Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6505

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-07-2002
Datum publicatie
14-08-2002
Zaaknummer
AWB 00/755
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen, geldigheid: 2002-07-18
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 3, geldigheid: 2002-07-18
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 3a, geldigheid: 2002-07-18
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 4, geldigheid: 2002-07-18
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 5, geldigheid: 2002-07-18
Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 7, geldigheid: 2002-07-18
Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 10, geldigheid: 2002-07-18
Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000, geldigheid: 2002-07-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 00/755 18 juli 2002

32010 Bestrijdingsmiddelenwet

Toelating

Uitspraak in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AgriChem B.V., gevestigd te Oosterhout, appellante,

gemachtigde: mr J.F. van Nouhuys, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen

het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), te Wageningen, verweerder,

gemachtigde: mr F. Heus, advocaat te 's-Gravenhage,

waaraan voorts als derde-belanghebbende partij deelneemt:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BASF Nederland B.V., gevestigd te Breda,

gemachtigde: mr M.W.L. Simons-Vinckx, advocaat te Breda.

1. De procedure

Op 15 september 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 4 augustus 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de beslissingen van verweerder van 11 februari 2000, waarbij verweerder de toelatingen van de bestrijdingsmiddelen AgriChem Bentazon vloeibaar 2 (toelatingsnummer 10227 N, hierna: Bentazon) en Agrichem Bentazon-Terbutylazin (toelatingsnummer 11204N, hierna: Bentazon-T) heeft ingetrokken, gedeeltelijk gegrond verklaard.

De gegrondverklaring betreft de bezwaren van appellante tegen de grondslag van de beslissingen, tegen de terugwerkende kracht van de beslissingen en tegen de visie van verweerder op de reactie van appellante betreffende het voornemen tot beëindiging van de toelating, welke visie appellante te summier heeft geacht. De overige bezwaren van appellante heeft verweerder bij het besluit van 4 augustus 2000 ongegrond verklaard.

Op 22 november 2000 heeft het College terzake van dit beroep een verweerschrift van verweerder ontvangen.

Het College heeft BASF Nederland B.V. (hierna: BASF), nadat deze bij brief van 27 maart 2002 het College daarom had verzocht, in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen.

Op 28 maart 2002 heeft verweerder naar aanleiding van het verzoek van BASF ten aanzien van zes bij het verweerschrift overgelegde produkties en ten aanzien van twee nadien overgelegde produkties een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Op 29 maart 2002 heeft appellante het College meegedeeld dat, indien het College besluit BASF Nederland B.V. tot het geding toe te laten, deze partij geen kennis mag nemen van een aantal, door appellante geconcretiseerde, stukken in het procesdossier.

Op 4 april 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet.

Tevens zijn ter zitting verschenen aan de zijde

van appellante: A en B, beiden werkzaam bij appellante;

van verweerder: C en D, beiden werkzaam bij verweerder;

van BASF: E, werzaam bij BASF.

Het College heeft ter zitting beslist dat de hiervoor bedoelde, door verweerder en appellanten gevraagde, beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Ter zitting is door BASF toestemming verleend dat het College mede op grondslag van deze stukken uitspraak doet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De toepasselijke regelgeving.

In de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: Wet) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 3

1. Een bestrijdingsmiddel wordt slechts toegelaten indien:

a. op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van onderzoek van de gegevens, bedoeld in artikel 4, tweede lid, met inachtneming van de bij of krachtens artikel 3a vastgestelde regels en beginselen voor de beoordeling, is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingsprodukten, wanneer het overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt gebruikt:

(…)

9. geen schadelijke uitwerking heeft op het grondwater;

10. geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, (…)

(…)

Artikel 3a

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen

worden gesteld met betrekking tot de toelatingscriteria als bedoeld in artikel 3,

eerste lid, onderdeel a, en kunnen beginselen voor de beoordeling worden

vastgesteld.

(…)

Artikel 4

(…)

2. Onze betrokken Minister stelt regelen omtrent het indienen van een aanvraag, de bij een aanvraag door de aanvrager over te leggen gegevens en zelfstandigheden, de aan de gegevens en zelfstandigheden ten grondslag liggende onderzoeksmethoden en omstandigheden en de wijze van behandeling daarvan.

(…)

Artikel 5

1. De toelating van een bestrijdingsmiddel geldt voor een in het besluit tot toelating te bepalen termijn van ten hoogste tien jaren. De toelating kan één of meerdere malen met ten hoogste tien jaren worden verlengd indien is gebleken dat nog steeds aan de voorwaarden voor toelating is voldaan. Zonodig kan de toelating worden verlengd voor de periode die met de beoordeling van de aanvraag tot verlenging gemoeid is.

(…)"

Ter uitvoering van artikel 3a van de Wet is het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Stb 1995, 37) (hierna: Bmb) vastgesteld. In het Bmb zoals dit laatstelijk is gewijzigd is - voorzover hier van belang - het volgende bepaald:

" § 3. Uitspoeling naar het grondwater

Art. 6. - 1. Het gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten hebben na uitspoeling:

a. een berekende concentratie in de bovenste meter van het grondwater van minder dan 0,1 microgram per liter dan wel van minder dan de kleinste concentratie bedoeld in deel C, punt 2.5.1.2, onder a.1., van richtlijn nr. 94/43/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 juli 1994 tot vaststelling van bijlage VI bij richtlijn nr. 91/414/EEG betreffende het op de markt

brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 227), of

b. een gemeten concentratie in het grondwater van minder dan 0,1 microgram per liter dan wel van minder dan de kleinste concentratie bedoeld in deel C, punt 2.5.1.2, onder a.1., van de in onderdeel a genoemde richtlijn nr. 94/43/EG.

In de ter uitvoering van het Bmb gegeven Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (hierna: Rumb) is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

" (…)

2. a. De concentratie van een stof in de bovenste meter van het grondwater bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van het besluit wordt berekend met toepassing van Bijlage IV.

(…)"

In Bijlage IV behorende bij de Rumb is onder meer het volgende bepaald:

" De te verwachten concentratie van een bestrijdingsmiddel in het bovenste grondwater wordt berekend in twee, opeenvolgende stappen; de eerste stap wordt altijd uitgevoerd, de tweede is optioneel en afhankelijk van de uitkomst in de voorgaande stap van de beschikbare gegevens. Na elke stap kan een beslissing worden genomen.

