Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6359

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-07-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/813 en 01/823
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 328

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs. AWB 01/813 en 01/823 26 juli 2002

4129 Heffing

Heffingen BDA

Uitspraak in de zaken van:

1. Dekamarkt B.V., te Velsen,

2. Gall en Gall B.V., te Hoofddorp,

3. Laurus N.V., te Hoogeveen;

4. Poiesz Supermarkten B.V., te Sneek;

5. Dirck III Slijterijen B.V., te Alphen aan den Rijn;

6. Hoogvliet B.V., te Alphen aan den Rijn;

7. Mitra C.V., te Doetinchem;

8. EM-TÉ Supermarkten B.V., te Kaatsheuvel;

9. Komart Gekoma B.V., te Apeldoorn;

10.Komart Supermarkten B.V., te Beverwijk;

11 Vomar Voordeelmarkt B.V., te IJmuiden;

12. Vereniging Drankenhandel Nederland, te Zoetermeer, appellanten,

gemachtigden: ing. S. Veenstra, secretaris van de Vereniging Drankenhandel Nederland, te Leidschendam en

mr H.G.J.E. Plagge, juridisch adviseur te Hintham,

tegen

het Bedrijfschap voor de Detailhandel in Alcoholhoudende Dranken (met ingang van 1 juli 2002: het Productschap Dranken), verweerder,

gemachtigde: mr K. Gilhuis, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Op 18 oktober 2001 en 23 oktober 2001 heeft het College van appellanten beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen besluiten van 14 september 2001.

Bij die besluiten is beslist op de bezwaarschriften die door appellanten waren ingediend tegen beslissingen op verzoeken om vrijstelling als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b van de Bestemmingsheffingsverordening 2001 B.D.A. en de Basisheffingsverordening 2001 B.D.A..

Verweerder heeft op 30 november 2001 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2002. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt toegelicht. Van de zijde van verweerder is tevens het woord gevoerd door diens voorzitter, B.A.H. van Zweden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 5, van de Bestemmingsheffingsverordening 2001 B.D.A. en de Basisheffingsverordening 2001 B.D.A. luidt als volgt.

" Van de betaling der (…)heffing, in deze verordening bedoeld,

a. (…)

b. kunnen, op verzoek, door de voorzitter namens het bestuur, geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld die bijzondere gevallen of groepen van gevallen die kunnen aantonen dat zij onderdeel uitmaken van het grootwinkelbedrijf."

De toelichting bij beide verordeningen luidt:

" a. Indien op objectieve wijze wordt aangetoond dat de totale omzet van de verkoopplaatsen van het grootwinkelbedrijf in het jaar 2000 méér dan vijftig procent van de jaarlijkse omzet van de gehele Nederlandse slijtersbranche heeft bedragen, dan kan aan ondernemingen die aantonen onderdeel uit te maken van het grootwinkelbedrijf op verzoek door de voorzitter namens het bestuur geheel of gedeeltelijk vrijstelling van de betaling der basisheffing worden verleend.

b. Voor de begripsinhoud van "grootwinkelbedrijf" als bedoeld in a. bovenstaand, wordt aangesloten bij de in de detailhandel gebruikelijke definitie: het is de onderneming met tenminste zeven verkoopplaatsen waaraan centraal leiding wordt gegeven. Derhalve is voor franchise-ondernemers en/of vrijwillig filiaalbedrijven of voor andere vormen van commerciële samenwerking de (…) heffingsverordening volledig van kracht."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten sub 3, 5, 6, 8, 10 en 11 hebben bij brieven van 9 april 2001, 5 april 2001, 17 april 2001, 4 april 2001, 15 maart 2001 en 19 april 2001 aan verweerder verzocht om vrijstelling als bedoeld in voormeld artikel 5, aanhef en sub b van de heffingsverordeningen.

- Namens appellanten sub 1 tot en met 11 heeft appellante sub 12 bij brieven van 3 april en 19 april 2001 eenzelfde verzoek aan verweerder gedaan.

- Bij besluiten van 13 juni 2001

- zijn de verzoeken van appellanten sub 3, 5, 6, 8, 10 en 11 niet-ontvankelijk verklaard omdat zij waren ingediend naar aanleiding van de publicatie van de verordeningen in het PBO-blad en tegen zodanige publicatie geen verzoekschriftprocedure openstaat, en ten overvloede afgewezen.

