Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6507

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-06-2002
Datum publicatie
14-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/408
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/408 27 juni 2002

13770 Wet tarieven gezondheidszorg

Ambulancevervoer

Uitspraak in de zaak van:

1. Onderlinge Waarborgmaatschappij De Friesland Zorgverzekeraar u.a. (hierna: De Friesland), gevestigd te Leeuwarden

2. Onderlinge Waarborgmaatschappij ANOZ Zorgverzekeringen u.a. (hierna: ANOZ),

gevestigd te Utrecht

3. Zorgverzekeraars Nederland/Kontaktcommissie Publiekrechtelijke Ziektekostenregelingen voor ambtenaren, regio Friesland (hierna: ZN/KPZ regiovertegenwoordiging), gevestigd te Leeuwarden,

appellanten,

gemachtigde: mr drs J.O. Möller, werkzaam bij appellante sub 1

tegen

College tarieven gezondheidszorg, gevestigd te Utrecht, verweerder,

gemachtigde: mr M.B. de Witte-van den Haak, advocaat te 's-Gravenhage.

1. De procedure

Op 22 mei 2001 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 april 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen zes op grond van de Wtg gegeven tariefbesluiten van 22 november 2000, verzonden op 24 november 2000, nrs 240-3020-00-3, 240-3570-00-3, 240-2170-00-3, 240-3760-00-3, 240-1890-00-4 en 240-1870-00-5, inzake ambulancediensten op de Waddeneilanden Schiermonnikoog, Vlieland, Ameland en Terschelling (hierna: de Waddeneilanden) en op het vasteland van Friesland, ongegrond verklaard.

Verweerder heeft onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken op 25 oktober 2001 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2002. Bij die gelegenheid hebben partijen, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Teneinde de continuïteit van een verantwoorde ambulancezorg op de Waddeneilanden te waarborgen heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport medio 2000 extra middelen ten behoeve van het ambulancevervoer op de Waddeneilanden beschikbaar gesteld. Deze extra middelen hebben geleid tot verhoging van de budgetten van alle zorgverzekeraars in Nederland.

- Bij brieven van 4 oktober 2000 aan RAV Friesland te Leeuwarden, Ambulancedienst Wijma BV te Leeuwarden, Gemeente Schiermonnikoog te Schiermonnikoog, De Friesland, ANOZ en ZN te Zeist heeft verweerder de rekenstaat voor het jaar 2000 toegezonden waarin, vooruitlopend op een eventuele toekenning van extra middelen voor de ambulancesector en op uitdrukkelijk verzoek van de minister van VWS, door de minister toegezegde extra middelen voor de Waddeneilanden waren opgenomen. Daarbij heeft verweerder het voornemen geuit de effecten van de toegekende extra middelen op de tarieven te mitigeren door deze extra middelen te verrekenen via de ambulancediensten op het vasteland.

- Bij brief van 10 oktober 2000 heeft appellante sub 3 verweerder ervan op de hoogte gesteld dat zij de brief van 4 oktober 2000 niet rechtstreeks, maar door tussenkomst van één van de betrokken ambulancediensten, had ontvangen. Bij deze brief heeft appellante sub 3, mede namens appellanten sub 1 en sub 2, verweerder meegedeeld verheugd te zijn over het besluit de budgetten van de vervoerders op de eilanden te verhogen, maar dat het voornemen de hoogte van de tarieven te mitigeren door de budgetverhogingen te verrekenen over het vasteland, ten principale niet de instemming van appellanten had. Tevens hebben appellanten hun verbazing uitgesproken dat op het moment waarop zij hun reactie over dit voorstel kenbaar maakten, het voorstel reeds bleek te zijn doorgevoerd en hebben zij bezwaar gemaakt tegen het voorstel en deze gang van zaken.