Stap 1. berekening op basis van laboratorium gegevens

(…)

Stap 2. berekening op basis van gegevens van veld- of lysimeterexperimenten

(…)"

In de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 (Stcrt. 41) (hierna: Rtb 1995), een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet, zoals deze laatstelijk is gewijzigd, is het volgende bepaald:

" Art. 7.-1. Aanvragen tot toelating van een bestrijdingsmiddel, tot verlenging van de toelating van een bestrijdingsmiddel en tot wijziging van de samenstelling of uitbreiding van het gebruiksgebied van een toegelaten bestrijdingsmiddel worden ingediend bij het college onder gebruikmaking van aldaar verkrijgbare formulieren.

(…)

-5. Het college kan, indien de behandeling van een aanvraag tot verlenging van een toelating niet tijdig kan zijn afgerond, de betreffende toelating verlengen voor de duur die benodigd is voor de afronding van deze behandeling.

(…)

Art. 10

1. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vierendertig weken na ontvangst van het op grond van artikel 38 verschuldigde bedrag, wordt de aanvrager een opgave gedaan van door hem, binnen een bij die opgave gestelde termijn alsnog te leveren dan wel aanvullend te leveren gegevens en van te verrichten onderzoekingen (...)."

2.2 De vaststaande feiten.

- Bij besluit van 22 maart 1989 heeft verweerder voor het middel Bentazon een toelating verleend geldig tot 1 december 1989.

- Bij brief van 13 maart 1991 heeft verweerder onder verwijzing naar het beleid zoals uiteengezet in de "Persistentienota" (Tweede Kamer 1985/1986, 19200, hoofdstuk XIV, nr. 59) en de notitie "Milieucriteria ten aanzien van stoffen ter bescherming van bodem en grondwater"(Tweede Kamer 1988/1989, 21012) appellante van zijn voornemen in kennis gesteld de toelatingen van Bentazon-houdende middelen in beginsel niet meer te verlengen na 1 december 1991 en de betreffende toelating van appellante voor te dragen voor een verlenging tot 1 december 1991. Ten aanzien van de uitspoeling naar het grondwater van Bentazon-houdende middelen heeft verweerder in deze brief gesteld

" Uitspoeling (berekend én gemeten in het grondwater)

Op grond van de gegevens met betrekking tot het gedrag van bentazon in de bodem en berekeningen met het standaard gehanteerde (CTB-)model (…) concludeert de Commissie, dat toepassing van bestrijdingsmiddelen met bentazon kan leiden tot concentraties hoger dan 0,1 ug/l in het grondwater tussen 0 en 2 meter beneden de grondwaterspiegel. Bij weten van de Commisie is de stof bentazon of zijn verwante omzettingsprodukt(en) in het grondwater ook gemeten in concentraties tot 1,1 ug/l (bron: Kiwa, december 1990, Bestrijdingsmiddelen en Drinkwatervoorziening in Nederland)."

- Bij besluit van 15 april 1993 heeft verweerder een toelating verleend voor het middel Bentazon-T, geldig tot 1 december 1993.

- Bij besluit van 25 november 1993 heeft verweerder de toelating van Bentazon verlengd tot 1 december 1998 en heeft verweerder appellante het volgende meegedeeld:

" Bepaalde toepassing(en) van bovengenoemd middel voldoet(n) niet aan de in de Regeringsbeslissing Meerjarenplan Gewasbescherming (Kamerstukken II, 1990-1991, nr. 21677) genoemde criteria inzake uitspoeling of persistentie. Deze criteria kunnen op grond van rechterlijke uitspraken niet worden toegepast. Thans wordt gewerkt aan wetswijziging en aan de invoering van een algemene maatregel van bestuur (AmvB), waarin deze milieucriteria zijn opgenomen. Op het moment dat de AmvB ter advisering wordt aangeboden aan de Bestrijdingsmiddelencommissie, zullen toelatingen/-aanvragen tot toelating voor middelen die niet voldoen aan de criteria voor persistentie en uitspoeling alleen nog worden verlengd/toegewezen voor een korte periode. Deze periode zal ongeveer gelijk zijn aan de periode tot aan inwerkingtreding van de AmvB. Reden van deze handelwijze is dat na inwerkingtreding van de AmvB deze middelen opnieuw op hun toelaatbaarheid worden beoordeeld, en zullen worden getoetst aan de in de Amvb opgenomen milieucriteria. Mogelijk is dat toelatingen tussentijds worden ingetrokken na het totstandkomen van het betreffende regelgevingskader."

- Bij brief van 31 januari 1994 heeft verweerder appellante als voorwaarde voor verlenging na 1 december 1998 verzocht een aantal gegevens te verschaffen alsmede een overzicht van alle met de werkzame stof bentazon uitgevoerde, bij appellante aanwezige, residustudies. In het slot van deze brief heeft verweerder zijn mededeling in de brief van 25 november 1993 met betrekking tot te ontwikkelen regelgeving herhaald, alsmede de in die brief aangekondigde mogelijkheid dat toelatingen tussentijds worden ingetrokken na het tot stand komen van bedoelde regelgeving.

- Op 31 juli 1996 heeft verweerder in zijn 'Notitie inzake toepassing Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (versie 2) de wijze aangegeven waarop verweerder uitvoering geeft aan het met ingang van 1 februari 1995 in werking getreden Bmb. In deze notitie is onder meer het volgende vermeld:

" Hoofdlijnen

(…)

Toegelaten bestrijdingsmiddelen

In het geval van reeds toegelaten bestrijdingsmiddelen geldt het volgende:

1. Het College kan m.b.t. een toepassing van het bestrijdingsmiddel constateren, dat er sprake is van een berekende overschrijding van een norm en dat deze overschrijding groter is dan een faktor X**(…). In dergelijk geval maakt het College zijn voornemen om de toelating van de betreffende toepassing te beëindigen aan de toelatinghouder kenbaar. (…)

2. In het geval de berekende overschrijding kleiner is dan X wordt de houder van de toelating in de gelegenheid gesteld om door middel van het overleggen van nadere geevens en/of berekeningen aan te tonen dat onder praktijkomstandigheden geen overschrijding plaatsvindt dan wel geen ongewenste effecten optreden. (…)

3. Indien uit meetgegevens een overschrijding van de norm inzake uitspoeling en toxiciteit waterorganismen blijkt wordt de toelating beëindigd.

