Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6355

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/686
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 2, geldigheid: 2002-06-14
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 2, geldigheid: 2002-06-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No. AWB 02/686 14 juni 2002

32010 Bestrijdingsmiddelenwet

Toelating

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

Hoetmer B.V., gevestigd te Dordrecht, verzoekster,

gemachtigde: mr A.S. Gratama, advocaat te Breda,

tegen

het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (CTB), verweerder,

gemachtigde: mr F. Heus, advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Bij afzonderlijke besluiten van 29 juni 2001 heeft verweerder, onder verwijzing naar de artikelen 2, vijfde lid, en 4 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: Bmw), besloten dat de bestrijdingsmiddelen Embadecor en Embasol Combi - waarvan, aldus de bijlagen I bij deze besluiten, is geconstateerd dat de toelating op de einddatum van 1 mei 2001 van rechtswege is geëindigd omdat ten behoeve van de verlenging van de toelating geen volledige aanvraag was ontvangen en niet aan artikel 4 van de Bmw was voldaan - nog voor de periode van 1 mei 2001 tot 1 mei 2002 mogen worden gebruikt en ten behoeve van het gebruiken voorhanden of in voorraad mogen worden gehouden.

Tegen deze besluiten heeft verzoekster bij brief van 30 juli 2001, aangevuld bij brief van 30 augustus 2001, bezwaar gemaakt.

Op 26 april 2002 heeft verzoekster zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van de besluiten van 29 juni 2001, onder de bepaling dat de bestrijdingsmiddelen Embasol Combi en Embadecor mogen worden afgeleverd, in voorraad gehouden en opgebruikt tot tenminste zes weken nadat op het bezwaarschrift zal zijn beslist, althans een zodanige voorziening te treffen als hij billijk acht.

Op 29 april 20002 heeft verzoekster de voorzieningenrechter medegedeeld een - voor haar negatieve - beslissing op bezwaar te hebben ontvangen. Zij heeft voorts medegedeeld beroep te zullen aantekenen waarna het door haar ingediende verzoekschrift zal hebben te gelden als een verzoekschrift hangende beroep.

Bij besluit van 26 april 2002 heeft verweerder, voorzover hier van belang, de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 2 mei 2002 beroep ingesteld bij het College. Bij brief van dezelfde datum heeft zij zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van de beslissing op bezwaar, onder de bepaling dat de bestrijdingsmiddelen Embasol Combi en Embadecor mogen worden afgeleverd, in voorraad gehouden en opgebruikt tot tenminste zes weken nadat op het beroepschrift zal zijn beslist, althans een zodanige voorziening te treffen als hij billijk acht.

Op 17 mei 2002 en 30 mei 2002 heeft verweerder het College stukken doen toekomen met betrekking tot de onderhavige zaak, bij brief van 3 juni 2002 gevolgd door een schriftelijke reactie op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep.

Op 5 juni 2002 heeft het College nadere stukken ontvangen van verzoekster, op 6 juni 2002 gevolgd door nadere stukken van verweerder.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek van 2 mei 2002 behandeld ter zitting van 7 juni 2002, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet. Van de zijde van verzoekster waren hierbij tevens aanwezig mr M. Osse, advocaat, en H.W.F. Trompetter, werkzaam bij verzoekster, en van de zijde van verweerder mr A.M.C. Groenhuis, werkzaam bij het CTB.

Voorzover nodig en om misverstanden te voorkomen, heeft verzoekster ter zitting haar verzoek van 26 april 2002 uitdrukkelijk ingetrokken.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De voor de rechtsoverwegingen van belang zijnde toepasselijke Europese regelgeving.

2.1.1 Op 16 februari 1998 hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie de Richtlijn betreffende het op de markt brengen van biociden vastgesteld (Richtlijn 98/8/EG, PbEG 1998, L 123; hierna: de Biocidenrichtlijn).

Artikel 16 van de Biocidenrichtlijn, bevattende overgangsmaatregelen, luidt als volgt:

" 1. In verdere afwijking van artikel 3, lid 1, artikel 5, lid 1, en artikel 8, leden 2 en 4, en onverminderd de leden 2 en 3, mag een lidstaat gedurende een periode van tien jaar vanaf de in artikel 34, lid 1, bedoelde datum zijn huidige systeem of praktijk met betrekking tot het op de markt brengen van biociden blijven toepassen. Met name mag de lidstaat, overeenkomstig zijn nationale voorschriften, toelaten dat op zijn grondgebied een biocide op de markt wordt gebracht dat werkzame stoffen bevat die voor dat productsoort niet in bijlage I of IA zijn genoemd. Die werkzame stoffen moeten op de in artikel 34, lid 1, bedoelde datum op de markt zijn als werkzame stoffen van een biocide, bestemd voor andere doeleinden dan de in artikel 2, lid 2, onder c) en d), gedefinieerde.

2. Na de aanneming van deze richtlijn start de Commissie een tienjarig werkprogramma voor een systematisch onderzoek van alle werkzame stoffen die op de in artikel 34, lid 1, bedoelde datum reeds op de markt zijn als werkzame stoffen van een biocide, bestemd voor andere doeleinden dan de in artikel 2, lid 2, onder c) en d), gedefinieerde. In een volgens de procedure van artikel 28, lid 3, vastgestelde verordening worden alle bepalingen opgenomen die voor de opstelling en uitvoering van het programma noodzakelijk zijn, met inbegrip van prioriteiten voor de beoordeling van de verschillende werkzame stoffen en een tijdschema. Uiterlijk twee jaar voor de voltooiing van het werkprogramma dient de Commissie bij de Raad en het Europees Parlement een rapport over de vordering van het programma in.

Tijdens die periode van tien jaar kan vanaf de in artikel 34, lid 1, bedoelde datum volgens de procedure van artikel 28, lid 3, worden besloten dat een werkzame stof in bijlage I, IA of IB wordt opgenomen en onder welke voorwaarden, of, in gevallen waarin niet wordt voldaan aan de voorschriften van artikel 10 of waarin de vereiste informatie en gegevens niet binnen de voorgeschreven periode zijn verstrekt, dat de bewuste werkzame stof niet in bijlage I, IA of IB wordt opgenomen.

3. Nadat een besluit is genomen over het al dan niet opnemen van een werkzame stof in bijlage I, IA of IB, zorgen de lidstaten ervoor dat de toelating voor of, indien van toepassing, registratie van biociden die de werkzame stoffen bevatten en aan deze richtlijn voldoen, naar gelang van het geval wordt toegekend, gewijzigd of ingetrokken.

4. Wanneer na toetsing van een werkzame stof wordt vastgesteld dat de stof niet aan de voorschriften van artikel 10 voldoet en derhalve niet in bijlage I, IA of IB kan worden opgenomen, doet de Commissie voorstellen ter beperking van het op de markt brengen en het gebruik van die stof overeenkomstig Richtlijn 76/769/EEG.