- Verweerder heeft op 10 november 2000 een tariefhoorzitting gehouden. Bij deze gelegenheid hebben appellanten verweerder erop gewezen dat appellante sub 1 de brief van 4 oktober 2000 formeel nooit heeft ontvangen en dat appellante sub 3 bedoelde brief eerst twee dagen na het verstrijken van de reactietermijn heeft ontvangen. Appellanten hebben op de hoorzitting bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde vereveningsmethodiek.

- Bij meergenoemde brieven van 24 november 2000 heeft verweerder de tariefbesluiten aan appellanten toegezonden.

- Bij brief van 28 december 2000 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen genoemde tariefbesluiten, alsmede tegen de gekozen methode van verevening.

- Appellanten hebben geen gebruik gemaakt van de door verweerder geboden mogelijkheid hun bezwaren mondeling toe te lichten op een hoorzitting.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

" 3. OORDEEL CTG OVER DE AANGEVOERDE BEZWAREN

Het CTG heeft weliswaar begrip voor het standpunt van de verzekeraars waar dit de tekortkomingen in de verzekeringsbudgettering betreft. Het CTG speelt echter in de toepassing van de verzekeringsbudgettering geen enkele rol. De taak van het CTG richt zich op het vaststellen van zo evenwichtig mogelijke tarieven. Het CTG acht daarom het vaststellen van tarieven variërend van f 12.000,- tot en met f 25.000,- per rit voor het ambulancevervoer niet wenselijk.

Anders dan de zorgverzekeraars stellen, is het CTG van mening dat de keuze voor de verevening via het vasteland niet willekeurig is. Hierbij merkt het CTG op dat de ambulancediensten op de Waddeneilanden zijn samengegaan met de diensten op het vasteland. Er zijn nu twee rechtspersonen waarin de desbetreffende ambulancediensten zijn opgegaan. Als gevolg hiervan zijn de rekenstaten van de ambulancediensten op de Waddeneilanden en het vasteland per 1 januari 2001 samengevoegd, met uitzondering van ambulancediensten Wijma bv. (Ameland en Leeuwarden) die per 1 januari 2002 worden samengevoegd. Dit betekent dat de door het CTG gekozen verrekenmethode per 1 januari 2001 structureel wordt toegepast. Het CTG oordeelt dat er, vooruitlopend op deze administratieve samenvoeging van de rekenstaten, op goede gronden is gekozen voor de verevening via het vasteland. Deze visie wordt ook door de RAV Friesland onderschreven.

De zorgverzekeraars hebben verder voorgesteld om eventuele verevening toe te passen over alle ambulanceritten in heel Nederland. Het CTG acht dit voorstel praktisch onuitvoerbaar. Dit zou immers betekenen dat alle ambulancediensten in Nederland zouden moeten bijhouden hoeveel budget men heeft gedeclareerd ten behoeve van de ambulancediensten op de Waddeneilanden. Vervolgens moeten de bedragen naar de ambulancediensten op de Waddeneilanden worden doorgesluisd. Deze verrekensystematiek betekent een extra administratieve last voor alle ambulancediensten in Nederland. Tevens is het nog maar de vraag of het gehele budget wordt gedeclareerd en doorgesluisd.

Op grond van het voorgaande is het CTG van mening dat het bezwaarschrift van de zorgverzekeraars dient te worden afgewezen."

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder hieraan nog het volgende toegevoegd.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat appellante sub 3 niet-ontvankelijk is in haar beroep omdat het beroepschrift is ondertekend door regiovertegenwoordiger A en deze niet als rechtsgeldig vertegenwoordiger kan worden aangemerkt. ZN heeft naar aanleiding van een verzoek van het College van 1 februari 2002 om een deugdelijke machtiging te overleggen, gemotiveerd betwist dat er sprake is van onbevoegde vertegenwoordiging. Hierbij verwijst ZN naar een machtiging die niet in het bezit is van verweerder. Bovendien wordt de brief van het College slechts beantwoord door ZN en niet door ZN/KPZ en is onveranderd gebleven dat door A beroep is aangetekend als regiovertegenwoordiger ZN/KPZ en niet als gemachtigde namens ZN/KPZ. De vraag is of de gebreken in de vertegenwoordiging van ZN/KPZ geheeld zijn.