(…)"

- Bij besluit van 4 oktober 1996 heeft verweerder de toelating van Bentazon T verlengd tot 1 december 1998. In bijlage I behorende bij dit besluit is onder andere vermeld:

" Besluit

(…)

Als voorwaarde voor verlenging geldt het verschaffen van de volgende gegevens voor de stof terbutylazin:

. nader onderzoek m.b.t. uitspoeling naar het grondwater (veld- en/of

lysimeteronderzoek);

(…)"

- Bij brief van 17 oktober 1996 heeft verweerder appellante van zijn voornemen tot afwijzing van een verzoek van BASF, mede namens appellante, van 25 juni 1995 tot wijziging van de toelating conform artikel 8 Bmb ('kanalisatievoorstel') in kennis gesteld en aan appellante onder meer meegedeeld dat het gebruik van bentazon in de bollenteelt leidt tot overschrijdingen van de voorlopige norm van 10 µg/L voor uitspoeling naar het grondwater.

- Bij besluit van 7 februari 1997 heeft verweerder het 'kanalisatievoorstel' van BASF en appellante voor het middel Bentazon van 25 juli 1995 afgewezen. De motivering van dit besluit is opgenomen in de bij het besluit behorende Bijlage I en luidt als volgt:

" In de brief van 17 oktober 1996 is aan de toelatinghouder (96/4998 RBO/SEG) medegedeeld dat het College het voornemen had het verzoek af te wijzen omdat meetgegevens uitwijzen dat het gebruik van bentazon in de bollenteelt leidt tot overschrijdingen van de voorlopige norm van 10 ug/L voor uitspoeling naar het grondwater. De toepassing voldoet derhalve niet aan de voorlopige norm en het criterium inzake uitspoeling naar het grondwater zoals deze is overeengekomen op grond van de bestuursovereenkomst MJP-G (artikel 8, tweede lid, van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen).

De toelatinghouder heeft niet gereageerd op bovengenoemd voornemen."

- Bij brief van 28 juli 1997 heeft verweerder appellante meegedeeld dat de wettelijke toelatingstermijn van Bentazon T zou eindigen op 1 december 1998.

- Bij brieven van 30 september 1997 en 7 oktober 1997 heeft verweerder de ontvangst bevestigd van appellantes aanvragen van 29 september 1997 om verlenging van de toelatingen van de onderhavige middelen.

- Bij brief van 11 november 1997 heeft appellante verweerder met betrekking tot de onderhavige middelen meegedeeld dat zij aan alle bij de aanvragen om verlenging van de toelatingen gestelde voorwaarden heeft voldaan en heeft zij verweerder verzocht haar mee te delen welke gegevens verder nodig zijn om tot een volledig dossier te komen.

- Bij separate brieven van 3 december 1998 heeft verweerder appellante bericht dat haar aanvragen om verlenging van de toelatingen van Bentazon en Bentazon-T in behandeling zijn genomen.

- Bij separate besluiten van 4 december 1998 heeft verweerder de onderhavige toelatingen verlengd tot 1 juni 2000.

- Bij brief van 4 februari 1999 heeft verweerder appellante in kennis gesteld van zijn voornemen tot beëindiging van alle toepassingen van de toelatingen op basis van bentazon per 1 januari 2000.

- Bij brief van 25 maart 1999 heeft appellante op dit voornemen gereageerd.

- Bij brief van 17 augustus 1999 heeft appellante verweerder het definitieve protocol van de lopende lysimeterstudie studie met Bentazon toegezonden, alsmede het definitieve protocol van de studie naar het metabolisme van Bentazon in aardappelen en tarwe. Ten aanzien van de in de brief van verweerder van 4 februari 1999 vermelde meetstudies heeft appellante in deze brief gesteld dat, haars inziens, deze resultaten enkel op een adequate manier kunnen worden beoordeeld als ze in verband worden gebracht met het gebruik van bentazon in de desbetreffende streek in de

5 jaar die aan de bepaling voorafgaan.

- Bij brief van 2 december 1999 heeft verweerder appellante van zijn besluit in kennis gesteld om de toelatingen van de onderhavige middelen te beëindigen per 1 januari 2000.

- Bij separate besluiten van 11 februari 2000 heeft verweerder de toelating voor Bentazon en Bentazon T ingetrokken.

- Bij brief van 23 maart 2000 heeft appellante bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 11 februari 2000.

- Op 24 maart 2000 heeft appellante de president van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot schorsing van de bestreden besluiten en tot het toestaan aan appellante beide middelen af te leveren, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken als ware zij toelatinghouder in de zin van de Wet tot in ieder geval zes weken na de beslissing op het door haar ingediende bezwaarschrift.

- Bij uitspraak van 5 juni 2000 is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

- Op 17 mei 2000 heeft appellante haar bezwaren mondeling toegelicht.

- Op 24 juli 2000 heeft de Adviescommissie Bezwaarschriften CTB advies uitgebracht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Het bestreden besluit houdt, voor zover hier van belang, het volgende in.

" Het CTB merkt op dat de invoerparameters ook eenvoudig zonder de milieufiches door de toelatinghouder kunnen worden berekend aan de hand van de uitkomsten van de geleverde studies. Zo is algemeen bekend dat voor de DT50-waarde wordt gewerkt met een gemiddelde waarde van de verschillende grondsoorten bij 20 °C. Voor de kom-waarde wordt eveneens een gemiddelde waarde gehanteerd.

Weliswaar stelt de toelatinghouder in de brief van 25 maart 1999 voor om een lysimeterstudie uit te voeren, maar bij de brief zijn geen stukken gevoegd waaruit zou blijken dat die studie ook inderdaad in het voorjaar van 1999 van start zal gaan.

Bij brief van 17 augustus 1999 heeft de toelatinghouder het definitieve protocol van de lopende lysimeterstudie aan het CTB ter hand gesteld.

Het CTB merkt op dat op grond daarvan niet kan worden geconcludeerd dat het middel voldoet aan de norm voor uitspoeling.

Uit de brief van 17 augustus 1999 blijkt verder dat de toelatinghouder het standpunt zoals weergegeven in de brief van 4 februari 1999 onderschrijft en dat het zorgwekkend is dat redelijk veel overschrijding van de grondwaterlimiet is geconstateerd en dat in de bollenstreek zelfs zeer hoge concentraties van bentazon zijn teruggevonden. De toelatinghouder is echter van mening dat de resultaten alleen op een adequate manier kunnen worden beoordeeld als zij in verband worden gebracht met het gebruik van bentazon in de desbetreffende streek in de vijf jaar die aan de bepaling vooraf zijn gegaan.