- is het verzoek van appellante sub 12 afgewezen voorzover gedaan namens appellanten sub 1 en 2, niet-ontvankelijk verklaard voorzover gedaan namens de andere appellanten omdat deze een eigen verzoek hadden ingediend dan wel niet een geldige volmacht hadden verstrekt, niet-ontvankelijk verklaard voorzover gedaan voor zichzelf omdat tegen een publicatie in het PBO-blad geen verzoekschrift-procedure openstaat, en ten overvloede ten aanzien van de niet-ontvankelijk verklaarde appellanten afgewezen.

- Hiertegen hebben appellanten bezwaarschriften ingediend.

- Vervolgens zijn de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

De bestreden besluiten houden het volgende in:

" De beslissing op het bezwaar

Ik handhaaf mijn oorspronkelijke beslissing inzake de niet ontvankelijkheid van het verzoek en verklaar deze beslissing op dezelfde gronden ook van toepassing op het bezwaarschrift.

Ten overvloede beslis ik voorts dat ik, mede gelet op vorenstaande, geen aanleiding zie het bezwaar te honoreren op basis van de mij in de teksten van de Heffingenverordeningen gegeven mogelijkheden. Het bezwaarschrift als in aanhef dezes bedoeld, wordt dan ook ongegrond verklaard en afgewezen.

Hoogachtend, w.g. B.A.H. van Zweden, voorzitter"

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten kunnen zich niet verenigen met de afwijzing van hun verzoeken om vrijstelling. Om redenen waarvan hierna zal blijken zal het College een verdere weergave van het standpunt van appellanten achterwege laten.

5. De beoordeling van het geschil

Uit hetgeen hiervoor in deze uitspraak is weergegeven blijkt dat de besluiten van 13 juni 2001, inhoudende de weigering om de verzoeken om vrijstelling van het merendeel der appellanten in behandeling te nemen, en de afwijzing van de overige verzoeken, genomen zijn door de voorzitter van verweerder. Zijn bevoegdheid tot het nemen van deze besluiten ontleende hij aan hogervermeld artikel 5, aanhef en onder b. In dit artikelonderdeel is hem mandaat verleend om namens het bestuur op verzoeken om vrijstelling te beslissen. Ondanks de bewoordingen en de ondertekening ervan op eigen naam, moet het er dan ook voor worden gehouden dat deze besluiten door hem in mandaat zijn genomen.

De voorzitter van verweerder heeft eveneens beslist op de door appellanten ingediende bezwaarschriften. Desgevraagd heeft hij evenwel niet kunnen aangeven en niet valt in te zien waaraan de voorzitter zijn bevoegdheid daartoe ontleende. Het College wijst er in dit verband op dat ingevolge artikel 10:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt krachtens mandaat heeft genomen.

De voorzitter van verweerder was gezien het vorenstaande niet bevoegd op de bezwaren te beslissen. De beroepen van appellanten zijn derhalve gegrond. De bestreden besluiten moeten worden vernietigd en op de bezwaarschriften moet opnieuw worden beslist met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.

Het College merkt hierbij op dat te meer gewenst is dat opnieuw op de bezwaren wordt beslist, omdat de bestreden besluiten die thans voorliggen niet getuigen van een ordelijke beoordeling van de bestuursrechtelijke aspecten van deze zaak. Zo vermag het College niet in te zien dat een betrokkene na kennisneming door middel van een publicatie van de in de verordeningen vervatte vrijstellingsmogelijkheden niet een verzoek om een vrijstelling als bedoeld zou mogen indienen. Ook voor de inhoudelijke beoordeling van de voorliggende verzoeken lijkt het niet zonder zin dat het bevoegde orgaan van verweerder zich over de bezwaren tegen de afwijzingen buigt.

Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 14 september 2001;

- bepaalt dat opnieuw op de bezwaarschriften wordt beslist overeenkomstig het in deze uitspraak overwogene;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, welke ten behoeve van appellanten gezamenlijk worden

vastgesteld op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door verweerder;

- verstaat dat het betaalde griffierecht ten bedrage van éénmaal € 204,20 (zegge: tweehonderdvier euro en twintig cent) door

appellanten sub 1 tot en met 11 en eveneens € 204,20 door appellante sub 12 door verweerder aan hen wordt vergoed;

- wijst af het meer en anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr M.J. Kuiper en mr F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr R.H.L. Dallinga, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2002.

w.g. C.M. Wolters w.g. R.H.L. Dallinga