Het rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg van 20 september 1999 over gebrek aan kwaliteit en continuïteit van de ambulancezorg op de Waddeneilanden, vormde voor de bij die ambulancezorg betrokken partijen aanleiding te werken aan een gezamenlijke oplossing van de bestaande knelpunten. Dit heeft geresulteerd in het document Ambulancezorg Waddeneilanden van 13 maart 2000, ook wel aangeduid als het 'Masterplan'.

De minister van VWS heeft er oog voor gehad dat verbetering van de kwaliteit van de zorg, in dit geval voor de ambulancediensten op de Waddeneilanden, soms gepaard gaat met hogere kosten en heeft in het algemeen overleg met de vaste kamercommissie voor volksgezondheid op 25 mei 2000 structurele financiering voor de uitvoering van het Masterplan beschikbaar gesteld (f 1,4 miljoen). In oktober 2000 heeft de minister verweerder verzocht al het mogelijke en noodzakelijke te doen met het oog op het waarborgen en garanderen van continuïteit van verantwoorde ambulancezorg door de instellingen die die hulp verlenen.

Verweerder heeft de minister van VWS bericht bereid te zijn de budgetten van de ambulancediensten in de specifieke probleemgebieden, Zeeland en de Waddeneilanden, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000 aan te passen met de daarvoor beschikbaar gestelde middelen. Op basis van een telefonische consultatieronde heeft verweerder het Masterplan aangemerkt als een verzoek om aanpassing van de tarieven.

Het standpunt dat verweerder geen beslissing had dienen te nemen in afwachting van onderzoek van en overleg met het College voor zorgverzekeringen (hierna: CVZ) over de wijze waarop deze extra middelen in de budgetten van de zorgverzekeraars worden verwerkt, bevreemdt verweerder. Toen extra budget beschikbaar kwam hebben appellanten ingestemd met het ondertekenen van een aanvraag voor de toekenning van middelen die uitgaan boven het op grond van de beleidsregels toegestane maximum en niet verzocht een beslissing aan te houden totdat het onderzoek van CVZ zou zijn afgerond. Appellanten hebben toen slechts bezwaren kenbaar gemaakt tegen het voornemen van verweerder omtrent de toe te passen systematiek van verevening van de kosten zonder te refereren aan het lopend overleg met en onderzoek van het CVZ. Evenmin is daarover op de hoorzitting van 10 november 2000 door appellanten geklaagd.

De belangen van appellanten zijn zorgvuldig afgewogen, maar hebben niet opgewogen tegen de belangen van de zorgaanbieders en het belang van het vaststellen van een evenwichtig tarief.

Verweerder heeft betrokkenen bij brief d.d. 4 oktober 2000 geïnformeerd over de verhoging van het budget. Daarbij heeft verweerder te kennen gegeven tarieven van f 12.000,-- tot f 25.000,-- per ambulancerit op de eilanden onwenselijk te achten en heeft verweerder het voornemen aangekondigd om de extra middelen voor de Waddeneilanden te verrekenen volgens een in het verleden gevolgde systematiek, inhoudende dat de extra middelen via een toeslag op de tarieven van de ambulancediensten op het Friese vasteland worden verrekend.