Het CTB gaat hieraan voorbij omdat onduidelijk is hoe de toelatinghouder tot deze mening komt en waarom moet worden uitgegaan van een periode van vijf jaar. De meetgegevens zijn afkomstig uit belangrijke toepassingsgebieden en de toelatinghouder heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze meetgegevens niet relevant zijn.

De toelating houder stelt in de brief van 17 augustus 1999 pas vanaf februari 1999 te weten dat de firma niet mag verwijzen naar de lysimeterstudie van BASF.

Het CTB merkt op dat dit niet relevant is. Al vanaf 1991 en in ieder geval na de kanalisatie was het voor de toelatinghouder duidelijk hoe de zaken er voor stonden. Naar aanleiding van het door de toelatinghouder ingediende kanalisatieverzoek is bij besluit van 7 februari 1997 geconstateerd dat de toepassingen van het bestrijdingsmiddel waarvoor het verzoek is gedaan niet voldoen aan de voorlopige norm voor uitspoeling uit de Bestuursovereenkomst MJP-G, laat staan aan de strengere norm uit het Bmb.

Bij brief van 9 september 1999 heeft de toelating houder de stellingen zoals verwoord in de brieven van 23 maart en 17 augustus 1999 nogmaals herhaald. Nieuwe argumenten zijn daarbij niet gegeven."

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder daaraan het volgende toegevoegd.

Het is aan de aanvrager van een toelating of verlenging daarvan om aan te tonen dat het middel voldoet aan de toelatingscriteria. Met name blijkt dit uit artikel 3, eerste lid, onder a en artikel 4 van de Wet, alsmede de artikelen 18 tot en met 22 van de Rtb 1995. Met ingang van 5 februari 1994 is het gesloten dossierstelsel ingevoerd, waarmee wordt beoogd te voorkomen dat toelatinghouders profiteren van de inspanningen en investeringen die andere toelatinghouders hebben gedaan om de gegevens benodigd voor de aanvraag te verzamelen. In bepaalde gevallen is een uitzondering op het gesloten dossierstelsel mogelijk. Deze uitzonderingen zijn neergelegd in artikel 24 van de Rtb 1995. De gegevens die tot deze uitzonderingen behoren vormen het open dossier waarnaar een aanvrager kan verwijzen maar waarin hij geen inzage krijgt. De verwijzingsmogelijkheid laat onverlet dat de aanvrager verantwoordelijk is voor de volledigheid van zijn dossier. Indien een aanvrager verwijst naar het open dossier neemt hij het risico dat bepaalde onderzoeken zich niet in het dossier bevinden of dat de concurrent geen toestemming geeft om te verwijzen naar zijn onderzoeken.

Appellante heeft gebruik gemaakt van de verwijzingsmogelijkheid naar het open dossier. Mede gezien het feit dat de middelen voor verlenging na 1 januari 2000 moesten worden getoetst aan het Bmb, diende zij er ernstig rekening mee te houden dat zij niet over alle gegevens die haar concurrent in het kader van diens aanvragen zou overleggen, kon verwijzen.

Daarnaast is van belang dat appellante reeds in 1991 door verweerder er op is gewezen dat was geconstateerd dat de berekende concentratie de norm voor uitspoeling van het Bmb overschreed, terwijl verweerder in 1996 appellante in het kader van de kanalisatie heeft meegedeeld dat meetgegevens van het RIZA uitwijzen dan Bentazon in de bollenteelt leidt tot overschrijding van de voorlopige norm, die soepeler was dan de norm van het Bmb.

Appellante had door het uitvoeren van berekeningen met het PESTLA-model, die ook zonder de door appellante bedoelde milieufiches kunnen worden uitgevoerd, kunnen constateren dat de middelen niet voldeden. Dat had voor haar aanleiding moeten zijn een lysimeterstudie te beginnen. Voorts had appellante, nu meetgegevens van doorslaggevende betekenis zijn, zoals uitdrukkelijk is vermeld in de door haar aangehaalde notitie van verweerder van 1996, door middel van eigen meetgegevens of door een goed onderbouwde betwisting van de gemeten concentraties moeten aantonen dat de door verweerder gehanteerde meetgegevens onjuist waren.

Appellante heeft bij haar aanvraag desalniettemin geen gegevens overgelegd die tot een ander oordeel ten aanzien van de berekende concentratie konden leiden. Verweerder heeft derhalve niet voor 1 januari 2000 kunnen vaststellen dat haar middelen voldeden aan het Bmb en heeft appellante in februari 1999 van het voornemen tot beëindiging van de toelatingen op de hoogte gesteld. Eerst naar aanleiding van dit voornemen heeft appellante te kennen gegeven dat zij een lysimeteronderzoek zou starten. Uit het protocol van de inmiddels door appellante gestarte lysimeterstudie kan niet worden geconcludeerd dat de middelen voldoen aan de norm voor uitspoeling van het Bmb. Tevens heeft appellante niet nader onderbouwde opmerkingen gemaakt over de betrouwbaarheid van de meetgegevens met betrekking tot Bentazon in de bollenstreek, een belangrijk toepassingsgebied van deze middelen. Onduidelijk is waarom uitgegaan zou moeten worden van een periode van vijf jaar.

Verweerder acht de stelling van appellante dat zij eerst vanaf februari 1999 weet dat zij niet mag verwijzen naar de lysimeterstudie van BASF niet relevant nu appellante, evenals BASF, reeds sedert 1991 en in ieder geval sinds 1996 ervan op de hoogte was dat de middelen niet voldeden aan de daaraan gestelde eisen. Dat appellante er niet voor heeft gekozen op eigen initiatief onderzoek te doen moet voor haar risico blijven. Anders dan appellante meent, heeft BASF wel degelijk nieuwe gegevens geleverd betreffende de DT 50 waarde, alsmede standaardisatiegegevens. Verweerder verwijst in dit verband naar zijn collegestuk C-89.3.18 van 27 augustus 1999. Van ongelijke behandeling van appellante ten opzichte van BASF is dan ook geen sprake.

