Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6335

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-07-2002
Datum publicatie
08-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/1027
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Bestrijdingsmiddelenwet 1962, geldigheid: 2002-07-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No. AWB 02/1027 18 juli 2002

23030 In- en uitvoerwet

In- en uitvoervergunning

Uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorzieningen in de zaken van:

1. Hickson Garantor Nederland B.V., te Nijmegen (hierna: verzoekster sub 1), en

2. Hoetmer B.V., te Dordrecht (hierna: verzoekster sub 2), verzoeksters,

gemachtigden: mr M.W.L. Simons-Vinckx, advocaat te Breda, en mr dr J.P.L. van Marissing, advocaat te Amsterdam,

tegen

het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, te Wageningen, verweerder,

gemachtigden: mr drs J.H. Geerdink, advocaat te Den Haag, alsook mr M.K. Polano, werkzaam bij verweerder.

1. De procedures

Bij besluiten van 14 september 2001 heeft verweerder de aanvragen om verlenging van (a) de ten behoeve van verzoekster sub 1 verleende toelating voor het middel Tanalith E 3485 en (b) de ten behoeve van verzoekster sub 2 verleende toelating voor het middel Kemwood ACQ 21 niet ingewilligd, onder mededeling dat de toelating van deze middelen eindigt op 1 oktober 2001 en dat geen aflever- en opgebruiktermijn wordt vastgesteld.

Bij brief van 27 september 2001 hebben verzoeksters bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 14 september 2001.

Bij brief en faxbericht van 3 juni 2002 hebben verzoeksters zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend en hem verzocht de besluiten van 14 september 2001 van verweerder bij wege van voorlopige voorziening te schorsen en voorts bij wijze van voorlopige maatregel te bepalen dat de middelen Tanalith E 3485 en Kemwood ACQ 21 worden behandeld als ware zij (wederom) toegelaten.

Op 28 juni 2002 heeft de voorzieningenrechter van verweerder een schriftelijke reactie op de verzoeken ontvangen.

Op 15 juli 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar de in de aanhef van deze uitspraak genoemde gemachtigden de standpunten van partijen nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van de geschillen

Artikel 5, eerste lid, Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: Bmw) luidt als volgt:

" De toelating van een bestrijdingsmiddel geldt voor een in het besluit tot toelating te bepalen termijn van ten hoogste tien jaren. De toelating kan één of meerdere malen met ten hoogste tien jaren worden verlengd indien is gebleken dat nog steeds aan de voorwaarden voor toelating is voldaan. Zonodig kan de toelating worden verlengd voor de periode die met de beoordeling van de aanvraag tot verlenging gemoeid is."

Voor een overzicht van de andere regelgeving die bij de beoordeling van de onderhavige verzoeken een rol speelt, verwijst de voorzieningenrechter naar rubriek 2.1, voorzover hier van belang, van zijn (bij partijen bekende) uitspraak van 22 februari 2002 (AWB 02/311 en 02/312; www.rechtspraak.nl, LJN AE0446).

2.2 Bij de beoordeling van de verzoeken om voorlopige voorzieningen gaat de voorzieningen-rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- In deze zaken zijn grotendeels dezelfde feiten en omstandigheden van belang als in de zaken AWB 02/311 en 02/312. Voor een weergave van de feiten en omstandigheden waarvan bij de beoordeling van de onderhavige verzoeken wordt uitgegaan, wordt daarom in de eerste plaats verwezen naar rubriek 2.2 van genoemde uitspraak van 22 februari 2002. De in die rubriek omschreven besluiten van 16 juli 1999 en 8 juni 2000 heeft verweerder ook ten aanzien van de onderhavige middelen genomen, terwijl de uitspraak van 21 november 2000 van het College (AWB 00/512; www.rechtspraak.nl, LJN AA9088) ook op de onderhavige middelen betrekking heeft. Hetgeen in rubriek 2.2 van de uitspraak van 22 februari 2002 is opgenomen over chroom en arseen is hier niet aan de orde, nu de koperhoudende middelen Tanalith E 3485 en Kemwood ACQ 21 chroom noch arseen bevatten.