5. Het bepaalde in Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften blijft gelden gedurende de in lid 2 bedoelde overgangsperiode."

De in artikel 34, lid 1, van de Biocidenrichtlijn bedoelde datum is 14 mei 2000.

2.1.2 Op 7 september 2000 heeft de Commissie de Verordening (EG) nr. 1896/2000 (hierna: Verordening 1896/2000 of de Verordening) vastgesteld, inzake de eerste fase van het in artikel 16, lid 2, van de Biocidenrichtlijn bedoelde programma.

Artikel 1 van die Verordening 1896/2000 handelt over de werkingssfeer ervan en luidt als volgt:

" In deze verordening worden bepalingen vastgesteld voor de vaststelling en uitvoering van de eerste fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG, hierna "de richtlijn" genoemd, bedoelde werkprogramma voor de systematische beoordeling van alle werkzame stoffen die op 14 mei 2000 als werkzame stoffen van biociden op de markt zijn, hierna "het beoordelingsprogramma" genoemd."

Artikel 6 van Verordening 1896/2000, betreffende de gevolgen van identificatie en kennisgeving, luidt als volgt:

" 1.Volgens de procedure van artikel 28, lid 3, van de richtijn wordt een verordening vastgesteld met

a) een volledige lijst van bestaande werkzame stoffen die op de markt worden gebracht om in biociden te worden gebruikt, voor welke stoffen ten minste één identificatie voldoet aan de voorschriften van artikel 3, lid 1,of artikel 5, lid 2, of overeenkomstig artikel 4, lid 1, gelijkwaardige informatie in een kennisgeving is ingediend, en

b) een volledige lijst van bestaande werkzame stoffen die tijdens de tweede fase van het beoordelingsprogramma worden beoordeeld,waarin de bestaande werkzame stoffen zijn opgenomen

i) waarvoor de Commissie ten minste één kennisgeving overeenkomstig artikel 4, lid 1, of artikel 8, lid 1, heeft aanvaard, of

ii) die lidstaten overeenkomstig artikel 5, lid 3, hebben aangemeld, of

iii) waarvoor lidstaten na aanmeldingen overeenkomstig artikel 8, lid 3 of lid 4, alleen of gezamenlijk hebben toegezegd de nodige gegevens te verstrekken voor de uitvoering van evaluaties voor een mogelijke opname in bijlage IB van

de richtlijn tijdens de tweede fase van het beoordelingsprogramma.

De Commissie stelt de lijsten langs elektronische weg ter beschikking van het publiek.

2. Onverminderd artikel 16, leden 1 tot en met 3, van de richtlijn kunnen alle producenten van een werkzame stof die is opgenomen in de in lid 1, onder b), bedoelde lijst, en alle formuleerders van biociden die deze werkzame stof bevatten, beginnen of doorgaan met het op de markt brengen van de werkzame stof, als zodanig of in biociden, in de productsoort of -soorten waarvoor de Commissie ten minste één kennisgeving heeft aanvaard.

3. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 28, lid 3,van de richtlijn tot de lidstaten gerichte besluiten vast waarbij wordt bepaald dat de volgende werkzame stoffen niet krachtens het beoordelingsprogramma in bijlage I, bijlage IA of bijlage IB van de richtlijn worden opgenomen en dat deze werkzame stoffen, als zodanig of in biociden, niet langer op de markt mogen worden gebracht om als biocide te worden gebruikt:

a) niet in de in lid 1, onder b), bedoelde lijst opgenomen werkzame stoffen;

b) in de in lid 1, onder b), bedoelde lijst opgenomen werkzame stoffen in productsoorten waarvoor de Commissie niet ten minste één kennisgeving heeft aanvaard.

Wanneer de werkzame stof echter in de in lid 1, onder a), bedoelde lijst van bestaande werkzame stoffen wordt opgenomen, wordt een redelijke periode voor geleidelijke eliminatie toegestaan van niet meer dan drie jaar, gerekend vanaf de datum waarop het in de eerste alinea bedoelde besluit in werking treedt.

4. De volgende aanvragen voor de opneming van bestaande werkzame stoffen in bijlage I, bijlage IA of bijlage IB bij de richtlijn worden behandeld alsof de stof niet vóór 14 mei 2000 op de markt is gebracht om als biocide te worden gebruikt:

a) een aanvraag voor de opneming van een niet in de in lid 1, onder b), bedoelde lijst opgenomen werkzame stof;

b) een aanvraag voor de opneming van een werkzame stof voor andere productsoorten dan waarvoor deze in de in lid 1, onder b), bedoelde lijst is opgenomen."

Artikel 2 van Verordening 1896/2000 bevat definities. Dit artikel luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" Voor de toepassing van deze verordening zijn de definities in artikel 2 van de richtlijn van toepassing.

Voorts wordt verstaan onder:

a) "bestaande werkzame stof": een werkzame stof die vóór 14 mei 2000 als werkzame stof voor een biocide voor andere doeleinden dan bedoeld in artikel 2, lid 2, onder c) en d), van de richtlijn op de markt is gebracht;

(…). "

2.2 De voor de rechtsoverwegingen van belang zijnde toepasselijke nationale regelgeving.

2.2.1 Artikel 2 van de Bmw, zoals laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 12 november 1998 tot wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 in verband met de instelling van een College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (Stb. 1998, 689, hierna: de Wijzigingswet 1998), luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" 1. Het is verboden een bestrijdingsmiddel af te leveren, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, waarvan niet blijkt dat het ingevolge deze wet is toegelaten.

(…)

5. Het college maakt in de Staatscourant bekend dat een bestrijdingsmiddel, dat niet meer is toegelaten, gedurende een bij die bekendmaking bepaalde termijn in afwijking van het in het eerste lid bedoelde verbod nog mag worden afgeleverd, gebruikt dan wel in voorraad of voorhanden gehouden. Daarbij kan het voorschriften met betrekking tot het gebruik geven als bedoeld in artikel 5, tweede lid.

6. Bij regeling van Onze betrokken Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aflevering of het in voorraad of voorhanden hebben van de in het vijfde lid bedoelde bestrijdingsmiddelen. Daarbij kunnen tevens regelen worden gesteld omtrent de verwijdering binnen een daarbij te bepalen tijdvak van een niet meer toegelaten bestrijdingsmiddel.

(…)."