Verweerder ziet op grond van het vorenstaande geen aanleiding om appellante door middel van een procedurele verlenging alsnog in de gelegenheid te stellen de ontbrekende gegevens te leveren.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten onrechte meent verweerder dat sprake is van een situatie waarin de toelatingen van Bentazon en Bentazon T dienen te worden beëindigd. Zowel Bentazon als Bentazon-T hebben een berekende uitspoeling op basis van het PESTLA-model die ligt onder de voor beëindiging van een toelating geldende norm van 10µg/L. Mitsdien dient veld- en/of lysimeteronderzoek te worden geleverd. Het open EU-dossier bevat reeds een aantal van deze lysimeterstudies, alsmede twee door BASF beschermde studies uit 1994. De gemiddelde resultaten van die studies, in combinatie met het voorgestelde gebruik van de middelen, hebben verweerder tot de conclusie geleid dat (mogelijk) een overschrijding van de normen van het Bmb plaatsvindt, indien men uitgaat van de maximale doseringen en waarden. Het gemiddelde van de jaarlijkse concentratie mag echter als veilig en derhalve ook binnen de normen van het Bmb worden beschouwd. De mogelijke overschrijding van de hiervoor genoemde norm is in het kader van de EU-evaluatie aanleiding geweest om een afbraakstudie in de "verzadigde zone" en uitgebreide modelberekeningen voor PEC waarden uit te voeren, maar heeft niet geleid tot een verbod van het gebruik van de werkzame stof Bentazon omwille van een onaanvaardbare uitspoeling.

Uit de RIZA-metingen waaraan verweerder in de toelichting bij de bestreden besluiten refereert komen weliswaar hogere uitspoelingswaarden dan uit de PESTLA-berekeningen naar voren, maar de RIZA metingen dateren uit 1992 of eerder en niet duidelijk is op welke wijze Bentazon in de betreffende gebieden is gebruikt gedurende de periode voorafgaand aan de metingen. De gemeten uitspoeling kan daarom niet als representatief voor het gebruik zoals dat thans plaatsvindt worden beschouwd.

Uit het feit dat verweerder de toelatingen van BASF niet heeft ingetrokken kan worden afgeleid dat de grondslag voor de bestreden besluiten niet juist is, omdat in geval van een onaanvaardbare uitspoeling van de werkzame stof Bentazon naar het grondwater alle toelatingen beëindigd zouden moeten worden.

Ten onrechte heeft verweerder geen duidelijkheid verschaft omtrent de daadwerkelijke grondslag van de beëindiging en de gegevens die appellante had moeten verstrekken om die beëindiging te voorkomen. Het is voor appellante niet duidelijk waarop verweerder zijn conclusie dat appellante niet heeft aangetoond dat de in geding zijnde middelen voldoen aan de normen van het Bmb baseert. Verweerder lijkt er enerzijds van uit te gaan dat appellante uit eigen beweging een lysimeterstudie had moeten overleggen en, anderzijds, dat appellante, in tegenstelling tot BASF, er onvoldoende in is geslaagd de meetgegevens van het RIZA te weerleggen. Appellante meent dat dit twee verschillende redenen voor beëindiging zijn.

Voor zover verweerder de beëindiging van de toelatingen baseert op het ontbreken van een lysimeterstudie, meent appellante dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld een dergelijk onderzoek uit te voeren en dat zij niet nalatig is geweest ten aanzien van het overleggen van dat onderzoek. Anders dan ten aanzien van vele andere aktieve stoffen, heeft appellante geen bericht van verweerder gekregen omtrent de toetsing van de werkzame stof Bentazon aan het Bmb. Door appellante niet tijdig ervan in kennis te stellen dat zij een lysimeterstudie diende te genereren, heeft verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld. Het is de taak van verweerder het dossier te controleren op volledigheid en tijdig om ontbrekende gegevens te vragen. Bovendien vormt de lysimeterstudie een aanvullend gegeven in de zin van de aanvraagprocedure voor een (verlenging van) een toelating en voor deze gegevens geldt dat er voor de toelatinghouder geen verplichting bestaat deze bij de aanvraag over te leggen.

In dit verband acht appellante tevens van belang dat het enige tijd heeft geduurd voordat de rapporteur Lid-staat het naar aanleiding van de ECCO PEER review van 1998 bij appellante gerezen vermoeden dat zij een lysimeterstudie zou moeten uitvoeren bevestigde, zodat appellante eerst in 1999 daarmee kon beginnen. In diezelfde periode bleek verweerder milieufiches ter beschikking te stellen aan toelatinghouders, waardoor appellante voor het eerst in staat was zelfstandig een adequate beoordeling te maken of een lysimeterstudie noodzakelijk was. Echter, voorop blijft staan dat verweerder appellante toen en ook nu niet heeft meegedeeld dat een lysimeterstudie moest worden ingediend.

Van nalatigheid bij appellante, die aan toepassing van artikel 5, eerste lid, van de Wet juncto artikel 7, vijfde lid, van de Rtb 1995 in de weg zou staan, is geen sprake.

Appellante heeft geen inzicht in het open dossier en kon uit het achterwege blijven van aanvullende vragen niet anders afleiden dan dat het dossier volledig was, temeer daar zij geen antwoord ontving op haar brief van 11 november 1997 waarin zij verweerder heeft gevraagd welke gegevens verder nodig waren om tot een volledig dossier te komen.

Appellante beschikte niet over een dossier dat voldoende gegevens bevatte om zelf met het PESTLA model te kunnen berekenen of een lysimeterstudie noodzakelijk was. Vanuit bedrijfseconomisch oogpunt is het onverantwoord dat zij, zonder concrete aanwijzing voor de noodzaak daartoe, op eigen initiatief toch een zo kostbaar onderzoek zou laten uitvoeren.

Voor zover verweerder de beëindiging van de toelatingen heeft gebaseerd op het ontbreken van andere gegevens ter zake van de uitspoeling dan een lysimeterstudie, is appellante ten onrechte geen reële mogelijkheid geboden die gegevens in te dienen.

Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld dat appellante niet kan verwijzen naar de door BASF ingediende gegevens ten aanzien van de uitspoeling. De gegevens die BASF vermoedelijk in reactie op het beëindigingvoornemen heeft geleverd zijn geen gegevens die bij de aanvraag dienden te worden overgelegd, zoals bedoeld in artikel 24 van de Rtb 1995. Deze gegevens van BASF vallen derhalve buiten de verwijsrechtvoorzieningen van de Rtb 1995. Dat BASF mogelijk om geheimhouding van bedoelde gegevens heeft verzocht acht appellante niet relevant, nu de geheimhouding van artikel 27 van de Rtb 1995 onverlet laat dat de conclusies die op basis van die gegevens kunnen worden getrokken, mede ten behoeve van andere toelatingen kunnen worden aangewend.