- Op 14 september 2001 heeft verweerder besluiten genomen als omschreven onder rubriek 1 van deze uitspraak.

- Bij brief van 27 september 2001 hebben verzoeksters bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 14 september 2001.

- Bij brief van 12 november 2001 hebben verzoeksters de gronden van de bezwaren nader aangevuld.

- Op 27 februari 2002 zijn verzoeksters over de bezwaren gehoord door de Adviescommissie voor de bezwaarschriften van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, een commissie als bedoeld in artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

- Op 28 maart 2002 heeft genoemde Adviescommissie verweerder geadviseerd de bezwaren van verzoeksters gegrond te verklaren, omdat Richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (de Stoffenrichtlijn) het gebruik van de onderhavige houtverduurzamingsmiddelen voor het impregneren van hout in industriële installaties onder vacuüm of druk naar het oordeel van de Adviescommissie uitdrukkelijk toestaat.

3. De bestreden besluiten en het verweer

In zijn besluiten van 14 september 2001 heeft verweerder overwogen dat hij, ter voorkoming van negatieve effecten van koperhoudende houtverduurzamingsmiddelen op de volksgezondheid en het milieu, heeft besloten het toepassingsgebied van deze middelen te beperken door het stellen van een wettelijk gebruiksvoorschrift. Bij uitspraak van 21 november 2000 heeft het College geoordeeld dat dit gebruiksvoorschrift niet verenigbaar is met het stelsel van de Bmw. Het gevolg van deze uitspraak is dat de middelen weer voor het oorspronkelijke (brede) toepassingsgebied zijn toegelaten, hetgeen in strijd is met artikel 3 Bmw. Bij brief van 21 december 2000 heeft verweerder de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overweging gegeven een ministeriële regeling op te stellen teneinde de negatieve effecten van de CC(A)-zouten alsnog weg te nemen. Bij brief van 20 augustus 2001 heeft de Minister verweerder medegedeeld het niet mogelijk te achten een regeling op te stellen die tot gevolg heeft dat de vigerende toelatingen niet langer in strijd zijn met de Bmw. Gelet hierop stond, aldus verweerder, geen andere weg meer open dan over te gaan tot het niet verlengen van de toelating van de onderhavige middelen.

In zijn schriftelijke reactie op de verzoeken om voorlopige voorzieningen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoeksters geen spoedeisend belang hebben bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorzieningen. In de visie van verweerder zijn de belangen van verzoeksters louter financieel van aard en valt niet in te zien waarom verzoeksters de beslissingen op de bezwaren niet kunnen afwachten. Voorts heeft verweerder gewezen op het zijns inziens verstrekkende karakter van de gevraagde voorlopige voorzieningen.

Verweerder zal, naar ter zitting uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is bevestigd, de bezwaren van verzoeksters behandelen in zijn vergadering van 14 augustus 2002 en zal diezelfde dag besluiten nemen op deze bezwaren.

4. Het standpunt van verzoeksters

Wat betreft hun inhoudelijke argumenten tegen de bestreden besluiten hebben verzoeksters verwezen naar hetgeen zij in de zaken AWB 02/311 en 02/312 hebben aangevoerd. Voor een weergave van deze argumenten wordt verwezen naar rubriek 4 van de uitspraak van 22 februari 2002.

In de visie van verzoeksters is het feit dat in de onderhavige gevallen sprake is van het niet verlengen van toelatingen, terwijl in de zaken AWB 02/311 en 02/312 sprake was van het intrekken van toelatingen, niet van doorslaggevend belang: in beide gevallen gaat het om de vraag of de besluitvorming van verweerder de toets der kritiek kan doorstaan.

