Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6563

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-08-2002
Datum publicatie
16-08-2002
Zaaknummer
AWB 00/380
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/380 13 augustus 2002

4110 Heffing

Bestemmingsheffing mest 1994

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Sociaal-Economische Raad, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr E.A. van Bonzel en R.M. Bakker, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 9 mei 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van het Landbouwschap van 28 april 2000.

Bij dit besluit heeft het Landbouwschap beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de opgelegde aanslag bestemmingsheffing mest 1994 op grond van de Heffingsverordening Mest.

Bij brief van 4 juni 2000 heeft appellant de gronden van beroep aangevuld.

Bij uitspraak van 14 december 2000 heeft het College het beroep van appellant met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant op 12 januari 2001 verzet gedaan.

Bij uitspraak van 17 juli 2001 heeft het College het verzet van appellant gegrond verklaard.

Bij brieven van 16 augustus 2001, 19 oktober 2001 en 11 april 2002 heeft verweerder verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2002. Appellant is niet ter zitting verschenen en verweerder heeft bij monde van zijn gemachtigden zijn standpunt nader toegelicht.

2. De vaststaande feiten

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft samen met zijn broer C een landbouwonderneming gedreven in de vorm een vennootschap onder firma (hierna: v.o.f.), genaamd "D". Blijkens een uitspraak van 13 oktober 1994 van de Arrondissementsrechtbank te Roermond (zaaknummer: X) is de v.o.f. "D" met ingang van 1 januari 1992 ontbonden. Uit deze uitspraak blijkt eveneens dat op dat moment nog geen verdeling van het vennootschaps-vermogen tussen appellant en C was gemaakt.

- Bij besluit van onbekende datum in het jaar 1997 heeft het Landbouwschap de v.o.f "D" een voorlopige aanslag bestemmingsheffing mest 1994 opgelegd ten bedrage van f 1.576,50.

- Bij brief van 27 januari 1997, door het Landbouwschap ontvangen op 31 januari 1997, heeft de accountant van C het Landbouwschap verzocht uitstel van betaling te verlenen van de aan de v.o.f. "D" opgelegde (voorlopige) aanslag bestemmingsheffing mest 1994.

- Het Landbouwschap heeft het verzochte uitstel van betaling verleend.

- Bij besluit van 28 februari 1997 heeft het Landbouwschap de v.o.f. "D" een definitieve aanslag bestemmingsheffing mest 1994 opgelegd ten bedrage van f 1.576,50.

- Bij brief van 3 augustus 1998 heeft het Landbouwschap appellant in kennis gesteld van het feit dat een openstaande post bestemmingsheffing mest 1994 ad f 1.576,50 in verband met de verdeling van de ontbonden v.o.f. "D" niet is betaald.

- Appellant heeft voormelde brief op een het College onbekende datum aan het Landbouwschap geretourneerd met de mededeling dat de brief aan C moet worden geadresseerd.

- Op 14 oktober 1998 heeft een deurwaarder op verzoek van het Landbouwschap aan appellant een dwangbevel betekend en bevel gedaan om binnen twee dagen onder meer te voldoen aan de aanslag bestemmingsheffing mest 1994.

- Bij brief van 15 oktober 1998 heeft de advocaat van appellant in een civielrechtelijke procedure het Landbouwschap, onder verwijzing naar een door hem met het Landbouwschap gevoerd telefoongesprek, medegedeeld dat de aanslag bestemmingsheffing mest 1994 niet door appellant, maar door C moet worden voldaan. In deze brief staat voorts vermeld dat het Landbouwschap de deurwaarder opdracht zal geven om de aanslag bestemmingsheffing mest 1994 bij C te innen en dat appellant verder niet zal worden geconfronteerd met verdere executiemaatregelen.

- Bij brief van 25 november 1999, aangevuld bij brief van 6 december 1999, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de opgelegde aanslag bestemmingsheffing mest 1994.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.

- Bij Besluit van 28 september 2000 (Stb. 2000, 411), in werking getreden op 1 juli 2001 (Stb. 2001, 92), is het Landbouwschap opgeheven.