Met betrekking tot de bezwaren betreffende de kosten ten laste van de zorgverzekeraars, stelt verweerder dat slechts het goedkeuren en vaststellen van tarieven tot zijn wettelijke taak behoort. Het CVZ heeft tot taak de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Ziekenfondswet en de AWBZ te bevorderen en kan met het oog daarop beleidsregels vaststellen. Voorts is het CVZ belast met het beheer van de Algemene Kas. De middelen van de Algemene Kas worden onder meer aangewend ten behoeve van de (gehele of gedeeltelijke) kosten van of uitgaven voor de ziekenfondsverzekering of ten behoeve van het verstrekken van subsidies. Uit deze wettelijke taakverdeling vloeit voort dat het CTG niet het aangewezen orgaan is dat het door appellanten naar voren gebrachte budgetprobleem van de zorgverzekeraars zou kunnen of zou moeten oplossen. Volgens de wettelijke systematiek is niet verweerder, maar het CVZ het aangewezen aanspreekpunt.

Het bezwaar van appellanten dat de kosten van het ambulancevervoer op de Waddeneilanden ten laste komen van een beperkt aantal verzekeraars vindt grotendeels zijn oorzaak in de toedeling van de budgetten en niet in de tarieven. Ook indien bij de vaststelling van de tarieven was uitgegaan van de werkelijke kosten, zouden de kosten ten laste komen van de zorgverzekeraars die de verzekerden in die regio bedienen. De lasten zouden uitsluitend minder zijn indien de regionale zorgverzekeraars een relatief hoger budget zouden ontvangen ten behoeve van de kosten van ambulancevervoer op de eilanden.

Dat de regionale zorgverzekeraars geen geoormerkt budget krijgen, is verklaarbaar gezien de keuzevrijheid van verzekerden. Deze vrijheid brengt met zich dat inwoners van de eilanden een zorgverzekeraar in, bijvoorbeeld, Limburg zouden kunnen hebben. Verweerder acht het niet doenlijk de tarifering aan te passen aan de spreiding van verzekerden op de eilanden over de diverse verzekeraars.

Voorts meent verweerder dat aan het hanteren van een tarief op basis van werkelijke kosten meer nadelen dan voordelen verbonden zijn. Verweerder wijst op het incassoriciso dat naar zijn oordeel vanwege kwaliteits- en continuïteitsproblemen onwenselijk is. Bovendien zouden de tarieven uit de pas lopen met die van de overige aanbieders van ambulancevervoer.

De suggestie van appellanten dat de tarieven van ambulancevervoer op de eilanden ten gevolge van de tariefbeschikkingen van verweerder betaald gaan worden door de bevolking van Friesland acht verweerder onjuist, tenzij de regionale zorgverzekeraars hierin aanleiding zien voor premieverhogingen. Daarvan is evenwel niet gebleken en bovendien is een daartoe strekkende beslissing verweerder niet aan te rekenen.

Verweerder betwist dat het onredelijk is de kosten van ambulancevervoer op de eilanden te verrekenen met de tarieven van ambulancevervoer op het vasteland, omdat, naar appellanten hebben gesteld, het toeval zou zijn dat het vervoer door dezelfde aanbieders wordt verzorgd. Verweerder heeft bewust voor deze systematiek gekozen en heeft daarbij rekening gehouden met de concrete feitelijke situatie dat het ambulancevervoer op de eilanden door dezelfde organisaties wordt verzorgd als die op het vasteland. Dat de tarieven met het oog op het behoud van een zeker evenwicht worden verrekend over die aanbieders die in die regio het ambulance vervoer verzorgen, acht verweerder niet onredelijk.