Wat betreft het spoedeisend belang hebben verzoeksters beklemtoond dat de afnemers van geïmpregneerd hout, in verband met een goede planning, juist in deze periode moeten beslissen bij wie zij hout inkopen. Hiermee kan niet tot na medio augustus 2001 worden gewacht. De afnemers van het hout bepalen met welke middelen het hout wordt geïmpregneerd. Indien een impregneerbedrijf niet kan garanderen dat het gewenste impregneermiddel mag worden gebruikt, wijkt de afnemer uit naar een andere producent, zonodig in het buitenland.

Volgens verzoeksters is voorts nauwelijks te begrijpen dat, terwijl een aantal voor het milieu schadelijkere middelen op basis van koper-chroom en koper-chroom-arseen ingevolge de uitspraak van 22 februari 2002 voorlopig weer mag worden gebruikt, het gebruik van de onderhavige middelen verboden zou blijven.

5. De beoordeling van de verzoeken

5.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb juncto artikel 19, eerste lid, Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, wat hier gelet op artikel 8 Bmw het geval is, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist. Voorzover de daartoe uitgevoerde toetsing in het navolgende een oordeel meebrengt over de zaak ten gronde, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Naar moet worden aangenomen, hebben beide verzoeksters beoogd uitsluitend te verzoeken om voorlopige voorzieningen ter zake van het aan henzelf gerichte besluit.

5.2 De voorzieningenrechter stelt bij het beoordelen van de onderhavige verzoeken voorop dat het in de zaken AWB 02/311 en 02/312, waarop meergenoemde uitspraak van 22 februari 2002 betrekking heeft, ging om intrekking, op grond van artikel 7 Bmw, van tot 1 juni 2005 verlengde toelatingen. In die uitspraak was derhalve een situatie aan de orde, waarbij inbreuk werd gemaakt op door de toelatinghouders verkregen rechten. Ingevolge artikel 7, vierde lid, Bmw diende verweerder een beslissing te nemen over het tijdstip waarop de intrekking van kracht zou worden, in het kader van welke beslissing door hem een belangenafweging diende te worden verricht. Die situatie is hier niet aan de orde: in de onderhavige gevallen is geen sprake van inbreuk op verkregen rechten en speelt artikel 7, vierde lid, Bmw derhalve geen rol. Gelet hierop volgt de voorzieningenrechter verzoeksters niet in hun stelling, inhoudende dat in de onderhavige gevallen een in wezen gelijksoortige afweging aan de orde is als bij intrekking van een toelating.

In de zaken AWB 02/311 en 02/312 kwam voorts naar het oordeel van de voorzieningen-rechter groot gewicht toe aan de belangen ven de Vereniging voor houtimpregneer-bedrijven in Nederland (en met name de belangen van de leden die zij vertegenwoordigt), welke Vereniging kenbaar had gemaakt dat zij als partij aan de gedingen wenste deel te nemen. In de betreffende gedingen had de Vereniging onweersproken gesteld dat haar leden als het ware werden drooggelegd, nu verweerder de toelating van alle andere houtverduurzamingsmiddelen op basis van CC(A)-zouten eveneens had ingetrokken en - wat betreft toepassing in hun houtverduurzamingsbedrijven - gelijkwaardige middelen niet voorhanden waren. Hetgeen verzoeksters in de thans voorliggende zaken gevallen hebben aangevoerd, betreft primair de belangen van de houtimpregneerbedrijven aan wie zij de onderhavige middelen leveren. In de onderhavige zaken kunnen echter (in beginsel) uitsluitend de belangen van de betrokken toelatinghouders een rol spelen, nu de Vereniging niet kenbaar heeft gemaakt dat zij als partij aan deze gedingen wenst deel te nemen. Haar belangen en de belangen van haar leden kunnen bij de beoordeling van de onderhavige verzoeken (in beginsel) dan ook geen rol spelen. Hierbij komt nog dat, als gevolg van de op 22 februari 2002 door de voorzieningenrechter uitgesproken schorsing, van een "drooglegging" als hiervoor bedoeld thans geen sprake is.