In de oorspronkelijke tekst van artikel 2 ontbraken het vijfde en zesde lid. Het vijfde lid, dat aan artikel 2 van de Bmw is toegevoegd bij de Wet van 5 juni 1975 tot wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 1975, 381, hierna: de Wijzigingswet 1975), luidde oorspronkelijk:

" Onze betrokken Minister kan bij in de Staatscourant bekend te maken beschikking, in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod, toestaan dat een bestrijdingsmiddel, dat niet meer is toegelaten, nog gedurende een bij zijn beschikking te bepalen tijdvak wordt gebruikt en door de gebruikers voorhanden wordt gehouden met inachtneming van de bij die beschikking te geven voorschriften."

In de Nota naar aanleiding van het eindverslag van 23 december 1974 in het kader van het wetsontwerp dat leidde tot de Wijzigingswet 1975 (Kamerstukken 1974 - 1975, 11 262, nr. 9) is over deze bepaling opgemerkt:

" Inmiddels is de behoefte naar voren gekomen bij de tweede nota van wijzigingen nog een vijfde lid toe te voegen aan artikel 2. Deze nieuwe bepaling houdt in dat de betrokken Minister het gebruiken en door gebruikers voorhanden hebben van niet meer toegelaten bestrijdingsmiddelen nog gedurende een bepaalde tijd na het einde van de toelatingstermijn kan toestaan. Aan deze bepaling liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

Mede als gevolg van een intensieve controle doet zich in toenemende mate de vraag voor of het redelijk is dat de gebruiker, die na beëindiging van de toelating van een middel nog een hoeveelheid van dat middel heeft en deze opgebruikt, onder alle omstandigheden strafbaar wordt gesteld, hetgeen thans principieel het geval is. De ondergetekenden menen dat men in dit verband onderscheid moet maken naar gelang van de wijze waarop beëindiging van de toelating is geschied. Is de toelating van overheidswege ingetrokken of is verlenging ervan geweigerd dan moet een verder gebruik van het middel uiteraard verhinderd worden wegens de daaraan verbonden bezwaren. Er zijn echter ook verscheidene gevallen waarin een toelating niet wordt verlengd omdat de houder van de toelating daarop geen prijs meer stelt. Bij die gevallen doet zich meermalen de situatie voor dat tegen een verlenging geen bezwaren van overheidswege zouden bestaan. In die situatie is het dan ook redelijk en verantwoord de gebruikers van het betrokken middel gedurende een bepaalde tijd de gelegenheid te geven hun resterende voorraad legaal op te gebruiken. Het nieuwe vijfde lid van artikel 2 is uitsluitend daarvoor bedoeld."

Bij de Wet van 15 december 1994 tot wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 in verband met de implementatie van Richtlijn 91/414/EG (Stb. 1995, 4, hierna: de Implementatiewet) is het vijfde lid van artikel 2 van de Bmw gewijzigd. Deze bepaling kwam toen als volgt te luiden:

" Onze betrokken Minister kan in afwijking van het in het eerste lid bedoelde verbod bij regeling toestaan dat een bestrijdingsmiddel, dat niet meer is toegelaten, nog gedurende een door hem te bepalen tijdvak wordt afgeleverd, wordt gebruikt of in voorraad of voorhanden wordt gehouden met inachtneming van de bij die regeling gestelde regelen. Bij deze regeling kunnen tevens regelen worden gesteld omtrent de verwijdering binnen een te bepalen tijdvak van een niet meer toegelaten bestrijdingsmiddel."

Omtrent deze wijziging is in de memorie van toelichting het volgende opgemerkt (Kamerstukken Tweede Kamer 1992 - 1993, 23 177, nr. 3):

" Het vijfde lid wordt aangepast in verband met het bepaalde in artikel 4, zesde lid, derde alinea, van de richtlijn [91/414/EG]. Daarin wordt geregeld dat bij de intrekking van de toelating van een middel een termijn gesteld kan worden voor de verwijdering, het op de markt brengen of het gebruiken van de bestaande voorraden. Het huidige vijfde lid biedt de basis voor de zogenoemde opgebruik-regeling. Daar de bepaling uit de richtlijn echter niet alleen op het gebruik ziet maar ook op het op de markt brengen (afleveren) en op het verwijderen, vindt aanpassing plaats. De te stellen termijn zal afhangen van de aard van het bestrijdingsmiddel."

2.2.2 Bij regeling van 9 juli 1997 (Stcrt. 1997, 139), houdende wijziging Uitvoeringsregeling bestrijdingsmiddelen, heeft de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) invulling gegeven aan het bepaalde in artikel 2, vijfde lid, van de Bmw. Hierbij is onder meer artikel 2 van de Uitvoeringsregeling gewijzigd en een nieuw artikel 2a ingevoegd. Deze - inmiddels vervallen - artikelen luidden, voorzover hier van belang, als volgt:

" Art. 2.

1. Onze betrokken Minister kan op verzoek van de toelatinghouder een niet meer toegelaten bestrijdingsmiddel aanwijzen dat nog gedurende een door hem te bepalen tijdvak mag worden afgeleverd en door fabrikanten en handelaren ten behoeve van afleveren voorhanden of in voorraad mag worden gehouden. Een bestrijdingsmiddel wordt in ieder geval niet aangewezen indien:

a. de beëindiging van de toelating verband houdt met het niet of niet meer voldoen van het bestrijdingsmiddel aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3 en 3a van de wet;

b. de termijn als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de wet in acht is genomen of het besluit tot niet verlenging van een toelating van een bestrijdingsmiddel wordt genomen 6 maanden voordat de toelating van het betrokken bestrijdingsmiddel eindigt of

c. de beëindiging van de toelating van het bestrijdingsmiddel plaatsvindt op verzoek of door toedoen van de toelatinghouder.

(…).

Art. 2a.

1. Onze betrokken Minister kan een niet meer toegelaten bestrijdingsmiddel aanwijzen dat nog gedurende een door hem te bepalen tijdvak mag worden gebruikt en ten behoeve van het gebruik voorhanden of in voorraad mag worden gehouden. Een bestrijdingsmiddel wordt in ieder geval niet aangewezen indien:

a. het een niet-landbouwbestrijdingsmiddel betreft dat uitsluitend bestemd is voor particulier gebruik in een door de gebruiker bewoonde ruimte of

b. beëindiging van de toelating geschiedt op basis van de vaststelling van een schadelijke uitwerking of onaanvaardbare effecten als bedoeld in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3 en 3a van de wet.

(…)."

In de in de Staatscourant gepubliceerde toelichting bij deze wijziging is, na de opmerking dat aan de mogelijkheid die artikel 2, vijfde lid, van de Bmw biedt tot vaststelling van een aflevertermijn voor niet meer toegelaten bestrijdingsmiddelen invulling wordt gegeven omdat dit in bepaalde gevallen wenselijk kan zijn, opgemerkt:

" De wens hiertoe bestaat met name indien het besluit tot intrekking van een toelating van een bestrijdingsmiddel of het besluit tot het niet verlengen van een toelating van een bestrijdingsmiddel korter dan zes maanden is genomen voor de inwerkingtreding daarvan en dit geen verband houdt met de schadelijkheid van het middel of de beëindiging van de toelating niet plaatsvindt op verzoek of door toedoen van de toelatinghouder."