Ook uit het feit dat is aangesloten bij een reeds eerder toegepaste vereveningsmethodiek, waarbij de kosten voor de Waddeneilanden zijn verrekend via een toeslag op de tarieven van de Centrale Post Ambulancevervoer (CPA) blijkt dat het bestreden besluit niet willekeurig of onredelijk is genomen. Van de zijde van de verzekeraars is daartegen destijds geen bezwaar gemaakt. Niet valt in te zien waarom thans een vergelijkbare verrekening via toeslagen op de tarieven van de regionale ambulancevervoerders wel onredelijk zou zijn.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep, samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De tariefbeslissingen zijn onderdeel van een samenstel van gegevens en maatregelen die alle betrekking hebben op de zogenaamde Waddenproblematiek. De kern van die problematiek is gelegen in de geografische- en demografische omstandigheden op de Waddeneilanden waardoor bepaalde voorzieningen, zoals ambulancevervoer, omgeslagen over de bevolking van de Waddeneilanden, buitensporig kostbaar zijn. De gebruikelijke mechanieken voor de financiering van deze voorzieningen leiden tot niet acceptabele resultaten. De minister van VWS heeft dit onderkend en heeft extra middelen gevoteerd ten behoeve van het ambulancevervoer op de Waddeneilanden. Deze extra middelen zijn vervolgens via de reguliere budgetsystematiek ingebracht, tengevolge waarvan alle zorgverzekeraars in Nederland, afhankelijk van hun marktaandeel, een deel van deze middelen in hun budget verwerkt zien. Aangezien de extra middelen echter op en aan de Waddeneilanden worden uitgegeven, drukt dit bedrag primair op de bevolking van die regio en daarmee voornamelijk op de verzekeraars van de in die regio opererende maatschappijen.

In weerwil van de intentie van de minister om extra middelen ten laste van de algemene kas beschikbaar te stellen ten behoeve van de locale bevolking op de Waddeneilanden, komen die extra middelen nu voor rekening van diezelfde locale bevolking. Hierover is overleg gaande tussen het ministerie van VWS en de zorgverzekeraars. Voorts heeft het CVZ een onderzoek gestart waarbij de problematiek met betrekking tot de beschikbaarheid en de infrastructuur van de gezondheidszorg op de Waddeneilanden opnieuw in kaart zal worden gebracht. Hangende de dialoog met de minister van VWS en het onderzoek van het CVZ achten appellanten in strijd met de regels van behoorlijk bestuur dat verweerder appellanten door middel van de bestreden tariefbeslissingen voor voldongen feiten plaatst.

Appellanten wijzen erop dat het de minister vrij staat de toegezegde extra middelen richting de meest gerede zorgverzekeraars te sluizen. De extra middelen zijn conform de reguliere budgetsystematiek toegedeeld. In tegenstelling tot deze conventionele benadering van het ministerie, heeft verweerder, in plaats van de gebruikelijke benadering om de kosten via de tarieven daar te leggen waar ze gemaakt worden, gekozen voor verevening via een toeslag op de tarieven, zoals die gelden voor ritten op het vasteland door de vervoerders die het vervoer op de eilanden verzorgen. Deze oplossing biedt voor de betrokken vervoerders weliswaar op korte termijn ruimte, maar vormt geen structurele oplossing. In de praktijk betekent deze benadering immers dat De Friesland, ANOZ en een beperkt aantal andere verzekeraars het overgrote deel van de extra kosten in rekening gebracht krijgt, zonder reële compensatie. Dit klemt temeer daar een significant aantal ambulanceritten plaatsvindt ten behoeve van de toeristen die op de eilanden verblijven. Deze ritten zullen derhalve als het ware betaald worden door de bevolking in Friesland. De door verweerder gekozen systematiek benadeelt daarmee de verzekerden en de verzekeraars in Friesland, maar bevoordeelt de toeristen die op de eilanden verblijven en hun verzekeraars. Bij gebrek aan een landelijke evenwichtige regeling, menen appellanten dat een tarief dat de werkelijke kosten doorberekent, ook al leidt dit eveneens tot onevenwichtige tarieven, de voorkeur geniet omdat dan in ieder geval de zorgconsument en zijn/haar betrokken verzekeraar een deel van de kosten betalen.