Verweerder maakt ten onrechte onderscheid tussen de toelatingen van appellante en die van BASF. Het enkele feit dat BASF in 1996 reeds een lysimeterstudie heeft kunnen overleggen is op zichzelf geen gegronde reden om te oordelen dat appellante dat ook had kunnen doen. In tegenstelling tot appellante is BASF toelatinghouder in Duitsland, waar reeds sedert jaren lysimeterstudies in het kader van de toelatingsprocedure wordt verlangd. BASF beschikte als hoofdproducent daarom al jaren over verschillende lysimeterstudies en kon aan de hand daarvan bepalen of aanvullende studies nodig waren.

Voorts is BASF main notifier in het kader van de EU-evaluatie van de werkzame stof Bentazon, zodat zij voortdurend contact heeft met de Europese autoriteiten over de voor de evaluatie benodigde en beschikbare gegevens. In het kader van deze evaluatie heeft BASF ook in 1994 lysimeterstudies uit laten voeren. Ten aanzien van de resultaten van die studies heeft BASF een beroep gedaan op gegevensbescherming als bedoeld in artikel 13, lid 3, sub d, van Richtlijn 91/414/EEG. Verweerder heeft in het onderhavige geval geen rekening gehouden met het verschil tussen de positie van een hoofdproducent en die van een generieke producent, zodat appellante als generieke producent aan de eisen moet voldoen die worden gesteld aan de hoofdproducent. Appellante acht deze opstelling van verweerder niet redelijk.

Ook indien in het onderhavige geval uitsluitend bepalend is of aan de eisen van het Bmb wordt voldaan, maakt verweerder onterecht onderscheid tussen BASF en appellante.

Indien de uitspoeling naar het grondwater onaanvaardbaar is gebleken dienen ook de toelatingen van BASF te worden ingetrokken. Verweerder doet voorkomen dat de RIZA-gegevens voor BASF buiten beschouwing zijn gelaten omdat hij van BASF nieuwe gegevens gekregen heeft die tot een andere conclusie leiden. Ook de president is in zijn uitspraak van 5 juni 2000 uitgegaan van die veronderstelling. Echter, zoals uit het collegestuk van 27 augustus 1999 blijkt, is de conclusie van verweerder niet op gegevens maar op grond van argumenten van BASF gebaseerd. Bedoelde argumenten van BASF zijn nagenoeg identiek aan de argumenten die appellante naar voren heeft gebracht, zodat verweerder in twee gelijke gevallen meetgegevens verschillend heeft beoordeeld.

Het bestreden besluit is ook voor het overige onredelijk, in het bijzonder omdat het de directe werking van de primaire besluiten in stand laat. Het seizoen voor de toepassing van de onderhavige middelen loopt van maart tot en met begin juni. Door eind februari 2000 de toelatingen met directe ingang te beëindiging, zonder toekenning van een opgebruiktermijn, heeft verweerder appellante alle omzet van het seizoen 2000 ontnomen en kon appellante haar voorraden niet meer verkopen, waardoor appellante aanzienlijk schade heeft geleden.

Ter zitting heeft appellante haar standpunt herhaald en daaraan nog het volgende toegevoegd.

In de onderhavige zaak gaat het in werkelijkheid niet om een ontbrekende lysimeterstudie, een verwijsrecht voor appelante of om een niet pro-actieve houding van appellante ten aanzien van het leveren van gegevens. Kernpunt is dat verweerder de conclusies naar aanleiding van onderzoeken naar de representativiteit van de meetgegevens zowel voor BASF als voor appellante had moeten laten gelden en ook appellante in de gelegenheid had moeten stellen nader onderzoek te doen.

Het collegestuk C-89.3.18 van 27 augustus 1999 vormt een aangepaste versie van het collegestuk van 25 juni 1999, waarin verweerder tot de conclusie kwam dat alle toelatingen van Bentazon-houdende middelen moesten worden beëindigd. De wijzigingen in het collegestuk van 27 augustus 1999 ten opzichte van dat van 25 juni 1999 zijn schuin gemarkeerd en zijn minimaal. Niet wordt gesproken over door BASF ingeleverde nieuwe gegevens.

Appellante wijst er op dat de belangrijkste koerswijziging in het collegestuk van 27 augustus 1999 wordt gevormd door het verkorten van de gemiddelde halfwaardetijd (DT 50), hetgeen tot een gunstiger uitspoelingconclusie leidt. De gemiddelde DT 50 waarde wordt door verweerder berekend/vastgesteld op basis van middeling van bij hem bekende DT 50-waarden, is niet gekoppeld aan een specifiek onderzoek van een aanvrager en geldt voor alle toepassingen op basis van de werkzame stof. Verweerder heeft in zijn verweerschrift gesteld dat algemeen bekend is dat de DT 50 waarde een gemiddelde is van de DT 50 van de verschillende grondsoorten bij 20° C en suggereert dat appellante zelf een gemiddelde had kunnen berekenen. Dit argument is onjuist omdat appellante, anders dan verweerder, niet over een groot aantal onderzoeken beschikt om die berekening te kunnen maken en wordt pregnant nu verweerder juist de DT 50 waarde heeft bijgesteld.

Ook blijkt uit genoemd collegestuk dat verweerder, op basis van dezelfde overwegingen die reeds in het collegestuk van 25 juni 1999 waren opgenomen, waaronder het argument dat geen relatie kon worden gelegd met het huidige landbouwkundige gebruik, tot de conclusie komt dat nog geen oordeel kan worden gegeven omtrent het voorkomen van Bentazon in het diepe grondwater totdat de recente monitoringsgevens (RIVM) 1999 zijn geanalyseerd. Appellante meent dat een dergelijke algemene conclusie niet uitsluitend voor de toelatingen van BASF kan gelden.

Dat verweerder zijn gewijzigde standpunt baseert op door BASF geleverde nieuwe gegevens blijkt niet uit meergenoemd collegestuk. Wel blijkt uit het collegestuk van 4 mei 2000 dat verweerder in samenwerking met BASF en Alterra heeft gewerkt aan een monitoringsrapport van uitspoelingsgegevens. Dit monitoringsrapport was eerst op 2 mei 2000 beschikbaar. In het rapport is de vraag behandeld in hoeverre de meetgegevens van verweerder representatief zijn voor het huidige gebruik van Bentazon en het rapport vormt dus slechts een analyse van de algemene (open) meetgegevens in het dossier van verweerder. De conclusie van het onderzoek luidt dat de huidige set meetgegevens geen basis vormt voor de conclusie dat alle onderhavige toepassingen niet zouden voldoen aan de norm voor uitspoeling zoals opgenomen in het Bmb. Het enige verschil tussen het dossier van BASF en dat van appellante is dit Alterra-rapport. Het is onbegrijpelijk waarom uitsluitend BASF in de gelegenheid is gesteld dit onderzoek te doen.