5.3 Ten aanzien van de spoedeisendheid van het gestelde belang van verzoeksters (zelf) overweegt de voorzieningenrechter dat hetgeen door verzoeksters dienaangaande naar voren is gebracht een louter financieel belang betreft, hetgeen op zichzelf geen reden is te oordelen dat sprake is van onverwijlde spoed. Gesteld noch gebleken is dat dit belang op het totaal van handelsactiviteiten van verzoeksters zodanig zwaarwegend is dat het mogelijke mislopen van de verkoop van de onderhavige bestrijdingsmiddelen over de komende periode voor verzoeksters continuïteitsproblemen met zich brengt. Daar komt bij dat, mochten verzoeksters in een eventueel volgende hoofdzaak in het gelijk worden gesteld, zij een vordering tot schadevergoeding kunnen instellen.

5.4 Nu verweerder heeft bevestigd op 14 augustus 2002 op de bezwaren van verzoeksters te zullen beslissen, zijn de gevraagde voorzieningen voorts zeer tijdelijk van karakter. Niet valt in te zien dat het treffen van voorzieningen met een zo beperkte geldigheidsduur tegemoet kan komen aan de bij verzoeksters bestaande behoefte, zekerheid te hebben of aan afnemers te kunnen geven of het gebruik van de onderhavige middelen voor (binnenlandse) impregneeractiviteiten in de periode na de beslissingen op bezwaar al dan niet toegestaan zal zijn. De duidelijkheid waardoor, zoals appellanten wensen, het impregneerbedrijf weet of het zijn afnemers al dan niet kan garanderen dat de onderhavige middelen mogen worden gebruikt, zal eerst na de door verweerder op 14 augustus 2002 te nemen besluiten kunnen worden gegeven.

Hierbij komt nog dat, anders dan in de zaken AWB 02/311 en 02/312, het in de onderhavige gevallen niet gaat om een afweging van de economische belangen van verzoeksters tegen de belangen die zijn gediend door onverkorte handhaving van de vastgestelde datum van inwerkingtreding van de intrekking van toelatingen. Het gaat hier om voorzieningen, waarbij de voorzieningenrechter in feite zelf zou moeten besluiten tot voorlopige toelating van de middelen. Voor het treffen van een dergelijke verstrekkende voorziening is in beginsel slechts plaats, indien op voorhand duidelijk is dat verweerder geen andere keuze heeft dan de betreffende middelen (wederom) toe te laten. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

In de uitspraak van 22 februari 2002 is door de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel gegeven omtrent de (on)verenigbaarheid van het verbod op het gebruik van CC(A)-zouten met de Stoffenrichtlijn en heeft hij op grond daarvan overwogen dat niet onaannemelijk is dat verweerder tot de slotsom zal komen dat de bestreden besluiten dienen te worden herroepen. De Adviescommissie voor de bezwaarschriften is tot het oordeel gekomen dat het niet toelaten van houtimpregneermiddelen op basis van CC(A)-zouten in strijd is met de Stoffenrichtlijn en heeft verweerder geadviseerd de bezwaren van - voorzover hier van belang - verzoeksters gegrond te verklaren. Hoewel verweerder, gelet ook op de financiële gevolgen die voor hem kunnen ontstaan indien later mocht blijken dat een ongegrond-verklaring van de bezwaren van verzoeksters en andere toelatinghoudsters op 14 augustus 2002 in rechte geen stand kan houden, niet licht aan het door de voorzieningenrechter gegeven voorlopig oordeel en het advies van zijn Adviescommissie voorbij zal kunnen gaan, voert het te ver, in het kader van de onderhavige voorzieningenprocedure, die zich naar haar aard niet leent voor een gedetailleerd onderzoek naar de gegrondheid van het verweer tegen de vele stellingen die verzoeksters in de zaken AWB 02/311 en AWB 02/312 alsook in de onderhavige zaken hebben geponeerd, op voorhand uit te sluiten dat verweerder rechtens geen andere keuze heeft dan de betreffende middelen wederom toe te laten.

5.5 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de verzoeken om voorlopige voorzieningen dienen te worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissingen

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, in tegenwoordigheid van mr B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2002.

w.g. B. Verwayen w.g. B. van Velzen