Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6566

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-08-2002
Datum publicatie
16-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/430
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 01/430 15 augustus 2002

27338 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit technische ontwikkelingskredieten 1997

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellante,

gemachtigde: mr J.J.W. van Ingen, advocaat te Nijmegen,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr R.E. Groenewold, G.M.L. van Stiphout en R. Volkers, allen werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 1 juni 2001 heeft het College van appellante een per post verzonden beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 19 april 2001 van verweerder. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 december 2000, waarbij verweerder afwijzend heeft beslist op de aanvraag van appellante om een krediet op grond van het Besluit technische ontwikkelingskredieten 1997 Besluit (Staatsblad 1996, 611; gewijzigd Staatsblad 1998, 551; hierna: Besluit), ongegrond verklaard.

Op 22 november 2001 heeft het College van verweerder een verweerschrift ontvangen.

Het College heeft het beroep behandeld ter zitting van 4 juli 2002, alwaar de in de aanhef van deze uitspraak genoemde gemachtigden de standpunten van partijen nader hebben toegelicht. Voorts waren ter zitting aanwezig K en L, directeur respectievelijk algemeen directeur van appellante, alsook dr ir F.B. Gerritse en dr J.G.M. van Miltenburg MBM, beiden werkzaam bij Senter.

2. De grondslag van het geschil

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, wordt in het Besluit onder ontwikkelingsproject verstaan: een creatieve systematische activiteit, gericht op het omzetten van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema's of ontwerpen voor producten, processen of diensten dan wel wezenlijke onderdelen daarvan, die in technisch opzicht voor Nederland nieuw zijn en waaraan substantiële technische en daaruit voortvloeiende financiële risico's verbonden zijn.

Artikel 2, eerste lid, Besluit bepaalt dat de Minister van Economische Zaken op aanvraag een subsidie verstrekt in de vorm van een krediet aan een ondernemer die voor eigen rekening en risico een ontwikkelingsproject uitvoert.

Artikel 5, eerste lid, Besluit bepaalt dat er een Ontwikkelingsraad is, die tot taak heeft de Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om een krediet op grond van dit besluit.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, Besluit beslist de Minister in ieder geval afwijzend op een aanvraag die niet voldoet aan het Besluit.

Artikel 10, tweede lid, Besluit bepaalt onder meer dat de Ontwikkelingsraad in ieder geval een negatief advies uitbrengt indien gegronde vrees bestaat dat de aanvrager het project niet kan financieren (onder b) of indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van het ontwikkelingsproject, in het bijzonder de mogelijkheid om bij welslagen van het ontwikkelingsproject de commercialisatie van de resultaten ervan en de eruit voortvloeiende productie of dienstverlening alleen of in samenwerking met derden ter hand te nemen en het krediet en de bijgeschreven rente af te lossen binnen de economische levensduur van de eruit voortvloeiende producten of diensten (onder c).

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Door middel van een formulier met bijlagen, ingekomen bij verweerder op 30 mei 2000, heeft een samenwerkingsverband, waarvan appellante deel uitmaakte, een aanvraag ingediend om een krediet op grond van het Besluit ten behoeve van de ontwikkeling van een flexibele dynamische wegmarkering.

- Bij brieven van 19 juli 2000, 13 oktober 2000 en 30 oktober 2000 en bij faxberichten van 3 en 8 november 2000 is de aanvraag aangevuld. Vanaf 13 oktober 2000 geldt appellante als aanvraagster.

- Op 30 november 2000 heeft de Ontwikkelingsraad advies uitgebracht. In het advies wordt onder meer het volgende overwogen:

" De Raad is van mening dat:

- De financiering van het eigen aandeel in de projectkosten niet is aangetoond.

- Het slagen van het proefproject op de A-12 weliswaar een eerste voorwaarde is voor mogelijke toepassing van de wegmarkering voor aanpassing van het aantal rijstroken, maar dat dit op zich nog geen garantie biedt voor vervolgafzet. De rol van overheden bij de goedkeuring van gebruik op de weg en de vorm van samenwerking met partijen die de totale wegmarkering aanbieden, is onvoldoende verduidelijkt. Haalbaarheid en afzet in de overige aangegeven marktsegmenten zijn onvoldoende onderbouwd.