5. Het standpunt van BASF Nederland B.V.

Degene die een aanvraag om toelating van een middel doet is verplicht bij die aanvraag de gegevens die strekken tot beantwoording van een of meer vragen van het aanvraagformulier over te leggen. Op grond van artikel 24 van de Rtb 1995 kan een aanvrager in bepaalde gevallen het overleggen van die gegevens, dan wel het overleggen van gegevens die strekken tot het beantwoorden van op grond van artikel 10 van de Rtb 1995 gestelde vragen, achterwege laten. De hoofdproducent van een middel verkeert in een nadeliger positie dan een generieke producent. Hij is ervoor verantwoordelijk dat een dossier volledig is en dient alle daartoe benodigde onderzoeken te genereren. De generieke producent mag naar de gegevens in dit dossier verwijzen maar neemt daarmee wel het risico dat bepaalde gegevens niet tot dat dossier behoren.

Op grond van artikel 6 Bmb wordt een middel niet toegelaten als óf de berekende, óf de gemeten concentratie van het middel in de bovenste laag van het grondwater niet aan de normen van het Bmb voldoet. Verweerder heeft op grond van zowel berekende als gemeten concentraties gemeend dat het middel niet kon worden toegelaten.

De producenten van bentazon-houdende middelen wisten dat deze stof risicovol was wat betreft de uitspoeling naar het grondwater. Om die reden heeft overleg plaatsgevonden en is een kanalisatieverzoek bij verweerder ingediend. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen op grond van gemeten concentraties. Vanaf dat moment was voor de toelatinghouders duidelijk dat met een modelberekening niet kon worden volstaan om aan te tonen dat geen sprake was van overtreding van de uitspoelingsnormen van het Bmb. BASF heeft om die reden lysimeteronderzoek gestart. De resultaten van de eerste studie waren voor verweerder niet acceptabel. Daarna heeft BASF nog drie lysimeterstudies overgelegd waaruit bleek dat aan de eisen werd voldaan. Deze studies zijn de enige die door verweerder nog worden gehanteerd en gelden in Europees verband. Zij behoren echter niet tot het open dossier en vallen onder de dossierbescherming als voorzien in de Rtb 1995.

Zoals blijkt uit Bijlage III van de Rumb 2000 wordt, om te bepalen of wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6, eerste lid, sub a van het Bmb, de te verwachten concentratie van een bestrijdingsmiddel in het bovenste grondwater berekend in twee, opeenvolgende stappen: 1. een berekening op basis van laboratoriumgegevens en 2. een berekening op basis van veld- of lysimeterexperimenten. De eerste stap wordt altijd uitgevoerd, de tweede stap is optioneel en afhankelijk van de uitkomst in de voorgaande stap en van de beschikbare gegevens. Appellante is blijven steken in de eerste stap, terwijl door verweerder op grond van berekeningen en metingen een zodanige concentratie van de stof in het bovenste grondwater werd verwacht dat dit noodzaakte tot het uitvoeren van de tweede stap. In totaal zijn door BASF naar aanleiding van het voornemen tot beëindiging acht studies overgelegd betreffende berekeningen en validaties met een DT50 'veld' als uitgangspunt en zijn standaardisatiegegevens geleverd.

Vervolgens heeft BASF naar aanleiding van de RIZA- meetgegevens in samenwerking met andere betrokkenen zoals de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland (hierna: VEWIN) door het onderzoeksinstituut Alterra onderzoek naar die gegevens laten uitvoeren. Dit wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de uitkomsten van de door BASF geleverde lysimeterstudies correct waren en de door verweerder gehanteerde meetgegevens niet konden worden gebruikt.

Appellante kon niet naar deze studies verwijzen en wist op grond van het besluit van 4 oktober 1996 dat lysimeterstudies waren gedaan waarnaar zij evenmin kon verwijzen.

Zij had zelf behoren aan te tonen dat de onderhavige middelen voor (een verlening van de) toelating in aanmerking kwamen.

6. De beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de door partijen naar voren gebrachte standpunten met betrekking tot de bestreden besluiten overweegt het College het volgende.

Appellante heeft betoogd dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de toelatingen van de onderhavige middelen procedureel te verlengen omdat het niet aan appellante te wijten is dat onvoldoende gegevens beschikbaar waren om de besluitvorming te kunnen afronden aangezien verweerder appellante niet tijdig, dat wil zeggen binnen de daartoe in de Rtb 1995 gestelde termijnen, om aanvullende gegevens in de vorm van lysimeteronderzoek heeft gevraagd.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Bmb dient een gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten na uitspoeling te voldoen aan de in dit artikellid onder a gestelde criteria voor een berekende concentratie in de bovenste meter van het grondwater of aan de aldaar onder b gestelde criteria voor een gemeten concentratie in de bovenste meter van het grondwater. Blijkens artikel 4, tweede lid, sub a, van de Rumb in samenhang gelezen met de bij dat artikel behorende bijlage IV, behoort het uitvoeren van een lysimeterstudie tot de, optionele, tweede stap van de te volgen methode voor het berekenen van de concentratie van een stof in de bovenste meter van het grondwater als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bmb.

Ten tijde van de aanvragen om verlenging van de toelatingen van 29 september 1997 was uit meetgegevens bekend dat de middelen niet voldeden aan de voorlopige norm van het Meerjaren Plan Gewasbescherming (hierna: MJP-G). Reeds bij brief van 13 maart 1991 heeft verweerder appellante ervan in kennis gesteld dat bij zijn weten de stof bentazon of zijn verwante omzettingsprodukt(en) in het grondwater gemeten was in concentraties tot 1,1 µg/l. Voorts heeft verweerder bij brief van 17 oktober 1996 appellante bericht omtrent het voornemen tot afwijzing van het 'kanalisatievoorstel' om reden dat meetgegevens hadden uitgewezen dat het gebruik van bentazon in de bollenteelt leidt tot overschrijding van de voorlopige norm uit de MJP-G van 10 µg/L. In zijn besluit van 7 februari 1997 heeft verweerder daar nogmaals op gewezen. Zoals blijkt uit de beleidsnotitie van verweerder van 31 juli 1996 omtrent de wijze waarop verweerder uitvoering zou geven aan het met ingang van 1 februari 1995 in werking getreden Bmb, waren voor bestaande toelatingen meetgegevens van doorslaggevende betekenis voor het beoordelen van een aanvraag om verlenging. In deze notitie is uitdrukkelijk gesteld dat de toelating zal worden beëindigd indien meetgegevens uitwijzen dat de uitspoelingnorm wordt overschreden. Gezien de gemeten concentraties bentazon in de bovenste laag van het grondwater kon aan een berekening van die concentraties aan de hand van lysimeterstudies in het onderhavige geval dan ook geen betekenis meer toekomen, zodat voor verweerder bij die stand van kennis geen aanleiding bestond om van appellante te verlangen dat zij die studies zou entameren. Derhalve faalt het betoog van appellante dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel en in strijd met de Rtb 1995 zou hebben gehandeld door appellante niet tijdig om deze studies te vragen.