Voorts is in de toelichting onder meer het volgende opgemerkt:

" Voorts wordt geen opgebruiktermijn vastgesteld voor niet meer toegelaten bestrijdingsmiddelen waarvan een schadelijke uitwerking of onaanvaardbare effecten als bedoeld in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3 en 3a van de wet is geconstateerd. Dit komt overeen met het tot heden gevoerde beleid inzake de vaststelling van opgebruiktermijnen voor niet meer toegelaten bestrijdingsmiddelen."

Bij de Wijzigingswet 1998 is artikel 2, vijfde lid, van de Bmw wederom gewijzigd en is een zesde lid toegevoegd. De wijziging met betrekking tot deze artikelleden, die hiervoor reeds zijn opgenomen bij de weergave van artikel 2, zoals dat thans luidt, is als volgt toegelicht (Kamerstukken Tweede Kamer, 1995 - 1996, 24 817, nr. 3):

" In deze onderdelen van artikel I worden de wijzigingen in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 aangebracht die voortvloeien uit de instelling van een zelfstandig met de toelating belast college.

De zogenoemde opgebruikregeling zoals voorzien in artikel 2, vijfde lid, van de wet, maakt het mogelijk dat bestrijdingsmiddelen die niet meer zijn toegelaten, nog tijdelijk mogen worden afgeleverd, gebruikt of in voorraad of voorhanden gehouden. Daar in de nieuwe opzet het college zal beslissen omtrent toelatingen en intrekkingen, zal het college de middelen bekend maken die onder de opgebruikregeling vallen en daarbij een termijn stellen. De wijziging van artikel 2, vijfde lid, als voorzien in artikel I, onderdeel B, strekt hiertoe. Het in hetzelfde onderdeel voorziene nieuwe zesde lid van artikel 2 bevat de overige elementen van het bestaande vijfde lid. In het kader van de opgebruikregeling kunnen algemeen geldende regelen worden gesteld. Deze bevoegdheid tot het stellen van algemeen verbindende voorschriften blijft echter bij de verantwoordelijke bewindspersonen. Het nieuwe zesde lid voorziet hierin."

Vervolgens zijn de artikelen 2 en 2a van de Uitvoeringsregeling bij besluit van de Staatssecretaris van LNV van 12 juli 1999 (Stcrt. 1999, 136) komen te vervallen. De toelichting bij dit besluit luidt als volgt:

" Deze regeling wijzigt voor zover nodig de op de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 gebaseerde ministeriële regelingen in verband met de instelling van een College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, hierna het CTB. De wijzigingen houden alle verband met het feit dat het CTB na inwerkingtreding van de Wet van 12 november 1998 tot wijziging van de Bestrijdings-middelenwet 1962 in verband met de instelling van een College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (Stb. 689) zelfstandig kan beslissen over het al dan niet toelaten van bestrijdingsmiddelen. Tot voor deze wetswijziging nam het CTB beslissingen inzake toelatingen van bestrijdingsmiddelen uitsluitend namens de betrokken minister."

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit luidt wat betreft het oordeel van verweerder over de bezwaarschriften met betrekking tot de onderhavige middelen als volgt.

" A. Uitspraken President CBB en beleid overgangs- en afleverings- en opgebruiktermijn.

Het Ctb heeft op 9 mei 2001 het beleid inzake overgangs-, aflevering- en opgebruiktermijn vastgesteld. Dit beleid gaat uit van een ruime bevoegdheid om een afleverings- en opgebruiktermijn vast te stellen. Deze bevoegdheid is echter beperkt uitgelegd door de President van het CBB (uitspraak van 12 juni 2001). De President heeft het geven van een aflever- of opgebruiktermijn als de toelating van rechtswege verloopt in strijd met de Richtlijn 91/414 en de Bmw 1962 verklaard. Het Ctb heeft het beleid hieraan aangepast en op 8 augustus 2001 de "Vaststellingsregeling beleid overgangs-, afleverings- en opgebruiktermijn Ctb 2001" vastgesteld. Deze regeling vervangt de regeling van 9 mei 2001. Het beleid heeft zowel betrekking op gewasbeschermings-middelen als op biociden. In het beleidsstuk wordt gesproken over bestrijdingsmiddelen; dit omvat volgens artikel 1 lid 1 onder f Bmw 1962 zowel gewasbeschermingsmiddelen als niet-landbouwbestrijdingsmiddelen. Deze regeling is bekendgemaakt in de Staatscourant van 16 augustus 2001, nummer 157 en is twee dagen daarna in werking getreden. In het nieuwe beleid is aansluiting gezocht bij de oorspronkelijke bedoelingen van de wetgever, zoals die blijken bij het in werking laten treden van artikel 2, vijfde lid, Bmw 1962.

In de uitspraak van 12 juni 2001 heeft de President bepaald dat aflever- en opgebruiktermijnen slechts kunnen worden gegeven als een toelating wordt ingetrokken of als er sprake is van een hiermee vergelijkbare plotselinge beëindiging van de toelating. Ook uit de uitspraak van de President van het CBB van 30 augustus 2001 blijkt dat het in strijd met de Richtlijn 91/414 en de Bmw 1962 is om een aflever- of opgebruiktermijn vast te stellen als de toelating van rechtswege verloopt. De onderhavige toelatingen verliepen van rechtswege door ommekomst van de vastgestelde toelatingstermijn (1 mei 2001 voor de middelen Embadecor en Embasol Combi (…) ). Intrekking was niet aan de orde.

De stelling van bezwaarde dat de jurisprudentie van de President niet van toepassing is op biociden snijdt geen hout. In deze uitspraken wordt uitdrukkelijk gesproken over het begrip bestrijdingsmiddel dat ook het begrip biocide omvat.

(…).

Wat betreft de middelen Embadecor en Embasol Combi zijn de toelatingen op 1 mei 2001 van rechtswege geëindigd. Deze middelen mogen volgens het toen geldende beleid nog voor de periode 1 mei 2001 en 1 mei 2002 worden gebruikt en ten behoeve dit gebruik voorhanden of in voorraad worden gehouden. Volgens het beleid van 8 augustus 2001 zou geen aflever- of opgebruiktermijn gegeven mogen worden. Het College stelt vast dat het bestreden besluit niet ten nadele van bezwaarde mag worden gewijzigd en dat de gegeven opgebruiktermijn in stand moet blijven. Het College verwijst in dit verband naar het beginsel van reformatio in peius dat is neergelegd in de artikelen 7:11 en 8:69 Algemene wet bestuursrecht. Dit artikel gaat uit van de gedachte dat het instellen van bezwaar of beroep er niet toe mag leiden dat de indiener van het bezwaar of beroep in een slechtere positie komt dan zonder het instellen van het bezwaar of beroep het geval zou zijn geweest.

