noch ter zitting van het College met betrekking tot de samenvatting van de klacht door de raad van tucht bezwaren geformuleerd. De tweede grief van betrokkene is derhalve ongegrond.

De eerste grief van klagers is eveneens ongegrond. Zoals reeds is overwogen, hebben klagers er om hun moverende redenen voor gekozen de klacht in zeer algemene termen te formuleren en hun klaagschrift en verdere stukken weinig helder en duidelijk te structureren. Naar aanleiding van hetgeen klagers hebben aangevoerd tegen de samenvatting en structurering door de raad van tucht, overweegt het College dat hetgeen in de bestreden beslissing is samengevat als klachtonderdeel 5 heel wel verenigbaar is met de door klagers in algemene termen geformuleerde klacht. De formulering van deze samenvatting is woordelijk ontleend aan het door klagers opgestelde klachtschrift. De door klagers in hun beroepschrift gesuggereerde formulering voor klachtonderdeel 5 zou wellicht ook uit het klachtschrift kunnen worden gedestilleerd maar veeleer lijkt hiermee door klagers te zijn bedoeld aan te geven welk gevolgen samenhangen met het ontbreken van een index. Naar het oordeel van het College heeft de raad van tucht de klacht niet onjuist geïnterpreteerd en samengevat.

6.1.2 Het College acht de verklaring van de gemachtigde van klagers omtrent de gang van zaken ter zitting van de raad van tucht aangaande hetgeen als zesde klachtonderdeel is aangemerkt niet ondenkbaar, doch is van oordeel dat, ook indien ervan wordt uitgegaan dat de klacht ten aanzien van betrokkene is gehandhaafd, dit middel om de navolgende redenen niet tot een gegrond beroep kan leiden.

Uit de stukken blijkt dat klagers de onpartijdigheid van betrokkene in twijfel trekken omdat, kort gezegd, bindend adviseur I een voormalig kantoorgenoot is van betrokkene en omdat deze een relatie onderhield met een lid van de raad van commissarissen van wederpartij H.

De enkele hoedanigheid van het zijn van voormalig kantoorgenoot brengt naar het oordeel van het College niet met zich dat betrokkene de opdracht had behoren te weigeren. Naar uit de stukken en ter zitting is gebleken, was bindend adviseur I ten tijde van het aanvaarden van de opdracht reeds twee jaren niet meer werkzaam in de maatschap waarvan betrokkene deel uitmaakte. Het College ziet geen aanknopingspunten om klagers te volgen in hun standpunt dat desondanks van een belangenverstrengeling sprake was, omdat in de procedure een aantal stukken betrokken zijn die door bindend adviseur I zijn opgesteld toen hij nog wel bij die maatschap werkzaam was. Voort is niet gebleken dat klagers destijds bezwaar hebben gemaakt tegen het aanzoeken van betrokkene om dat onderzoek te verrichten.

Aan het feit dat bindend adviseur I en een lid van de raad van commissarissen van H elkaar kenden, kan naar het oordeel van het College in dit verband evenmin bijzondere betekenis worden gehecht. Uit de stukken is het College gebleken dat de bindend adviseurs, direct nadat dit feit hen ter kennis was gekomen, partijen daaromtrent hebben geïnformeerd en partijen vervolgens schriftelijk hebben verklaard tegen het aanblijven van bindend adviseur I geen bezwaar te hebben.

Ook het tweede middel treft derhalve geen doel.

Nu beide middelen falen, verwerpt het College het beroep van klagers.

6.2.1 Ten aanzien van het betoog van betrokkene dat de raad van tucht heeft gehandeld in strijd met eisen van een behoorlijke tuchtrechtspraak door de klachtonderdelen 1 tot en met 4 gegrond te verklaren zonder daarbij in te gaan op zijn verweer dienaangaande, alsmede dat met bedoelde eisen tevens in strijd is dat de raad van tucht heeft verzuimd te specificeren door welke gedragingen betrokkene elk van de door klagers genoemde artikelen van de GBR-1994 zou hebben geschonden, overweegt het College het volgende.

Weliswaar behoort de raad van tucht uit hoofde van de in acht te nemen zorgvuldigheid en het vereiste van een deugdelijke motivering, die mede tot uiting komt in artikel 44, eerste lid, van de Wet op de registeraccountants, te reageren op de essentie van een verweer, doch dit betekent niet dat op elk detail van het verweer moet worden ingegaan.

