Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6361

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-07-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/395
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij 9, geldigheid: 2002-07-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 399

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/395 25 juli 2002

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

gemachtigde: mr J.J.J. de Rooy, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: B. Raven, werkzaam bij Bureau Heffingen te Assen.

1. De procedure

Op 6 maart 2002 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 januari 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellanten hadden gemaakt tegen een afwijzende beslissing naar aanleiding van een door appellanten aan het Bureau Heffingen toegezonden formulier "Aanmelding Besluit hardheidsgevallen", waarbij appellanten zich hebben aangemeld voor categorie 14b van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (Besluit van 18 juni 1998, Stb. 368; nadien gewijzigd bij Besluit van 25 mei 2000, Stb. 233, hierna: het Besluit).

Bij brief van 21 maart 2002 hebben appellanten de gronden van het beroep aangevuld.

Onder dagtekening 16 april 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 29 mei 2002 een viertal bij griffiersbrief van 23 mei 2002 gevraagde stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2002. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader toegelicht.

Ter zitting zijn als getuigen van de zijde van appellanten gehoord appellant A, diens echtgenote, D, en E, architect te C.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet herstructurering varkenshouderij (Wet van 9 april 1998, Stb. 236; hierna: de Wet) bevat in Hoofdstuk II en artikel 24 regels, aan de hand waarvan het aantal varkens onderscheidenlijk fokzeugen dat ten hoogste op een bedrijf mag worden gehouden - het varkensrecht onderscheidenlijk fokzeugenrecht - kan worden berekend.

Ingevolge artikel 25 van de Wet kunnen bij algemene maatregel van bestuur voor bepaalde groepen van gevallen waarbij de bepaling van het varkensrecht of fokzeugenrecht overeenkomstig hoofdstuk II en artikel 24 leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, regels worden gesteld omtrent een van hoofdstuk II en artikel 24 afwijkende bepaling van de hoogte van deze rechten. Zodanige regels zijn gesteld bij het Besluit, waarbij voor een aantal categorieën van bedrijven afwijkende regels voor de vaststelling van het varkensrecht of fokzeugenrecht zijn gesteld.

Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit - categorie 14b van de hardheidsgevallen - luidt als volgt:

" 1. Het overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet bepaalde varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, van een daartoe aangemeld bedrijf wordt overeenkomstig deze paragraaf vergroot, indien met betrekking tot het desbetreffende bedrijf na 1992 en vóór 10 juli 1997 ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens:

b. een aanvraag is ingediend om een milieuvergunning, die naar aanleiding van de aanvraag uiterlijk op 1 januari 2001 is verleend,"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten hebben door middel van een daartoe bestemd aanvraagformulier, gedagtekend 7 juli 1997, bij de gemeente C een revisievergunning aangevraagd voor uitbreiding van hun fok-, vleesvarkens- en rundveebedrijf, waarvoor al eerder een milieuvergunning was verleend. Op 18 september 1997 heeft voornoemde gemeente appellanten een ontvangstbevestiging toegezonden, luidende, voorzover hier van belang:

" (…)

Hierbij bevestigen wij de ontvangst op 10 juli 1997 van uw aanvraag voor een rivisievergunning ingevolge de Wet Milieubeheer voor uw bedrijf gelegen aan F te C.

(…)"

Bij besluit van 17 maart 1998 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente C de gevraagde revisievergunning verleend.

- Door toezending van het formulier "Aanmelding Besluit hardheidsgevallen", door Bureau Heffingen ontvangen op 14 augustus 2000, hebben appellanten gemeld in aanmerking te willen worden gebracht voor categorie 14b van het Besluit.

- Bij besluit van 23 januari 2001 zijn appellanten ervan in kennis gesteld dat hun bedrijf niet in aanmerking kan komen voor categorie 14b van het Besluit, omdat dit bedrijf niet beschikt over een melding of een milieuvergunning ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens, die in de periode van 1 januari 1993 tot 10 juli 1997 bij het bevoegd gezag voor het bedrijf is aangevraagd, verleend of ingediend.

- Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 6 februari 2001 een bezwaarschrift ingediend.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder als volgt op het bezwaar van appellanten beslist:

" (…)

Beoordeling van het bezwaar

De paragrafen 3, 4 en 5 van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij zijn bedoeld voor bedrijven die voor 10 juli 1997 investeringsverplichtingen zijn aangegaan met betrekking tot het uitbreiden van de varkenshouderij op dat bedrijf. Om te kunnen vaststellen of dergelijke investeringsverplichtingen zijn aangegaan, wordt in het Besluit aangesloten bij de aanvraag om een milieuvergunning of een melding op basis van 8.19 Wet milieubeheer, het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer.