B. Amendement Udo/Feenstra van 6 november 2001. Wijziging Bestrijdingsmiddelenwet 1962.

De kamerleden Udo en Feenstra hebben op 6 november 2001 een amendement op de te wijzigen Bmw 1962 ingediend, dat op 18 december 2001 door de Tweede Kamer is aangenomen. De bedoeling is een nieuw artikel 25d aan de Bmw 1962 toe te voegen. Volgens dit amendement blijft het Ctb A-stoffen beoordelen, maar laat de beoordeling van minder risicovolle stoffen (C-stoffen) in de pas lopen met de Europese regelgeving. De middelen op basis van C-stoffen blijven toegelaten totdat op Europees niveau anders wordt beslist. Het gaat om bestaande werkzame stoffen, die op 1 januari 2001 een toelating hadden en waarvoor een aanvraag tot verlenging is ingediend. Het College stelt vast dat de wetswijziging nog niet in werking is getreden. Op grond van artikel 7: 11 Algemene wet bestuursrecht moet bij de heroverweging op grond van bezwaarschriften worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden zoals die zijn op het moment van de heroverweging. Er kan met de komende wetswijziging geen rekening worden gehouden. Het is bovendien onduidelijk wat de komende wetswijziging zal gaan betekenen voor onvolledige aanvragen. Het College verwijst in dit verband naar de uitspraak van de President van het CBB van 22 februari 2002 nummer Awb 02/319 inzake het middel Symphonie waarin de President stelt dat er niet vooruit dient te worden gelopen op dit onderdeel van het wetsontwerp (het nieuwe artikel 25d Bmw 1962) omdat het gezien de fundamentele juridische kritiek van de Raad van State onzeker is of dit onderdeel kracht van wet zal krijgen.

C en D. Biocidenrichtlijn 98/8 en Verordening EG 1896/2000.

De Nederlandse wetgeving blijft van toepassing totdat op Europees niveau een besluit tot plaatsing van de werkzame stof op een van de bijlagen is genomen of uiterlijk tot en met 13 mei 2010.

Zoals bekend is de Biocidenrichtlijn nog niet geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Ook de Verordening 1896/2000 is niet geïmplementeerd. De nationale wetgeving blijft gelden. In de Verordening wordt slechts bepaald, dat belanghebbenden voor een bepaalde datum bij de Europese Commissie identificatie moeten aanvragen en daar beslist de Europese Commissie over. De Europese Commissie moet ook nog bepalen of een uitfaseringstermijn van drie jaar of minder wordt gegeven. De nationale regelgeving blijft gelden zolang er in EU-kader geen besluit is genomen over de werkzame stof. De Nederlandse wetgeving blijft van toepassing totdat op Europees niveau een besluit tot plaatsing van de werkzame stof op een van de bijlagen is genomen of uiterlijk tot en met 13 mei 2010.

Op 27 maart 2002 heeft advocatenkantoor AKD een brief met bijlagen toegezonden waaruit blijkt, dat de stof azaconazool in het kader van de verordening 1896/2000 is aangemeld voor identificatie. AKD verzoekt het Ctb deze stukken te betrekken bij de beoordeling van het bezwaar. Op grond van artikel 7:9 Awb wordt dit beschouwd als een nieuw feit dat door het Ctb bij de beoordeling van de bezwaren wordt betrokken. Het College stelt vast, dat de stof blijkbaar is aangemeld voor identificatie, maar dat de Europese Commissie nog over de identificatie moet beslissen. Het feit dat de stof voor identificatie is aangemeld verandert het standpunt van het College dat de nationale wetgeving voorlopig blijft gelden niet.

(…).

E. Artikel 2 lid 5 Bmw 1962.

In artikel 2 lid 5 Bmw 1962 is bepaald, dat een bestrijdingsmiddel dat niet meer is toegelaten gedurende een bepaalde termijn nog mag worden afgeleverd, gebruikt of in voorraad mag worden gehouden. Aan het bepaalde in artikel 2 lid 5 Bmw 1962 is door de wetgever invulling gegeven in de artikelen 2 en 2A Uitvoeringsregeling. Deze artikelen zijn vervallen bij besluit van 12 juli 1999.

Volgens de uitspraken van de President van het CBB van 12 juni 2001 en 30 augustus 2001 kunnen hoogstens aflever- en opgebruiktermijnen worden vastgesteld in de situatie waarin een toelating door intrekking is geëindigd of in situaties die daarmee op een lijn moeten worden gesteld. De President van het CBB gaat ervan uit, dat ook de in artikel 2 vijfde en zesde lid van Bmw 1962 neergelegde bevoegdheid om dergelijke termijnen vast te stellen uitsluitend tot die situaties is beperkt. De oorspronkelijke bedoeling van de wetgever was om slechts bij intrekking op verzoek van toelatinghouder aflever- en opgebruiktermijnen te geven. De wetgever heeft bij de Implementatiewet en bij wijziging van het vijfde lid van artikel 2 Bmw 1962 niet beoogd het toepassingsbereik van dit artikellid te verruimen. Dit is ook bevestigd in de uitspraak van de President van het CBB van 22 februari 2002 inzake het middel Symphonie.

De stelling van bezwaarde dat op grond van artikel 16 Biocidenrichtlijn het ten tijde van 14 mei 2000 geldende beleid ten aanzien van het vaststellen van afiever- en opgebruiktermijnen van toepassing is, is onjuist. Op grond van artikel 16 lid 1 Biocidenrichtlijn mag een lidstaat gedurende 10 jaar vanaf 14 mei 2000 zijn huidige systeem of praktijk blijven toepassen. Het gaat niet om toepassing van het systeem zoals dat gold op 14 mei 2000, maar om het systeem vanaf 14 mei 2000. Het gaat om het systeem zoals dat gold ten tijde van het moment van besluitvorming.

Bezwaarde verwijst naar de uitspraak van de President van het CBB van 29 januari 1990. Deze dateert echter van voor de implementatie van Richtlijn 91/414/EG. De President geeft maar een geringe verlenging van de termijn namelijk 2,5 maand op een reeds gegeven termijn van 4 maanden. De door bezwaarde gevraagde termijnen zijn veel langer en bovendien in strijd met het beleid van het Ctb.