De vereveningsmethodiek, zoals door verweerder toegepast, heeft volgens appellanten ook andere onredelijke aspecten. Het is in meer of mindere mate toeval dat de vervoerders op de eilanden hun bedrijf ook uitoefenen op het vasteland. Appellanten achten niet redelijk dat verweerder hierin een motief vindt om de voorgestelde verevening juist op die ritten te laten drukken. Te verwachten valt dat deze vervoerders hun activiteiten op de eilanden zullen staken of dat zij zullen verzelfstandigen, dan wel dat zij op het vasteland door concurrerende vervoersorganisaties, die deze vereveningslasten niet hoeven te verrekenen, worden verdrongen. Het gegeven dat momenteel de onderhavige ambulancediensten in twee rechtspersonen zijn opgegaan waardoor de rekenstaten van de ambulancediensten op de Waddeneilanden en het vasteland per 1 januari 2001 en 2002 zijn/worden samengevoegd, doet daar niets aan af.

De methodiek van verevening wijkt in verregaande mate af van de gebruikelijke werkwijze van directe kostentoerekening. De stelling van verweerder dat een extreem hoge ritprijs op de eilanden ontstaat bij toepassing van deze werkwijze is feitelijk juist maar vormt de enige onderbouwing van verweerders keuze voor de vereveningsmethodiek. Appellanten achten die keus arbitrair.

Tenslotte brengen appellanten naar voren dat ook zij extreem hoge ritprijzen niet aantrekkelijk vinden. Dergelijke hoge ritprijzen zullen invorderingsproblemen teweeg brengen die uiteindelijk bij de vervoerders komen te liggen en zouden tot onverzekerbaarheid van de bewoners van de Waddeneilanden kunnen leiden. Een eventuele verevening van extreme ritprijzen op de Waddeneilanden zou in de visie van appellanten echter dienen plaats te vinden over alle ambulanceritten in Nederland. Daarmee zou de evenwichtigheid van de ambulancetarieven gediend zijn. Appellanten betwisten dat dit onuitvoerbaar is. Verevenen van de extra kosten over alle ambulanceritten in Nederland sluit aan bij de systematiek van het vaststellen van ziekenfondsbudgetten en brengt als het ware de kosten bij de baten. Daarmee zou, naar appellanten menen, een aanzienlijk bevredigender oplossing zijn gevonden.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Met betrekking tot de kanttekeningen die verweerder heeft geplaatst bij de ontvankelijkheid van appellante sub 3 in haar beroep, overweegt het College dat het, mede in het licht bezien van de in de onderhavige zaak overgelegde machtigingen in bezwaar en in beroep, niet voor misverstanden vatbaar is dat namens appellante sub 3 bezwaar en vervolgens beroep is ingesteld. Ook verweerder heeft dit kennelijk zo opgevat aangezien hij niet het namens appellante sub 3 ingediende bezwaar niet ontvankelijk heeft verklaard. Aan de vermelding 'regiovertegenwoordiger' onder de naam van gemachtigde A in het beroepschrift van appellante sub 3, komt naar het oordeel van het College dan ook niet de betekenis toe dat A het beroep niet in de hoedanigheid van gemachtigde heeft ondertekend. Aan bedoelde vermelding worden door het College mitsdien geen gevolgen verbonden.

5.2 Het College staat vervolgens voor de beantwoording van de vraag of de in het geding zijnde tariefvaststellingen de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan. Het College beanwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Het College stelt voorop dat de Wtg verweerder een ruime mate van beleidsvrijheid toekent inzake het vaststellen van de hoogte, de opbouw en de wijze van berekening van tarieven. Inherent aan een dergelijke beleidsvrijheid is dat verweerder, indien daarvoor in verband met bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat, van een vaste beleidslijn kan afwijken.