In artikel 6, eerste lid, van dit Besluit is bepaald dat de opheffing van het Landbouwschap de rechtskracht van de door dat lichaam wettig opgelegde heffingen niet aantast. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van dit Besluit heeft de opheffing van het Landbouwschap geen gevolg voor de ontvankelijkheid van beroepen ingevolge de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie en treedt in de plaats van het Landbouwschap verweerder op.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Het bestreden besluit van het Landbouwschap luidt als volgt:

" (…)

U heeft bij schrijven d.d. 25 november 1999, bij het Landbouwschap ontvangen op 30 november 1999, bezwaar gemaakt tegen de aan u d.d. 28 februari 1997 opgelegde aanslag bestemmingsheffing mest 1994 op grond van de Heffingsverordening mest. Deze aanslag is te beschouwen als beschikking van het Landbouwschap. Naar aanleiding van het ingediende bezwaar delen wij u namens het Dagelijks Bestuur het volgende mede.

Ingevolge het bepaalde bij artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar tegen een beschikking van het Landbouwschap zes weken. Krachtens artikel 6:9 van de Awb is het bezwaarschrift tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen of, bij verzending binnen Nederland, voor het einde van de termijn ter post is bezorgd. Zoals in de toelichting op de achterkant van de aan u gezonden aanslag 1994 is aangegeven, diende het bezwaarschrift uiterlijk binnen 6 weken na de dagtekening van de aanslag bij het Landbouwschap te zijn ontvangen. Op grond van artikel 6:11 Awb wordt de indiener van een bezwaarschrift in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door opgaaf van redenen. De huidige jurisprudentie stelt zware eisen aan de redenen.

Uw bezwaarschrift is op 25 november 1999 ter post bezorgd en op 30 november 1999 bij het Landbouwschap ontvangen en dus te laat. De uiterste verzenddata hadden in dit geval 11 april 1997 moeten zijn. Het Landbouwschap heeft u bij schrijven d.d. 30 november 1999 verzocht om de reden van de te late indiening van het bezwaarschrift binnen 14 dagen na dagtekening van dat schrijven schriftelijk aan hem kenbaar te maken. Als reden van de te late indiening van het bezwaarschrift gaf uw heer A bij een op 7 december 1999 bij het Landbouwschap ontvangen (ongedateerd) schrijven aan dat de aanslagen hem niet bekend waren en pas later door de heer C bij hem in de bus werden gedeponeerd met de mededeling dat hij deze moest voldoen.

Uitgaande van de bestaande jurisprudentie stelt het Landbouwschap vast dat hetgeen hier met betrekking tot de late indiening van het bezwaarschrift is aangevoerd in redelijkheid niet tot het oordeel kan leiden dat het verzuim de maatschap niet is toe te rekenen. De in een maatschapsverband samenwerkende personen blijven hoofdelijk verantwoordelijk voor een correcte uitvoering van de administratie.

(…)"

Verweerder heeft hieraan in het verweerschrift van 19 oktober 2001 onder meer het volgende toegevoegd:

" (…)

In de uitspraak van de Rechtbank Roermond (…) is gesteld dat vanaf 1 januari 1992 de vennootschap onder firma tussen beide broers zou zijn ontbonden, maar uit die uitspraak blijkt evenzeer dat er op dat moment nog geen verdeling was gemaakt tussen beide broers. De aan de v.o.f. opgelegde heffingen van het Landbouwschap over 1993 en 1994, dus evenzeer betrekkinghebbend op een tijdvak waarbij van een vennootschap onder firma geen sprake meer zou zijn geweest, zijn dan ook zonder bezwaar door de toen inmiddels ontbonden v.o.f. voldaan. Dit geldt ook voor de bestemmingsheffingen mest over de jaren 1992 en 1993.

In dit verband zijn ook de volgende feiten van belang. Een aan de v.o.f. toegezonden brief bij toezending van het inventarisatieformulier, tevens bevattende een machtiging, is door belanghebbende op 29 augustus 1994 ondertekend en teruggezonden aan het Landbouwschap.

Aan het Handelsregister is pas op 26 april 1995 doorgegeven dat de v.o.f. per 1 januari 1992 was opgeheven.