F. Belangenafweging/vertrouwensbeginsel.

De President van het CBB komt in de uitspraken van 12 juni en 30 augustus 20011 niet toe aan een afweging van belangen waaronder economische belangen. Gelet op deze uitspraken is de constatering dat in strijd met de wet en de Richtlijn 91/414/EG is gehandeld voldoende om niet meer over te hoeven gaan tot het afwegen van de economische belangen van partijen. Bezwaarde stelt dat hij grote voorraden heeft afgeleverd erop vertrouwend dat een lange aflever- en opgebruiktermijn zou worden gegeven. Het Ctb is van oordeel dat dit tot het normale bedrijfsrisico behoort en geen reden vormt om van het beleid over het vaststellen van aflever- en opgebruiktermijnen af te wijken.

Wat betreft de fax van het Ctb van 7 augustus 2001 geldt het volgende. Deze fax dateert van voor de tijd dat het nieuwe beleid over aflevertermijnen in werking trad (namelijk 18 augustus 2001, twee dagen na publicatie in de Staatscourant). Bezwaarde kon met deze beleidswijziging bekend zijn omdat deze in de Staatscourant is gepubliceerd. Bij brief van 22 augustus 2001 heeft bezwaarde gevraagd om een voor beroep vatbaar besluit op het verzoek tot vaststelling van een aflever- en opgebruiktermijn. Bezwaarde accepteerde hiermee de mogelijkheid dat het Ctb anders zou besluiten.

De mededeling dat de aanvragen niet volledig waren kwam niet als een verrassing voor bezwaarde.

Voor wat betreft Embadecor heeft het Ctb bij brief van 30 oktober 1998 aanvullende vragen gesteld omtrent het aspect milieu. Bij brief van 15 maart 2001 constateert het Ctb dat deze gegevens nog steeds niet zijn ontvangen. Voor wat betreft Embasol Combi heeft het Ctb bij brieven van 17 januari 2000, 24 mei 2000, 15 maart 2001 en 18 mei 2001 bezwaarde medegedeeld dat het dossier onvolledig was. (…). "

Verweerder komt hierna tot de conclusie dat overeenkomstig het destijds geldende beleid een opgebruiktermijn van 12 maanden is vastgesteld, welke termijn dient te worden gehandhaafd. Vervolgens wordt het bezwaar ongegrond verklaard.

4. Het standpunt van verzoekster

Verzoekster heeft zich in de stukken, zoals toegelicht ter zitting, samengevat weergegeven op het volgende standpunt gesteld.

De uitspraken van de president van 12 juni 2001 en 30 augustus 2001 over de strekking en reikwijdte van artikel 2 lid 5 Bmw zijn volgens verzoekster niet relevant omdat ze betrekking hebben op gewasbeschermingsmiddelen. De onderhavige middelen zijn biociden. Het Europeesrechtelijk kader wordt gevormd door de Biocidenrichtlijn en de hierop gebaseerde verordeningen en beschikkingen van de Europese Commissie. Anders dan verweerder stelt, doet niet terzake dat gewasbeschermingsmiddelen en biociden nationaalrechtelijk worden bestreken door hetzelfde wettelijk kader, de Bmw. Daarenboven is verzoekster van mening dat de president in de genoemde uitspraken de Gewasbeschermingsrichtlijn in samenhang met de Bmw onjuist heeft toegepast, waardoor die uitspraken in de bodemprocedure niet zullen kunnen worden bevestigd.

De Biocidenrichtlijn voorziet in een gefaseerde harmonisatie. Harmonisatie vindt plaats op het niveau van individuele werkzame stoffen en wel doordat de Commissie een besluit neemt tot plaatsing of niet-plaatsing op een van de bijlagen bij de Biocidenrichtlijn. Na plaatsing dient op lidstaatniveau een middelbeoordeling plaats te vinden. Indien de stof niet op een bijlage is geplaatst, dienen de lidstaten ingevolge artikel 7 van de Biocidenrichtlijn de bestaande toelatingen van de middelen in te trekken. Dit artikel is echter uitdrukkelijk nog niet in beeld. Tot het moment van harmonisatie is het overgangsrecht van artikel 16 van de Biocidenrichtlijn van toepassing. Materieel houdt dit overgangsrecht volgens verzoekster in het huidige systeem of praktijk zoals dit in de lidstaat gold op 14 mei 2000. Daarenboven maken van het overgangsrecht deel uit de verordeningen die de Commissie op grond van artikel 16 lid 2 volgens de procedure van artikel 28 lid 3 van de Biocidenrichtlijn heeft vastgesteld.

In casu is voor de werkzame stof azaconazool, waarop de onderhavige biociden zijn gebaseerd, nog geen Commissiebesluit genomen. Dat betekent dat voor de besluitvorming rond deze stof het overgangsrecht van toepassing is, zulks met uitsluiting van de bepalingen van de Biocidenrichtlijn, aldus verzoekster.

Azaconazool is geïdentificeerd bij de Commissie. De stof is evenwel niet genotificeerd. De producent heeft niet aangegeven dat hij wil dat de stof wordt beoordeeld. Dit betekent op grond van artikel 6 lid 3 Verordening 1896/2000 - welke Verordening mede het overgangsrecht bepaalt - dat de Commissie voor deze stof een uitfaseringsperiode van maximaal drie jaar moet vaststellen gedurende welke periode deze stof en de daarop gebaseerde biociden nog op de markt gebracht mogen worden.

Toepassing van het overgangsrecht, meer in het bijzonder van Verordening 1896/2000, die rechtstreekse werking heeft en in alle lidstaten verbindend is, dwingt volgens verzoekster verweerder ertoe voor de onderhavige biociden een aflever- en opgebruiktermijn vast te stellen die aansluit bij de nog vast te stellen uitfaseringsperiode op grond van Verordening 1896/2000. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij aan artikel 6 van die Verordening, in samenhang met artikel 16 van de Biocidenrichtlijn, een recht kan ontlenen op een aflever- en opgebruiktermijn voor de middelen Embasol Combi en Embadecor voor een periode die gelijk is aan de uitfaseringsperiode die de Commissie nog zal vaststellen. Dat die termijn nog niet is vastgesteld is geen belemmering voor de door verzoekster gewenste besluitvorming. Verweerder kan in zijn besluit een koppeling maken met het nog te nemen Commissie-besluit. Een gevaar voor rechtsonzekerheid is niet aanwezig. Vast staat dat er een termijn zal worden vastgesteld door de Commissie, ook al zal die, hetgeen niet waarschijnlijk is, nihil zijn.

Voorzover zou moeten worden aangenomen dat voor verweerder niet rechtstreeks een verplichting tot het vaststellen van een aflever- en opgebruiktermijn uit Verordening 1896/2000 voortvloeit, omdat artikel 6 zich richt tot de Commissie, moet in ieder geval worden vastgesteld dat de nationale rechter verplicht is die Verordening toe te passen.