In het onderhavige geval heeft verweerder, in verband met de toekenning door de minister van VWS van extra middelen ten behoeve van het vervoer per ambulance op de Waddeneilanden, zich genoodzaakt gezien een modus te ontwikkelen om reeds met ingang van het lopende jaar, 2000, de gevolgen van de toekenning van deze extra middelen in de tariefstelling voor ambulancevervoer te verwerken. Verweerder heeft, na consultatie van alle betrokken partijen, besloten de effecten van de verhoging van de budgetten van de zorgverzekeraars te verrekenen in de tarieven van de ambulancediensten van het vasteland van Friesland en is met die keuze afgeweken van de vaste beleidslijn om kosten daar te verrekenen, waar zij zijn gemaakt. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting ligt aan de thans door verweerder gekozen vereveningsmethodiek de opvatting ten grondslag dat het effect van de verhoging van de budgetten van de zorgverzekeraars op de tarieven gemitigeerd diende te worden teneinde te voorkomen dat voor het ambulancevervoer op de Waddeneilanden maatschappelijk onaanvaardbaar hoge tarieven in rekening gebracht zouden moeten worden. Deze opvatting acht het College niet onjuist, gezien de doelstelling van de Wtg om te komen tot een stelsel van evenwichtige tarieven en gelet op de aan verweerder toekomende beleidsvrijheid.

Voorts is het College gebleken dat verweerder bij het nemen van de in geding zijnde tariefbesluiten rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het ambulancevervoer op de Waddeneilanden geschiedt door dezelfde vervoerders als in Friesland en dat ten tijde van het nemen van de tariefbesluiten tussen deze vervoerders een fusie in voorbereiding was, tengevolge waarvan de budgetten van de betrokken ondernemingen zouden worden samengevoegd. Naar verweerder onweersproken heeft gesteld, zijn tevens afspraken gemaakt over het ambulancevervoer in de betreffende regio, als gevolg waarvan Friesland met ingang van 2003 slechts één ambulancevervoerder zal hebben. Het College acht niet onredelijk dat verweerder bij de tariefstelling reeds rekening heeft gehouden met genoemde ontwikkelingen.

Ten aanzien van het standpunt van appellanten dat een eventuele verevening van extreme ritprijzen op de Waddeneilanden zou behoren plaats te vinden over alle ambulanceritten in Nederland, omdat de door verweerder gekozen systematiek de verzekerden en de verzekeraars in Friesland benadeelt, overweegt het College dat de enkele omstandigheid dat de door verweerder gekozen systematiek voor appellanten nadelig uitvalt, geen grond biedt voor de opvatting dat verweerder niet in redelijkheid deze methodiek heeft kunnen toepassen. Verweerder heeft uiteengezet dat de door appellanten gewenste vereveningssystematiek over alle ambulanceritten in Nederland, een administratie zou vergen die uitvoeringstechnisch op vrijwel onoverkomelijke bezwaren stuit, terwijl ook de keus voor het doorberekenen van de werkelijke kosten aan de zorgconsument en de betrokken verzekeringsmaatschappij geen aantrekkelijke optie is, omdat die keus tot hoge ritprijzen op de Waddeneilanden zou leiden, hetgeen voor de vervoerders aldaar het risico van invorderingsproblemen met zich brengt. Gelet op de wijze waarop verweerder de bij deze aangelegenheid betrokken belangen heeft afgewogen, kan naar het oordeel van het College niet worden staande gehouden dat verweerder niet in redelijkheid tot de litigieuze tariefvaststellingen is kunnen komen.

Voorts moet in aanmerking worden genomen dat de omstandigheid dat de extra middelen die door de minister zijn toegekend voor het ambulancevervoer op de Waddeneilanden via de reguliere budgetsystematiek zijn ingebracht, waardoor alle zorgverzekeraars in Nederland een deel van deze middelen in hun budget verwerkt zien, verweerder niet regardeert. Vast staat dat alle betrokken partijen het erover eens waren dat het budget voor het ambulancevervoer op de Waddeneilanden bijstelling behoefde. Dat het CVZ niet een geoormerkt budget heeft toegekend aan bepaalde zorgverzekeraars is een aangelegenheid die geen verband houdt met de toepassing van de Wtg.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2002.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.J. van den Broek-Prins