De datum 10 juli 1997 hangt samen met de aankondiging van de herstructurering van de varkenshouderij. Op deze dag stuurde minister Van Aartsen een brief aan de Tweede Kamer waarin de hoofdlijnen van de herstructureringsmaatregelen reeds waren aangegeven. Om die reden wordt er in de Whv en in het daarop gebaseerde Besluit hardheidsgevallen geen rekening gehouden met gebeurtenissen die na 10 juli 1997 hebben plaatsgevonden.

De door u ingediende nieuwe aanvraag van de revisievergunning met dagtekening 7 juli 1997 heeft geen poststempel of een stempel van de gemeente C, dat kan bevestigen dat de aanvraag werkelijk op 7 juli 1997 of tenminste vóór 10 juli 1997 is ingediend. Hierdoor geldt als datum van indiening van uw aanvraag het ontvangstbewijs van de gemeente C, met als ontvangstdatum 10 juli 1997, als datum van indiening van uw aanvraag. Aangezien u de aanvraag van de revisievergunning op 10 juli 1997 en derhalve niet vóór 10 juli 1997 heeft ingediend, heeft u op basis van artikel 9 Besluit geen recht op een vergroting van uw varkensrechten en derhalve komt u niet in aanmerking voor categorie 14b Besluit.

Besluit

Gelet op het voorgaande verklaar ik uw bezwaar ongegrond."

Hieraan heeft verweerder ter zitting het volgende toegevoegd.

Gelet op de keuze van de wetgever voor een generieke aanpak van de hardheidsgevallen dient te worden uitgegaan van algemene, objectieve en eenvoudig controleerbare criteria. Om die reden wordt aangesloten bij de aanvraag om een milieuvergunning en de data die hierin zijn vermeld dan wel bij verklaringen of bewijsstukken afkomstig van het bevoegde gezag. In de beoordeling van de van het bevoegde gezag afkomstige bewijsstukken - in dit geval de ontvangstbevestiging van de gemeente C - wordt niet getreden; deze bewijsstukken worden geacht juist te zijn. Desalniettemin zijn appellanten in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat de aanvraag om een milieuvergunning vóór 10 juli 1997 is ingediend. Appellanten hebben dit evenwel niet, althans niet overtuigend kunnen aantonen.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep aangevoerd dat vóór 10 juli 1997 een milieuvergunning is aangevraagd. Ter onderbouwing van deze stelling hebben appellanten het volgende naar voren gebracht.

De architect van appellanten, E heeft op 7 juli 1997 de gehele aanvraag, die op dat moment al was ingevuld en waarop als indieningsdatum 7 juli 1997 was vermeld, voorgelegd aan de Regionale Milieudienst. Na akkoordverklaring van deze dienst heeft de architect de aanvraag laten ondertekenen door - bij afwezigheid van de aanvrager - de echtgenote van de aanvrager. Op 8 juli 1997 zijn de stukken, houdende een aanvraag om een milieuvergunning, ingediend bij de gemeente. Het bijbehorende bedrijfsontwikkelingsplan is later ingediend, doch de aanvraag zelf dateert van 8 juli 1997. Deze gang van zaken wordt bevestigd door de schriftelijke verklaring van E van 18 maart 2002, alsmede door de ter zitting door hem, A en zijn echtgenote afgelegde getuigenverklaringen, aldus appellanten.

Weliswaar wil/kan de gemeente C niet bevestigen dat de aanvraag van appellanten op 8 juli 1997 is ingediend, doch zij sluit niet uit dat de aanvraag op die datum is ingediend.

Dat de gang van zaken anders is geweest dan uit de officiële stukken blijkt, volgt reeds uit het feit dat in de milieuvergunning van 17 maart 1998 een andere ontvangstdatum van de aanvraag, te weten 20 augustus 1997, is vermeld dan in de ontvangstbevestiging van de aanvraag van de gemeente C.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Om in aanmerking te komen voor categorie 14b van het Besluit is ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van dit besluit in de eerste plaats vereist dat na 1992 en vóór 10 juli 1997, dat wil dus zeggen: uiterlijk op 9 juli 1997, een aanvraag om een milieuvergunning is ingediend. Tussen partijen is in geschil of aan dit vereiste is voldaan en meer in het bijzonder op welke datum in het onderhavige geval de aanvraag om een milieuvergunning is ingediend. Volgens verweerder is de aanvraag van appellanten ingediend op 10 juli 1997, zijnde de datum die op de ontvangstbevestiging van de gemeente C is vermeld als ontvangstdatum. Onder verwijzing naar de bij het aanvullend beroepschrift overgelegde verklaring van E d.d. 18 maart 2002 en de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen, stellen appellanten zich op het standpunt dat de aanvraag is ingediend op 8 juli 1997, althans op een datum gelegen vóór 10 juli 1997. Dienaangaande overweegt het College het volgende.