De Raad adviseert daarom de aanvraag af te wijzen op grond van artikel 10 lid 2, aanhef en onder b. en c. van het Besluit TOK 1997."

- Bij besluit van 15 december 2000 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Ontwikkelingsraad, afwijzend beslist op de aanvraag van appellante.

- Bij brief van 25 januari 2001 heeft appellante bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 december 2000.

- Op 22 maart 2001 heeft verweerder K en L voornoemd gehoord over de bezwaren van appellante. Tijdens de hoorzitting en bij faxbericht van 21 maart 2001 heeft appellante aanvullende stukken overgelegd.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder, samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende overwogen.

Verweerder neemt een advies van de Ontwikkelingsraad over, tenzij het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of het advies in strijd is met het Besluit. In de bezwaarfase wordt slechts opnieuw advies gevraagd aan de Ontwikkelingsraad, indien verweerder van mening is dat het uitgebrachte advies niet meer wordt gedragen door de onderliggende stukken, de nieuw aangeleverde stukken daaronder begrepen.

Het advies van de Ontwikkelingsraad is zorgvuldig tot stand gekomen. De Ontwikkelingsraad heeft de beschikking gehad over alle stukken. Het feit dat de voorzitter van de Ontwikkelingsraad in het verleden bij Philips heeft gewerkt, leidt niet tot het oordeel dat hij niet onafhankelijk is. De voorzitter werkt sinds 1995 niet meer bij Philips. Niet is gebleken van invloed van Philips op het advies van de Ontwikkelingsraad. Of in het advies hetzelfde wordt overwogen als hetgeen medewerkers van Philips tegenover medewerkers van appellante zouden hebben verklaard, kan verweerder niet beoordelen. Dat medewerkers van Philips mogelijk dezelfde kritiek op het project hebben geuit als de Ontwikkelingsraad, betekent op zichzelf niet dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Van strijdigheid van het advies met het Besluit is geen sprake. Op basis van het door appellante ingediende projectvoorstel heeft de Ontwikkelingsraad terecht geoordeeld dat sprake is van onvoldoende vertrouwen in de economische haalbaarheid van het project. Appellante heeft geen uitgewerkt marketingplan overgelegd, waarin is uiteengezet hoe de diverse potentiële afnemers van haar producten zullen worden benaderd en waarin is ingegaan op de wijze waarop medewerking van de betrokken overheden zal worden verkregen. Voorts is onvoldoende verduidelijkt welke rol appellante precies speelt in relatie tot de andere partijen die zijn betrokken bij de uitvoering van de werkzaamheden.

Ten aanzien van de financiering van het eigen aandeel is, aldus verweerder, van belang dat de betrokken vennootschappen een beperkt eigen vermogen hebben. Dat additionele middelen beschikbaar zijn, blijkt niet uit de in de aanvraagfase overgelegde stukken. Er bestaat geen aanleiding appellante de mogelijkheid te bieden de financiering in een later stadium aan te tonen, nu sprake is van twee afwijzingsgronden.

De in de bezwaarfase nader overgelegde stukken vormen geen aanleiding de Ontwikkelingsraad opnieuw om advies te vragen, nu appellante niet alsnog een uitgewerkt marketingplan heeft overgelegd.

Van door de projectadviseur opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen op verstrekking van een krediet is geen sprake.

4. Het standpunt van appellante

In het beroepschrift heeft appellante, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Door zijn enthousiasme voor het project en zijn uitspraak dat sprake was van een typisch TOK-project, heeft de projectadviseur de verwachting gewekt dat positief op de aanvraag zou worden beslist. Deze verwachting is mede gevoed door het Nationaal Verkeers- en Vervoersplan, waarin dynamische rijstrookmarkering als een oplossing voor het fileprobleem wordt gezien, door het feit dat dynamische rijstrookmarkering grond kan vormen voor een energie-investeringsaftrek en doordat appellante uit Europese gelden subsidie is verstrekt voor de ontwikkeling van een vezelinsteekmachine.

Het eigen aandeel van appellante in de financiering is, gelet op de in bezwaar overgelegde accountantsverklaring met betrekking tot het beschikbaar vermogen van appellante, wel degelijk aangetoond. Uitgaande van het maximaal te verlenen krediet houdt appellante zelfs geld over.

