Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6101

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-07-2002
Datum publicatie
02-08-2002
Zaaknummer
AWB 00/951
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2002, 235K

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

GEWIJZIGDE VERSIE

No. AWB 00/951 2 juli 2002

32010 Bestrijdingsmiddelenwet

Toelating

Uitspraak in de zaak van:

A, te Amsterdam, appellante,

tegen

College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), te Wageningen, verweerder,

gemachtigden: mr F. Heus, advocaat te 's-Gravenhage, en mr M.K. Polano, werkzaam bij verweerder,

waaraan voorts als partij deelneemt:

Aventis CropScience Benelux B.V., gevestigd te Oosterhout, derde belanghebbende,

gemachtigden: mr M.W.L. Simons-Vinckx, advocaat te Breda, en J.H. Mekking, werkzaam bij deze onderneming.

1. De procedure

Naar aanleiding van de bij partijen bekende uitspraak van het College van 1 augustus 2000, nr. AWB 99/687, heeft verweerder bij besluit van 27 oktober 2000 besloten het bestrijdingsmiddel Liberty, voorheen genaamd Finale, (toelatingsnummer 8906 N) op basis van de werkzame stof glufosinaat-ammonium (GLA) toe te laten als onkruidbestrijdings-middel in de teelt van genetisch gemodificeerde, herbicide-tolerante maïs.

Tegen dit besluit van verweerder heeft appellante bij brief van 5 december 2000 beroep ingesteld bij het College, welk beroepschrift op 7 december 2000 door het College is ontvangen.

Op 6 februari 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 11 maart 2002 en 26 maart 2002 heeft appellante de gronden van het beroep nader aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2002. Appellante is verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de zijde van appellante is tevens het woord gevoerd door drs J. Visser, chemicus te Utrecht.

2. De grondslag van het geschil

Artikel 8 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: Bmw) luidt:

" Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."

Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:

" Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

3. Het standpunt van appellante

Appellante heeft, voor zover te dezen relevant, het volgende aangevoerd.

Appellante heeft een concreet, persoonlijk en actueel belang bij het bestreden besluit. Dit belang houdt in dat zij persoonlijk rechtstreekse gezondheidsschade heeft opgelopen als gevolg van het gebruik van het bestrijdingsmiddel Liberty in het openbaar groen.

Appellante is in 1992 en 1993 in contact gekomen met de drift van 'propylene glycol' (propaandiol; een antivries) en 'alkylethersulfate' (AES). Zij is hierdoor gesensibiliseerd geraakt en heeft dermatitis/eczeem opgelopen. Zij mag sindsdien niet meer blootgesteld worden aan de drift van bestrijdingsmiddelen met antivries. Omdat zij er te allen tijde op bedacht moet zijn dat ergens - in parken of op straat - een bestrijdingsmiddel als Liberty wordt toegepast, moet zij sinds 1993 'beschermende' kleding dragen, te weten lange broeken en blouses met lange mouwen.

Medici hebben ten aanzien van appellante niet kunnen vaststellen dat haar aandoening het gevolg is van contact met het bestrijdingsmiddel Liberty of met of andere met antivries bewerkte bestrijdingsmiddelen, omdat de door hen gebruikte testen om dermatitis/eczeem door propaandiol op te sporen, foutief zijn geweest. Het gevolg van het toepassen van deze verkeerde testen betekent dat wereldwijd nimmer gevonden zal worden dat de formulering van het bestrijdingsmiddel Liberty dermatitis/eczeem veroorzaakt.

Appellante heeft verweerder nimmer verzocht gebruik te maken van de in artikel 7, eerste lid, van de Bmw opgenomen bevoegdheid tot intrekking van de toelating van het bestrijdingsmiddel Liberty. Het liefst zou appellante wel zien dat de toepassing van het bestrijdingsmiddel Liberty in Nederland wordt verboden.

4. Het standpunt van verweerder

Het standpunt van verweerder luidt - samengevat - als volgt.

Verweerder is van mening dat appellante niet in haar beroep kan worden ontvangen, omdat zij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Awb bij het bestreden besluit. Appellante heeft onvoldoende aangegeven in welke concrete, persoonlijke en actuele belangen zij door het bestreden besluit is getroffen.