Meer subsidiair is het volgens verzoekster in strijd met het Europese recht, meer in het bijzonder in strijd met de Biocidenrichtlijn en Verordening 1896/2000, in samenhang met artikel 10 juncto artikel 249 EG, om in het zicht van het zekere besluit van de Commissie om voor azaconazool een uitfaseringstermijn vast te stellen, een aflever- en opgebruik-termijn gelijk aan deze uitfaseringstermijn te weigeren. Aldus wordt immers het doel van de Biocidenrichtlijn, volledige harmonisatie van de markt voor biociden, onmiskenbaar in gevaar gebracht.

Voorzover het beroep op Verordening 1896/2000 niet zou slagen, heeft verzoekster subsidiair aangevoerd dat verweerder ingevolge artikel 16 lid 1 Biocidenrichtlijn gehouden is toepassing te geven aan artikel 2 lid 5 Bmw zoals hij die bepaling op 14 mei 2000 toepaste.

Verder heeft verzoekster nog aangevoerd dat het feit dat het haar niet is gelukt binnen de haar gegunde opgebruiktermijn van een jaar over te schakelen op een alternatief, mede een gevolg is van de besluitvorming van verweerder met betrekking tot de door haar gevraagde toelating voor het alternatieve middel propiconazool. Verzoekster wacht al bijna een jaar op de behandeling van een bezwaarschrift tegen het in haar ogen onbegrijpelijke besluit tot het buiten behandeling stellen van haar aanvraag.

Tenslotte vraagt verzoekster aan de voorzieningenrechter uitdrukkelijk om, indien de door haar beargumenteerde toepassing en uitlegging van het gemeenschapsrecht niet wordt gevolgd, de plicht van de hoogste rechter om in geval van twijfel omtrent uitlegging en toepassing van het gemeenschapsrecht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) in het oog te houden en om onder aanhouding van de zaak een voorlopige voorziening te treffen voor overbrugging van de duur van de prejudiciële procedure tot in deze zaak uitspraak wordt gedaan.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van die beslissing beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2 In de onderhavige procedure staat vast dat de toelatingen van de bestrijdingsmiddelen Embadecor en Embasol Combi op 1 mei 2001 (van rechtswege) zijn geëindigd. Verzoekster heeft dit uitdrukkelijk niet betwist. Zij heeft zich enkel op het standpunt gesteld dat verweerder niet alleen een opgebruik-, maar ook een aflevertermijn had moeten geven, waarbij bovendien de termijnen op een langere periode dan een jaar hadden moeten worden gesteld.

5.3. De voorzieningenrechter zal eerst ingaan op het standpunt van verzoekster dat, gelet op de rechtstreekse werking van Verordening 1896/2000, verweerder gehouden is een aflever- en opgebruiktermijn vast te stellen met een lengte van maximaal drie jaar, te rekenen vanaf - op zijn vroegst - de tweede helft van 2002, welke termijn qua lengte moet worden gekoppeld aan het nog te nemen besluit van de Europese Commissie.

De voorzieningenrechter overweegt hierover dat Verordening 1896/2000 betrekking heeft op een werkprogramma voor de beoordeling van bestaande werkzame stoffen als voorzien in artikel 16, lid 2, van de Biocidenrichtlijn. Artikel 6 van Verordening 1896/2000 heeft betrekking op de gevolgen van identificatie en kennisgeving van die stoffen. Het derde lid van dit artikel betreft de situatie dat de werkzame stof wel is geïdentificeerd maar verder geen kennisgeving is gedaan en de Commissie derhalve besluit dat die stof niet in een bijlage van de Biocidenrichtlijn wordt opgenomen en dat die stof, als zodanig of in biociden, niet langer op de markt mag worden gebracht om als biocide te worden gebruikt. Dan wordt een redelijke periode voor geleidelijke eliminatie toegestaan van niet meer dan drie jaar, gerekend vanaf de datum van inwerkingtreding van het besluit van de Commissie over de stof. De beoordeling van en het besluit over de werkzame stof kan derhalve gevolgen hebben voor het op de markt brengen van middelen die de stof bevatten. Aan artikel 6, lid 3, van Verordening 1896/2000 kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel, anders dan verzoekster meent, geen recht ontleend worden om middelen houdende geïdentificeerde werkzame stoffen op de markt te houden.

Artikel 16, lid 1, van de Biocidenrichtlijn verwijst voor het op de markt brengen van biociden in het algemeen, derhalve ook van biociden houdende geïdentificeerde werkzame stoffen, waaronder naar het oordeel van de voorzieningenrechter tevens moet worden begrepen de toelating hiervan, voor een overgangsperiode van tien jaar uitdrukkelijk naar het nationale recht. Na ommekomst van deze overgangsperiode zullen biociden houdende geïdentificeerde werkzame stoffen niet meer op basis van nationale voorschriften op de markt mogen worden gebracht. Eén van de door middel van de Biocidenrichtlijn te bereiken doeleinden is derhalve het van de markt halen van middelen houdende geïdentificeerde werkzame stoffen. Tekst en systematiek van de Biocidenrichtlijn maken derhalve weinig voor de hand liggend dat in de verordening voor de vaststelling en uitvoering van het in artikel 16, lid 2, van de Biocidenrichtlijn bedoelde werkprogramma - de Verordening 1896/2000 - een communautair overgangsrechtelijk regime wordt geschapen waaraan, in afwijking van het toepasselijke nationale recht, rechten kunnen worden ontleend met betrekking tot het op de markt brengen van middelen houdende geïdentificeerde werkzame stoffen. Zulks volgt dan ook niet uit artikel 6, lid 3, van de Verordening. Hiertoe dient allereerst opgemerkt te worden dat zolang de Commissie geen hiertoe strekkend besluit heeft genomen geen sprake is van een periode van geleidelijke eliminatie en derhalve het nationale recht nog onverkort geldt. Van deze situatie is hier sprake. Voorts legt deze bepaling de Commissie weliswaar de verplichting op om, in weerwil van het uiteindelijk te bereiken doel om middelen houdende geïdentificeerde werkzame stoffen van de markt te halen, voor geïdentificeerde werkzame stoffen een redelijke periode voor geleidelijke eliminatie toe te staan, maar zij brengt geenszins het rechtsgevolg met zich dat middelen houdende deze werkzame stoffen tot het einde van de vastgestelde periode op de markt zouden mogen blijven als deze volgens het nationale recht van de markt kunnen worden gehaald. De werking van de Verordening betreffende de stoffen wordt hierdoor, anders dan verzoekster heeft betoogd, ook niet gefrustreerd. Een beoogd doel van de Verordening is immers dat werkzame stoffen die slechts worden geïdentificeerd, worden geëlimineerd.