Het overleggen van een marketingplan behoort niet tot de mogelijkheden, aangezien het overheden niet is toegestaan aan te geven dat men een bepaald product voor een bepaalde prijs wenst te kopen. De projectadviseur heeft nimmer op de noodzaak van een marketingplan gewezen. Bovendien vormt een projectplan per definitie de weerslag van het inzicht van de dag, dat als zodanig voortdurend bijstelling behoeft. Uit het plan blijkt duidelijk hoe appellante bij de werkzaamheden zal worden betrokken, dat de economische haalbaarheid afhangt van de prijselasticiteit en dat naast dynamische rijstrookmarkering verschillende andere toepassingen mogelijk zijn. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien waarom appellante het ontbreken van een marketingplan zou (kunnen) worden tegengeworpen.

Het advies van de Ontwikkelingsraad is uiterst summier gemotiveerd. Door dit advies zonder meer onder te nemen, handelt verweerder in strijd met de artikelen 3:2, 3:9, 3:46, 3:47 en 3:49 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Ter zitting van het College heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zowel de nota van de projectadviseur als het advies van de Ontwikkelingsraad vele onjuiste feiten, verkeerde aannames en tendentieuze opmerkingen bevat. Appellante twijfelt aan de deskundigheid van de Ontwikkelingsraad.

Voorts heeft appellante ter zitting aangevoerd dat (a) tijdens de hoorzitting op bezwaar niemand aanwezig was die inhoudelijk van de zaak afwist, (b) de projectontwikkelaar ten onrechte heeft nagelaten zijn nota voorafgaand aan toezending aan de Ontwikkelingsraad aan appellante voor te leggen, (c) verweerder geen inzicht heeft verschaft in de stukken die hij aan de Ontwikkelingsraad heeft verstrekt, (d) dat een bepaald faxbericht onmogelijk binnen 18 minuten door de projectadviseur kon worden beoordeeld en (e) dat onbegrijpelijk is dat de doopceel van L is doorgelicht.

5. De beoordeling van het beroep

5.1 Het College zal allereerst beoordelen of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van het project.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich, in navolging van de Ontwikkelingsraad, op basis van de door appellante in de aanvraagfase overgelegde stukken op het standpunt kunnen stellen dat de economische haalbaarheid van het project niet voldoende is aangetoond. Het College stelt in dit verband vast dat uit geen van de in de aanvraagfase overgelegde stukken blijkt dat appellante een concreet en gericht plan heeft ontwikkeld waaruit blijkt hoe zij het door haar ontwikkelde product wil gaan afzetten. Blijkens de paragraaf "commerciële aspecten" van het bij brief van 30 oktober 2000 overgelegde projectplan wil appellante haar naamsbekendheid vergroten en haar contacten verder uitbreiden, terwijl tevens een aantal "kritische succesfactoren" wordt genoemd. Hieruit blijkt evenwel nog niet dat sprake is van een concreet marketingplan. Naar het oordeel van het College heeft de Ontwikkelingsraad in zijn advies in dit verband niet ten onrechte opgemerkt dat de rol van overheden bij de goedkeuring van gebruik op de weg en de vorm van samenwerking met partijen die de totale wegmarkering aanbieden, onvoldoende is verduidelijkt.

Vervolgens ziet het College zich gesteld voor de vraag of verweerder in de stukken die appellante in de bezwaarfase heeft overgelegd aanleiding had behoren te zien de Ontwikkelingsraad opnieuw om advies te vragen. Het College stelt vast dat ook uit de stukken die door appellante in de bezwaarfase zijn overgelegd, niet blijkt hoe appellante de afzet van haar product concreet wil realiseren. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van het College op het standpunt kunnen stellen dat appellante de economische haalbaarheid van het project ook in bezwaar niet heeft aangetoond en dat geen aanleiding bestaat de Ontwikkelingsraad nogmaals om advies te vragen.