Dat voor verweerder geen aanleiding bestond expliciet om aanvullende gegevens in de vorm van lysimeterstudies te vragen laat onverlet dat ingevolge artikel 6 van het Bmb appellante hetzij door meetgegevens, hetzij door berekeningen diende aan te tonen dat van overschrijding van de norm voor uitspoeling naar het grondwater geen sprake was. Reeds begin jaren '90 is geconcludeerd dat aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen op basis van de werkzame stof bentazon ernstige milieubezwaren kleven. Bij het verlengingsbesluit voor Bentazon van 25 november 1993 is appellante uitdrukkelijk medegedeeld dat zodra het Bmb in werking zou treden de toelating aan de milieucriteria zou worden getoetst en dat deze beoordeling tot tussentijdse intrekking zou kunnen leiden. Voorts is appellante bij brief van 31 januari 1994 ervan op de hoogte gesteld welke gegevens van haar werden verlangd om de toelating na 1 december 1998 te verlengen en is appellante er op gewezen dat toelatingen die niet voldoen aan de criteria voor persistentie en uitspoeling tussentijds konden worden ingetrokken. Bij het besluit van 4 oktober 1996 heeft verweerder als voorwaarde voor verdere verlenging van de toelating van Bentazon-T gesteld dat appellante nader onderzoek met betrekking tot uitspoeling naar het grondwater (veld en/of lysimeteronderzoek) diende te verschaffen, terwijl verweerder bij besluit van 7 februari 1997 het 'kanalisatievoorstel' van BASF en appellante heeft afgewezen. Naar het oordeel van het College had appellante in voornoemde stukken voldoende aanleiding moeten zien nader onderzoek naar de uitspoeling van bentazon naar het grondwater te doen. Dat verweerder niet om lysimeterstudies had gevraagd betekende niet dat appellante daarover niet behoefde te beschikken. Deze zouden immers relevant zijn indien appellante zou aantonen dat de RIZA-metingen geen conclusie zouden rechtvaardigen omtrent de uitspoeling van bentazon bij gebruik overeenkomstig het voorschrift.

Het College gaat voorbij aan de stelling van appellante dat zij over onvoldoende parameters beschikte om bedoelde berekeningen uit te voeren en zij eerst uit de door verweerder beschikbare milieufiches te weten kwam welke DT 50 waarde verweerder hanteerde. Verweerder heeft ter zitting erop gewezen dat bedoelde parameters vermeld zijn in de "Pesticides manual" dat reeds sedert lange tijd op de markt wordt gebracht, welke stelling appellante niet heeft weersproken.

Verweerder heeft eerst nadat BASF met nieuwe resultaten en interpretaties van de gemeten concentraties was gekomen zijn conclusies op basis van die gemeten concentraties bijgesteld en besloten de toelatingen van BASF niet te beëindigen. Het College volgt appellante niet in haar betoog dat het onderscheid dat verweerder heeft gemaakt tussen de toelatingen van BASF en die van appellante onterecht is. Naar ter zitting is gebleken heeft BASF, anders dan appellante heeft gesteld, wel degelijk nieuwe onderzoeken alsmede standaardisatiegegevens geleverd. Verweerder heeft betoogd dat met name aan die laatste gegevens een groot gewicht moet worden toegekend, hetgeen niet is weersproken door appellante. De stelling van appellante dat het enige verschil tussen het dossier van BASF en dat van appellante het Alterra-rapport is en dat verweerder zijn koers uitsluitend op grond van argumenten van BASF heeft gewijzigd, kan mitsdien niet als juist worden aangemerkt. Evenmin kan het onderscheid dat verweerder heeft gemaakt tussen de toelatingen van BASF en die van appellante als ongerechtvaardigd worden aangemerkt omdat verweerder de gegevens die door BASF zijn geleverd niet mede ten behoeve van de beoordeling van de toelatingen van appellante heeft aangewend. Zoals verweerder terecht heeft gesteld is in artikel 24 van de Rtb 1995 een regeling met betrekking tot gegevensbescherming opgenomen met als doel te voorkomen dat toelatinghouders zonder elkaars instemming van elkaars inspanningen profiteren. Het was appellante bekend dat zij niet zonder meer kon verwijzen naar door de hoofdproducent geleverde onderzoeksgegevens, zodat zij zelf diende aan te tonen dat haar toelatingen voldoen aan de norm van het Bmb.

Gelet op het vorenstaande komt het College tot de conclusie dat niet staande kan worden gehouden dat het feit dat verweerder de beoordeling met betrekking tot de aanvragen om verlenging van de onderhavige toelatingen niet heeft kunnen afronden, niet aan appellante te wijten is. Mitsdien heeft verweerder in het ontbreken van die gegevens geen aanleiding behoeven te vinden de toelatingen procedureel te verlengen teneinde appellante in de gelegenheid te stellen die gegevens alsnog te verstrekken.

Het College volgt appellante niet in haar stelling dat het bestreden besluit ook voor het overige onredelijk is omdat eind februari 2000 de toelatingen met directe ingang zijn beëindigd, zonder toekenning van een opgebruiktermijn. Zoals hiervoor reeds is gezegd, is aan appellante bij het verlengingsbesluit voor Bentazon van 25 november 1993 uitdrukkelijk medegedeeld dat zodra het Bmb in werking zou treden de toelating aan de milieucriteria zou worden getoetst en dat deze beoordeling tot tussentijdse intrekking zou kunnen leiden, terwijl appellante bij de brief van 31 januari 1994 daar nogmaals op is gewezen. Van een abrupte beëindiging van de toelating is derhalve geen sprake.

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr M.A. Fierstra en mr S.K. Welbedacht, in tegenwoordigheid van mr M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2002.

w.g. B. Verwayen w.g. M.J. van den Broek-Prins