Betrokkene heeft gesteld dat de raad van tucht niet is ingegaan op essentiële punten van zijn verweer, zoals die naar voren zijn gebracht in zijn verweerschrift van 9 november 2000 en in zijn reactie van 2 mei 2001 op de pleitnota van de gemachtigde van klagers. Betrokkene heeft in dat verband onder meer verwezen naar hetgeen hij in genoemde stukken heeft gesteld omtrent bijstelling van de opdracht door de bindend adviseurs op 23 september 1998, omtrent het in alinea 3.3. van het bindend tussenadvies van 7 september 1999 uitgesproken oordeel dat de stelling van klagers dat procedure-afspraken zouden zijn geschonden, faalt, en omtrent de in alinea 3.1 van dat tussenadvies opgenomen omschrijving van de positie van betrokkene.

Het College constateert dat de raad van tucht in de bestreden tuchtbeslissing aan deze stellingen van betrokkene is voorbijgegaan. Voorts constateert het College dat de raad van tucht, zoals door betrokkene is betoogd, niet heeft geconcretiseerd welke gedragingen van betrokkene moeten worden gerelateerd aan de door de raad van tucht geschonden geachte artikelen 5, 9, 11 en 15 van de GBR. Het College is van oordeel dat aldus niet voldoende duidelijk en ondubbelzinnig kenbaar is gemaakt welke motivering aan de bestreden beslissing ten grondslag ligt.

Hierbij moet worden opgemerkt dat de motivering partijen in het geding in beroep in staat moet stellen hun belangen adequaat te bepleiten. Het belang van een toereikende motivering klemt te meer indien de bestreden tuchtbeslissing strekt tot gegrondverklaring van de klacht en het opleggen van een maatregel.

Gezien voormelde tekortkoming is het College van oordeel dat de bestreden tuchtbeslissing niet in stand kan blijven.

Het College acht het geraden de zaak zelf af te doen en overweegt daartoe het volgende.

6.2.2 Naar het College uit de door betrokkene geproduceerde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, vormt de kern van het verweer van betrokkene aangaande de klachtonderdelen 1 tot en met 4, de stelling van betrokkene dat de omvang van de onderzoeksopdracht door de bindend adviseurs is vastgesteld en betrokkene niets anders moest en mocht doen dan werkzaamheden binnen die omvang verrichten, terwijl het evenmin aan betrokkene was om gevolgen te verbinden aan het feit dat de informatie die benodigd was voor beantwoording van de door de bindend adviseurs gestelde vragen, op een aantal onderdelen niet beschikbaar was.

Naar het oordeel van het College doet de omstandigheid dat aan betrokkene een speciale opdracht is gegeven, niet af aan de in artikel 11 van de GBR vervatte norm dat een registeraccountant slechts mededelingen doet omtrent de uitkomst van zijn arbeid, voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen.

Naar het oordeel van het College moet ervan worden uitgegaan dat de bindend adviseurs, voor het door hen gewenste onderzoek betrokkene hebben aangesteld vanwege zijn deskundigheid als registeraccountant. In die hoedanigheid is betrokkene gebonden aan de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Hieraan doet niet af dat het college van bindend adviseurs bij de verstrekking van hun opdracht de inhoud en de omvang van het onderzoek hebben vastgesteld, noch dat genoemd college - naar betrokkene heeft gesteld - het rapport aan partijen zou voorleggen als een van dit college afkomstig stuk.

Gezien de belangrijke rol die aan het rapport in het geschil tussen de betreffende partijen zou toekomen, had betrokkene in het kader van voormeld onderzoek vanuit zijn verantwoordelijkheid als registeraccountant de grenzen van de onderzoeksopdracht kritisch in het oog moeten houden en zich niet mogen neerleggen bij een onderzoeksopdracht die te beperkt was om de gestelde vragen in vaktechnisch opzicht voldoende gefundeerd te kunnen beantwoorden.

Gelet op het vorenoverwogene komt het College tot de conclusie dat het beroep gegrond dient te worden verklaard, met uitdrukkelijke verwerping van het verweer van betrokkene.

Het College acht onder de gegeven omstandigheden de maatregel van een waarschuwing passend en geboden.

Onderstaande beslissing berust op artikel 5 en artikel 11, eerste lid, GBR-1994 en Titel II, paragraaf 6 van de Wet op de registeraccountants.

6. De beslissing

Het College:

- verwerpt het beroep van klagers, zaakno. Awb 01/ 840;

- verklaart het beroep van betrokkene, zaakno. Awb 01/856, gegrond;

- verklaart de klachtonderdelen 1 tot en met 4 gegrond;

- legt aan betrokkene de maatregel op van schriftelijke waarschuwing.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr M.A. Fierstra en mr F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2002.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.J. van den Broek-Prins