Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6389

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-08-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/1452
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Landbouwwet, geldigheid: 2002-08-02
Regeling keuring en handel dierlijke producten, geldigheid: 2002-08-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No. AWB 02/1452 2 augustus 2002

11221 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling keuring en handel dierlijke producten

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorzieningen in de zaak van:

Dairex Holland Trading B.V., te Eindhoven, verzoekster,

gemachtigde: mr J.H.A. van der Grinten, advocaat te Amsterdam,

tegen

de Keuringsdierenarts (verbonden aan de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees), verweerder.

1. De procedure

Bij besluit van 6 juni 2002 heeft verweerder, onder verwijzing naar artikel 2.15 Regeling keuring en handel dierlijke producten (hierna: Regeling), gelast dat drie partijen melkpoeder van verzoekster op haar kosten worden vernietigd omdat daarin residuen van chlooramfenicol aanwezig zijn.

Bij brief van 12 juli 2002 heeft verzoekster bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 juni 2002.

Bij brief van 29 juli 2002 heeft verzoekster zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek het besluit van 6 juni 2002 bij wege van voorlopige voorziening te schorsen en voorts een zodanige voorziening te treffen, dat verzoekster wordt toegestaan de partijen melkpoeder terug te zenden aan de leveranciers.

Op 1 augustus 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Naast de gemachtigde van verzoekster waren ter zitting aanwezig X, directeur van verzoekster, mr N.D.R. Heijstek, werkzaam bij de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te Voorburg (hierna: RVV), alsook mr D.J. Jans en mr L.P. de Wit, beiden werkzaam op het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te Den Haag (hierna: ministerie van LNV).

2. De grondslag van het geschil

Bij de beoordeling van het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Bij brief van 5 april 2002 heeft het Productschap Diervoeder (hierna: Productschap) de Vereniging van Groothandelaren in Melkproducten (hierna: Vereniging) bericht dat in overleg met het ministerie van LNV is besloten dat partijen zuivelgrondstoffen die besmet blijken te zijn met chlooramfenicol mogen worden teruggezonden aan de oorspronkelijke leveranciers buiten de Europese Unie. Op 9 april 2002 heeft de Vereniging deze brief van het Productschap doorgezonden aan haar leden.

- Op 11 april 2002 is een door verzoekster in Litouwen gekochte partij melkpoeder bij Frankfurt (Oder) onderzocht op de aanwezigheid van chlooramfenicol. De positieve uitslag van dit onderzoek is doorgegeven aan de Nederlandse autoriteiten.

- Bij brief van 18 april 2002 heeft het Productschap Jonker en Schut B.V. te Barneveld gelast de betreffende partij melkpoeder ter beschikking te houden. Bij brief van gelijke datum heeft het Productschap verzoekster bericht dat de partij hetzij moet worden vernietigd, hetzij dient te worden uitgevoerd naar het land van herkomst.

- Op 23 april 2002 zijn twee door verzoekster in Rusland gekochte partijen melkpoeder bij Frankfurt (Oder) onderzicht op de aanwezigheid van chlooramfenicol. De positieve uitslag van dit onderzoek is doorgegeven aan de Nederlandse autoriteiten.

- Bij brief van 3 mei 2002 heeft het Productschap Jonker en Schut B.V. gelast de betreffende partijen melkpoeder ter beschikking te houden.

- Bij faxbericht van 7 mei 2002 heeft het Productschap verzoekster bericht dat de voor 10 mei 2002 geplande terugzending van melkpoeder niet kan doorgaan, omdat het ministerie van LNV van mening is dat de melkpoeder dient te worden vernietigd.

- Bij brief van 28 mei 2002 heeft het Productschap de verplichting tot het ter beschikking houden van de partijen melkpoeder opgeheven omdat de blokkade van de zuivelgrondstoffen is overgenomen door het ministerie van LNV.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen, zoals nader omschreven in rubriek 1 van deze uitspraak.

3. Het standpunt van verzoekster

Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorzieningen, heeft verzoekster onder meer het volgende aangevoerd.

Het vernietigen van de partijen melkpoeder is een onomkeerbare maatregel en betekent voor verzoekster een schadepost van € 65.000,-- op de door haar verwachte jaarwinst van ongeveer € 100.000,-- netto. De jaaromzet van verzoekster beloopt € 10.000.000,--; de marges in de branche zijn minimaal.

Bij het uitblijven van de gevraagde voorlopige voorzieningen wordt verzoekster gedwongen verder te procederen. Dit kost niet alleen moeite maar ook geld: de te maken proceskosten zullen niet volledig worden vergoed.