Naar het oordeel van het College kan hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij niet het door verweerder gewenste marketingplan heeft overgelegd niet tot het door appellante gewenste resultaat leiden. Het Europese aanbestedingsrecht laat, zeker ook gelet op de ter zitting van het College namens appellante gedane mededeling dat niet zozeer overheden maar vooral (hoofd)aannemers haar potentiële opdrachtgevers zijn, onverlet dat van appellante mag worden verwacht dat zij inzichtelijk maakt hoe zij de verkoop van haar product wil realiseren. De stelling dat de projectadviseur haar niet zou hebben gewezen op de noodzaak een marketingplan over te leggen, ziet eraan voorbij dat deze adviseur bij ongedateerd faxbericht - appellante noemt in haar reactie 28 september 2000 als datum - uitgebreid heeft aangegeven over welke commerciële aspecten meer duidelijkheid diende te worden verschaft. Bovendien had appellante uit het advies en het primaire besluit kunnen opmaken dat aanvullende informatie werd verlangd en had zij deze in bezwaar alsnog kunnen verstrekken. Appellantes stelling dat een marketingplan het inzicht van de dag is, is in beginsel op ieder plan van toepassing en ontslaat appellante niet van de verantwoordelijkheid de economische haalbaarheid van het project voldoende aannemelijk te maken.

5.1.1 Het College ziet in hetgeen appellante dienaangaande heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder het advies van de Ontwikkelingsraad niet, althans niet zonder meer, had mogen volgen.

Appellante heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan naar het oordeel van het College moet worden betwijfeld dat de Ontwikkelingsraad de beschikking heeft gehad over alle tot dan toe overgelegde stukken.

Dat het advies van de Ontwikkelingsraad bondig is geformuleerd, laat onverlet dat duidelijk is dat en waarom de Ontwikkelingsraad verweerder heeft geadviseerd de aanvraag af te wijzen. Het College ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet op basis van het advies tot besluitvorming had mogen overgaan.

Het College ziet geen grond voor het oordeel dat hetgeen verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen over de twijfel van appellante aan de onafhankelijkheid van de voorzitter van de Ontwikkelingsraad rechtens onjuist is te achten.

Ter zitting van het College is namens appellante voor het eerst gesteld dat het advies van de Ontwikkelingsraad onjuiste feiten, verkeerde aannames en tendentieuze opmerkingen bevat. Het College acht het eerst ter zitting aandragen van dit argument in strijd met de beginselen van een goede procesorde, te meer nu niet valt in te zien en appellante daartoe ook geen enkel argument heeft aangevoerd waarom zij dit niet reeds in de bezwaarfase naar voren had kunnen brengen. Het College zal dit argument van appellante dan ook buiten beschouwing laten. Hetzelfde geldt voor de eerst ter zitting van het College door appellante geuite twijfel aan de deskundigheid van de Ontwikkelingsraad.

5.1.2 Het vorenstaande leidt het College tot een bevestigende beantwoording van de in

rubriek 5.1 van deze uitspraak geformuleerde vraag.

5.2 Nu verweerder, gelet op het vorenstaande, heeft kunnen oordelen dat twijfel bestaat aan de economische haalbaarheid van het project en dit oordeel het bestreden besluit zelfstandig draagt, behoeft hetgeen door partijen is aangevoerd over de financiering van het eigen aandeel geen bespreking meer.

Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel faalt, reeds nu is gesteld noch gebleken dat de projectadviseur appellante heeft gegarandeerd dat de aanvraag zou worden ingewilligd. Hetgeen appellante heeft aangevoerd over het verkeersplan en een subsidie uit Europese gelden, regardeert verweerder niet en rechtvaardigt dan ook geen beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat rijstrookmarkering naar gesteld voorkomt op de energielijst, laat onverlet dat kredietverstrekking slechts mogelijk is indien wordt voldaan aan de voorwaarden die het Besluit daaraan stelt.

De overige argumenten die appellante voor het eerst ter zitting van het College heeft aangevoerd, zal het College wegens strijd met de beginselen van een goede procesorde eveneens buiten beschouwing laten.

Hetgeen appellante verder nog heeft aangevoerd stuit op het vorenstaande af.

5.3 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, mr M.A. Fierstra en dr B. Hessel, in tegenwoordigheid van mr B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2002.

w.g. J.A. Hagen w.g. B. van Velzen