In een brief van de administrateur van de heer C van 27 januari 1997 aan het Landbouwschap wordt melding gemaakt dat er nog geen verdeling tot stand is gekomen. Vanuit de administratie van Laser, kantoor voor inning van heffingen van het ministerie van LNV, is op 25 augustus 1999 aan het Landbouwschap doorgegeven dat daar is geregistreerd dat de maatschap D pas vanaf 31 december 1998 niet meer actief was.

Gelet op het vorenstaande is terecht geconcludeerd dat de bestemmingsheffing 1994 diende te worden gericht aan de oude v.o.f. en dat de beide vennoten daarvoor hoofdelijk aansprakelijk zijn. De situatie zoals die tussen beide broers is gerezen, is een aangelegenheid die voor hun beider rekening en risico dient te blijven. Onder deze omstandigheden waren er geen redenen de termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaar te passeren.

(…)"

Ter zitting heeft verweerder voorts medegedeeld dat de openstaande aanslag bestemmingsheffing mest 1994 inmiddels geheel is voldaan. Appellant en C hebben ieder de helft van het verschuldigde bedrag betaald.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep in hoofdzaak het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

In 1989 is de samenwerking tussen appellant en zijn broer C verbroken en sindsdien leven zij in onmin met elkaar. De v.o.f. "D" is als gevolg daarvan per 1 januari 1992 ontbonden. Bij de ontbinding van de v.o.f. zijn een gedeelte van de grond en de melkveehouderij (grondgebonden rechten) toebedeeld aan appellant. De varkenshouderij en het niet grondgebonden varkensfosfaat op het perceel aan de E-straat te F zijn toebedeeld aan C. De mestproductierechten hebben altijd betrekking gehad op het gedeelte van de v.o.f. "D" dat aan de E-straat te F was gevestigd. De bestemmingsheffing mest 1994 komt dus volledig voor rekening van C.

C heeft in 1999 het correspondentieadres van de v.o.f. "D" zelfstandig gewijzigd in het adres van appellant. Doordat appellant en C al meer dan tien jaar slechts via advocaten met elkaar communiceren, is veel correspondentie betreffende de v.o.f. blijven liggen en zijn aanvragen of reacties te laat ingediend. De aanslag bestemmingsheffing mest 1994 is door het Landbouwschap aan het adres van C te F gezonden en eerst nadat C het correspondentieadres van de v.o.f. "D" in het adres van appellant had gewijzigd, is appellant met deze aanslag bekend geworden. Appellant heeft vervolgens bezwaar gemaakt.

5. De beoordeling van het geschil

Het College staat voor de beantwoording van de vraag of het Landbouwschap het door appellant ingediende bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Ingevolge het bepaalde bij artikel 6:7, juncto 6:8, eerste lid, van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

In aanmerking genomen hetgeen appellant dienaangaande heeft aangevoerd, stelt het College vast dat appellant eerst bij brief van 25 november 1999 bij het Landbouwschap bezwaar heeft gemaakt tegen de door het Landbouwschap bij besluit van 28 februari 1997 opgelegde definitieve aanslag bestemmingsheffing mest 1994, hetgeen betekent dat hij bedoeld bezwaar niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na de dag van bekendmaking van het primaire besluit heeft gemaakt.

Voor deze termijnoverschrijding heeft appellant naar het oordeel van het College geen verschoonbare reden gegeven. Het betoog van appellant dat hij vanwege problemen in de verstandhouding met C eerst in 1999 bekend is geworden van het bestaan van de tot de v.o.f. "D" gerichte aanslag bestemmingsheffing mest 1994, kan het College niet volgen. Appellant heeft immers een aan hem gerichte brief van het Landbouwschap van 3 augustus 1998, betreffende de aanslag bestemmingsheffing mest 1994, aan het Landbouwschap geretourneerd met de mededeling dat deze brief aan C zou moeten worden geadresseerd. Op grond van deze omstandigheid moet worden geconcludeerd dat appellant kennis heeft genomen van de inhoud van die brief en dus op de hoogte was van het door het Landbouwschap genomen besluit betreffende de aanslag bestemmingsheffing mest 1994. Appellant heeft echter eerst ruim één jaar nadien bij het Landbouwschap bezwaar gemaakt tegen deze aanslag.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk verklaard en dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2002.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.S. Hoppener