5.2 Het College acht het niet onjuist dat verweerder voor het bepalen van de datum waarop in gevallen als het onderhavige een milieuvergunningsaanvraag is ingediend, in beginsel uitgaat van een datumstempel of een ontvangstbevestiging van het bevoegd gezag. Verweerder moet immers aan de hand van objectief controleerbare gegevens kunnen nagaan op welke datum de aanvraag is ingediend. Dit lijdt uitzondering in die gevallen waarin betrokkene kan aantonen dat de aanvraag is ingediend op een andere datum dan die door het bevoegd gezag is aangetekend op de aanvraag of op de ontvangstbevestiging.

5.3 Vast staat dat op de milieuvergunningsaanvraag van appellanten niet de ontvangst daarvan is aangetekend. Eveneens staat vast dat de gemeente C de ontvangst van deze aanvraag aan appellanten heeft bevestigd bij de aan hen op 17 september 1997 toegezonden ontvangstbevestiging, waarop als ontvangstdatum is vermeld: 10 juli 1997. Uitgaande van die datum, waarvan verweerder, bij gebreke van andere objectief controleerbare gegevens, in beginsel mocht uitgaan, is niet voldaan aan het vereiste dat vóór 10 juli 1997 een aanvraag om een milieuvergunning is ingediend.

5.4 Vervolgens moet worden beoordeeld of appellanten er al dan niet in zijn geslaagd aan te tonen dat hun milieuvergunningsaanvraag is ingediend vóór 10 juli 1997. Naar het oordeel van het College zijn appellanten hier niet in geslaagd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

5.4.1 De hiervoor genoemde, bij het beroepschrift overgelegde verklaring van de architect van appellanten, E, luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" (…)

Op 7 juli 1997 ben ik met de aanvraagformulieren en tekeningen langsgegaan bij de Regionale Milieudienst, die in opdracht van de gemeente C (aanvragen om) milieuvergunningen behandeld. Daar werd mij medegedeeld dat ik de aanvraag, mits voorzien van uw handtekening (als aanvrager), zo kon indienen bij de gemeente. Dezelfde dag ben ik bij u thuis langs geweest voor uw handtekening. Aangezien u zelf niet thuis was, heeft uw vrouw de stukken ondertekend.

De volgende dag, 8 juli 1997, heb ik de aanvraag ingediend bij de gemeente. Bij afgifte werd geconstateerd dat het Bedrijfsontwikkelingsplan (BOP) niet bijgevoegd was. Desalniettemin werden de stukken (aanvraagformulieren en tekeningen) ingediend. Dit was een formele aanvraag. Het BOP zou later ingediend of nagezonden worden. Dit plan is dezelfde dag nog in uw opdracht opgesteld door G. Voor zover mij bekend is, heeft u of G dit BOP vervolgens voor 10 juli 1997 bij de gemeente ingediend.

Uw aanvraag is dus voor 10 juli 1997 bij de gemeente ingediend."

Het College stelt vast dat hetgeen E ter zitting als getuige heeft verklaard, overeenkomt met diens schriftelijke verklaring van 18 maart 2002. Voorts stelt het College vast dat de in die verklaring geschetste gang van zaken in grote lijnen is bevestigd door hetgeen A en D als getuigen ter zitting hebben verklaard, met dien verstande dat deze beide getuigen, daarnaar gevraagd, niet hebben kunnen aangeven op welke dag E is langs geweest om de milieuvergunningsaanvraag te laten ondertekenen en evenmin de overige door hem genoemde data hebben bevestigd.

5.4.2 Nu de door E genoemde indieningsdatum van de milieuvergunningsaanvraag geen bevestiging vindt in de getuigenverklaringen van A en D, terwijl bovendien, zoals zijdens appellanten ter zitting is verklaard, bij de gemeente C niet verder meer informatie kan worden achterhaald die steun biedt aan de stellingen van appellanten inzake de datum waarop de milieuvergunningsaanvraag van appellanten is ingediend, is met de - wat de indieningsdatum betreft - op zichzelf staande verklaring van E, afgezet tegen eerdervermelde ontvangstbevestiging, naar het oordeel van het College, niet, althans onvoldoende aangetoond dat de milieuvergunningsaanvraag van appellanten is ingediend vóór 10 juli 1997. Het College tekent hierbij aan dat deze verklaring is afgelegd geruime tijd na indiening van de onderhavige milieuvergunningsaanvraag, zodat, gelet op het tijdsverloop, eventuele vergissingen in de door E genoemde data niet kunnen worden uitgesloten.

5.5 Ten slotte overweegt het College dat het enkele feit dat in de ontvangstbevestiging een andere ontvangstdatum is vermeld dan in de op 7 maart 1998 verleende milieuvergunning, niet meebrengt dat, zoals appellanten kennelijk betogen, beide data onjuist zouden zijn.

5.6 Gelet op het vorenstaande dient het beroep van appellanten ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr J.A. Hagen en mr S.K. Welbedacht, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2002.

w.g. B. Verwayen w.g. W.F. Claessens