5.4 Partijen verschillen in dit verband van mening over de uitleg van het woord "huidig" in artikel 16, lid 1, van de Biocidenrichtlijn. Volgens verzoekster wordt hiermee bedoeld het systeem of de praktijk op de datum van 14 mei 2000, terwijl verweerder zich op het standpunt stelt dat de lidstaten ook na inwerkingtreding van de Biocidenrichtlijn ten aanzien van de biociden waarvan de werkzame stoffen nog niet op Europees niveau zijn beoordeeld, in algemene regelgeving nadere regels en voorschriften mogen stellen. Hoewel de voorzieningenrechter twijfelt aan de juistheid van de uitleg van beide partijen omdat het, naar zijn voorlopig oordeel, veeleer voor de hand ligt uit te gaan van de datum van de vaststelling van de Biocidenrichtlijn - omdat anders het doel ervan kan worden gefrustreerd door voor de datum van 14 mei 2000 dan wel voordat de implementatie van de Biocidenrichtlijn is voltooid, nieuwe, van het stelsel van die richtlijn afwijkende wetgeving en/of afwijkend beleid te gaan toepassen - kan dit aspect thans in het midden worden gelaten, omdat, van welke van de bedoelde data ook wordt uitgegaan, dit in het onderhavige geval niet tot een andere uitkomst zal leiden. De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende.

5.5 Het nationale wettelijke systeem met betrekking tot aflever- en opgebruiktermijnen is neergelegd in artikel 2, vijfde en zesde lid, Bmw. Hoewel de tekst van die artikelonderdelen op zichzelf ruimte laat voor het vaststellen van aflever- en opgebruiktermijnen in alle situaties waarin de toelating van een bestrijdingsmiddel wordt beëindigd of is geëindigd, is dit, naar de voorzieningenrechter uit de in rubriek 2.2 opgenomen passages uit de wetsgeschiedenis afleidt, nimmer de bedoeling van de wetgever geweest. De met de implementatie van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn gepaard gaande wijziging van artikel 2 Bmw bij de Wet van 15 december 1994, heeft dit op zichzelf niet anders gemaakt. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat alleen een aflever- en opgebruiktermijn kon en kan worden gegeven bij een intrekking van de toelating dan wel bij een daarmee op één lijn te stellen abrupte beëindiging ervan. De voorzieningenrechter deelt in dit verband het voorlopige oordeel van de president in de bij partijen bekende en door hen genoemde uitspraken van 12 juni 2001 inz. no. AWB 01/370 (gepubliceerd in AB 2001, 270) en van 30 augustus 2001 inz. nos. AWB 01/553 en 01/617 (te raadplegen op www.rechtspraak.nl in de databank uitspraken onder LJN-nummer AD3469), naar welke uitspraken op deze plaats wordt verwezen. Dat het thans gaat om biociden leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel, aangezien het wettelijk systeem van artikel 2 Bmw met betrekking tot biociden naar inhoud en strekking geen relevante wijziging heeft ondergaan en het ziet op alle bestrijdingsmiddelen.

Nu er in het onderhavige geval geen sprake is van intrekking van de toelatingen en, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, evenmin van een situatie die daarmee op één lijn te stellen is, kan verzoekster aan artikel 2, vijfde lid, Bmw geen recht ontlenen op een aflever- en opgebruiktermijn voor de in het geding zijnde middelen. Voorzover verzoekster heeft betoogd dat zij op grond van het destijds gevoerde beleid van verweerder inzake de bevoegdheid ex artikel 2, vijfde lid, Bmw niettemin aanspraak zou hebben op een aflever- en opgebruiktermijn, overweegt de voorzieningenrechter dat zodanig beleid er niet toe kan strekken dat in strijd met de wet dergelijke termijnen worden gegund. In dit verband merkt de voorzieningenrechter op dat dit impliceert dat de aan verzoekster bij de primaire besluiten gegeven opgebruiktermijn strikt genomen in strijd met het wettelijk systeem gegeven was.

5.6 Voorzover verzoekster haar in een eerder stadium van de procedure naar voren gebrachte argument met betrekking tot het amendement Udo/Feenstra tot wijziging van de Bmw (door het opnemen van een nieuw artikel 25d) hier als herhaald en ingelast wil zien, waar zij niet expliciet om heeft verzocht, overweegt de voorzieningenrechter dat hij geen aanleiding ziet om hierover thans anders te oordelen dan in de uitspraak van 22 februari 2002 inz. no. AWB 02/319 (Symphonie; te raadplegen op www.rechtspraak.nl in de databank uitspraken onder LJN-nummer AE0108). Hoewel de behandeling nu in een verdergevorderd stadium in de Eerste Kamer is, hoefde dit voorstel tot wetswijziging voor verweerder bij het nemen van het bestreden besluit geen aanleiding te zijn tot een ander besluit te komen. De voorzieningenrechter wijst hierbij op de fundamentele kritiek van de Raad van State op het oorspronkelijke wetsvoorstel, zoals aangehaald in de hiervoor genoemde uitspraak van 22 februari 2002, die ook in de laatste tekstversie niet geheel zonder grond lijkt te zijn. Gelet op deze kritiek kan worden betwijfeld of de bepaling als voorzien in het amendement, indien aangenomen, verbindende kracht toekomt.

5.7 Uit het vorenoverwogene volgt dat, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, verweerder terecht geen mogelijkheid aanwezig heeft geacht tot het vaststellen van de door verzoekster gewenste aflever- en opgebruiktermijn voor de middelen Embadecor en Embasol Combi. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding te veronderstellen dat het bestreden besluit in dit opzicht in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven en acht het treffen van een voorlopige voorziening derhalve niet aangewezen. Het verzoek hiertoe dient dan ook te worden afgewezen.

Wat betreft het betoog van verzoekster met betrekking tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof, overweegt de voorzieningenrechter dat, zoals kan worden afgeleid uit de uitspraak van het Hof in de zaak onder nr C 107/76 van 24 mei 1977, een nationale rechter niet gehouden is een vraag betreffende uitlegging of geldigheid te stellen wanneer deze wordt opgeworpen in een procedure als de onderhavige ter verkrijging van een voorlopige voorziening, zelfs niet wanneer hiertegen geen beroep openstaat, mits een geding ten gronde aanhangig gemaakt kan worden, of aanhangigmaking daarvan verlangd kan worden, waarin de in de summiere procedure voorlopig besliste vraag opnieuw kan worden onderzocht en naar het Hof kan worden verwezen. Zulks geldt te meer in een situatie als de onderhavige waarin laatstbedoelde procedure al aanhangig is.

5.8 Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr D. Roemers in tegenwoordigheid van mr R.H.L. Dallinga, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2002.

w.g. D. Roemers w.g. R.H.L. Dallinga