Indien artikel 2.24 Regeling van toepassing wordt geacht, geldt voor de melkpoeder een terugzendtermijn van zestig dagen. Deze termijn is (vrijwel) verstreken.

Voorts heeft verzoekster onder meer aangevoerd dat voor haar niet vaststaat dat de partijen melkpoeder chlooramfenicol bevatten, dat geen communautaire verplichting tot vernietiging van met deze stof verontreinigde partijen melkpoeder valt aan te wijzen, dat de Duitse autoriteiten blijkens een faxbericht, gedateerd 30 mei 2002, bereid zijn mee te werken aan terugzending, in ieder geval naar Frankfurt (Oder), en dat het niet bieden van de mogelijkheid tot terugzending in strijd is met het vertrouwensbeginsel.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1 Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist. Voorzover de daartoe uitgevoerde toetsing in het navolgende een oordeel meebrengt over de zaak ten gronde, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter berust artikel 2.15 Regeling, de bepaling waaraan verweerder de bevoegdheid meent te ontlenen over te gaan tot het (laten) vernietigen van de partijen melkpoeder van verzoekster, op artikel 19, eerste lid, juncto artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, Landbouwwet. Hieruit volgt, gelet op artikel 46 Landbouwwet, dat tegen het door verweerder te nemen besluit op bezwaar naar voorlopig oordeel beroep bij het College openstaat, zodat de voorzieningenrechter zich bevoegd acht tot het behandelen van het onderhavige verzoek.

4.2 Ingevolge artikel 2.15, eerste lid, aanhef en onder a, Regeling is de keuringsdierenarts - blijkens artikel 1.1 Regeling een dierenarts verbonden aan de RVV - bevoegd, in de in artikel 2.15 omschreven gevallen te besluiten tot vernietiging van producten. Het betreft hier een geattribueerde bevoegdheid, die door de keuringsdierenarts qualitate qua wordt uitgeoefend. Derhalve dient de keuringsdierenarts te worden aangemerkt als het verwerende bestuursorgaan in de onderhavige procedure.

4.3 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorzieningen. Op grond van hetgeen verzoekster in dit verband heeft aangevoerd, acht de voorzieningenrechter niet aangetoond dat de schade die verzoekster stelt te zullen lijden indien de partijen melkpoeder worden vernietigd haar in ernstige financiële problemen zal brengen.

Indien verzoekster in de hoofdzaak in het gelijk wordt gesteld, kan zij een vordering tot schadevergoeding instellen. De door verzoekster gestelde omstandigheid dat in dat geval de door haar gemaakte kosten niet volledig zullen worden vergoed, kan niet leiden tot het aannemen van onverwijlde spoed bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorzieningen.

4.4 Voorts overweegt de voorzieningenrechter, in het voetspoor van eerdere uitspraken, dat in beginsel slechts aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening in een zaak als de onderhavige, waar het gaat om een financieel belang, indien, ook zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht, ernstig dient te worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is.

Een situatie als evenbedoeld doet zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter hier niet voor, waarbij het volgende in aanmerking wordt genomen.

Op basis van de thans beschikbare stukken bestaan voorshands voldoende aanwijzingen dat de partijen melkpoeder van verzoekster zijn verontreinigd met (residuen van) chlooramfenicol.

Een beoordeling van de stelling van verzoekster dat artikel 2.15 Regeling in dit geval niet van toepassing is, vergt een nader onderzoek naar het recht, waarvan de uitkomst niet op voorhand duidelijk is. Ook overigens kan, mede gelet op de vele andere geschilpunten van onder meer gemeenschapsrechtelijke aard, niet worden gezegd deze zaak rechtens zo duidelijk ligt dat toewijzing van het verzoek om voorlopige voorzieningen in beeld komt.

Met betrekking tot het beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de voorzieningen-rechter dat, indien in de hoofdzaak blijkt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat melkpoeder die chlooramfenicol bevat (niet mag maar) moet worden vernietigd, heeft te gelden dat een beroep op het vertrouwensbeginsel er niet toe kan leiden dat wordt gehandeld in strijd met het gemeenschapsrecht of een algemeen verbindend voorschrift naar nationaal recht. Indien in de hoofdzaak blijkt dat verzoeker de partijen melkpoeder op grond van de ter zake geldende regelgeving wél had mogen terugzenden naar de leveranciers en het bestreden besluit derhalve niet in stand kan blijven, wat zoals gezegd niet op voorhand vaststaat, heeft het beroep op het vertrouwensbeginsel geen zelfstandige betekenis.

4.5 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het verzoek om voorlopige voorzieningen moet worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2002.

w.g. H.C. Cusell w.g. B. van Velzen