De oorzaken die aan de door appellante uiteengezette gezondheidsproblemen ten grondslag liggen zijn niet te herleiden tot het bestreden besluit, nu deze gezondheidsproblemen in 1992 en 1993 zijn opgetreden. Bovendien is het bestreden besluit gericht op verruiming van de toepassing van het bestrijdingsmiddel Liberty in de teelt van genetisch gemodificeerde herbicide-tolerante maïs. Niet valt in te zien dat appellante, die in Amsterdam woont, door het bestreden besluit wordt getroffen in een persoonlijk, van anderen te onderscheiden belang.

Daarnaast betreft de vrees van appellante ontwikkelingen die zich zouden kunnen voordoen, welke ontwikkelingen moeten worden beschouwd als te onzekere, toekomstige factoren.

Ter zitting is van de zijde van verweerder nog medegedeeld dat hij bij besluit van 15 september 2000 heeft besloten de toelating van het bestrijdingsmiddel Liberty voor de overige door de registratiehouder gevraagde toepassingen te verlengen tot 1 augustus 2003.

5. Het standpunt van de derde belanghebbende

Van de zijde van de derde belanghebbende is ter zitting, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd.

Naast het feit dat wordt betwijfeld of appellante een procesbelang heeft bij het door haar ingestelde beroep, is de derde belanghebbende van mening dat appellante niet als belanghebbende in de zin van de Awb kan worden aangemerkt. Zij voldoet niet aan het vereiste dat zij feitelijk, voldoende onderscheiden van anderen, in een eigen persoonlijk belang wordt getroffen door het bestreden besluit. Het voorkomen van gezondheidsschade door het gebruik van het bestrijdingsmiddel Liberty in de onderhavige toepassing is per definitie niet een individueel belang dat zich onderscheidt van de belangen van anderen, doch een collectief belang. Voorts is geen sprake van causaal verband tussen het ontstaan van dermatitis/eczeem bij appellante in 1992/1993 en de toelating in 2000 van het bestrijdingsmiddel Liberty als onkruidbestrijdingsmiddel in de teelt van genetisch gemodificeerde, herbicide-tolerante maïs.

Het bestrijdingsmiddel Liberty wordt in de samenstelling als hier aan de orde niet gebruikt voor onkruidbestrijding in het openbaar groen.

6. De beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de vraag of de belangen van appellante rechtstreeks zijn betrokken bij het bestreden besluit, overweegt het College als volgt.

Ingevolge het bepaalde bij artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Blijkens vaste jurisprudentie van het College accentueert het begrip 'rechtstreeks' in voormelde definitie dat er tussen het belang, waarin betrokkene zich getroffen acht, en het besluit dat daaraan debet zou zijn, een onlosmakelijk en direct verband moet bestaan. Het College is van oordeel dat een zodanig onlosmakelijk en direct verband tussen het belang van appellante en het besluit van verweerder tot toelating van het bestrijdingsmiddel Liberty als onkruidbestrijdingsmiddel in de teelt van genetisch gemodificeerde, herbicide-tolerante maïs, gelet op hetgeen door appellante naar voren is gebracht, niet, althans onvoldoende, aanwezig is.

Voorts brengt het vereiste van het zijn van belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb mee, dat er sprake moet zijn van een specifiek, individueel belang van de betrokkene dat door het besluit wordt geraakt en waardoor de positie van de betrokkene zich onderscheidt van die van willekeurig iedere andere burger en consument.

In dit verband merkt het College allereerst op dat het gebruik van het bestrijdingsmiddel Liberty reeds vele jaren voor verschillende toepassingen is toegelaten en dat het bestreden besluit slechts ziet op een uitbreiding van de toelating van dit bestrijdingsmiddel voor gebruik in de teelt van genetisch gemodificeerde, herbicide-tolerante maïs. Ten aanzien van dit - in casu aan de orde zijnde - besluit tot uitbreiding van de toelating van het bestrijdingsmiddel Liberty is naar het oordeel van het College niet komen vast te staan dat appellante een speciaal belang heeft dat zich onderscheidt van dat van willekeurig andere personen. De enkele omstandigheid dat appellante een allergische reactie ondervindt van, naar gesteld, de drift van de in de samenstelling van het bestrijdingsmiddel Liberty aanwezige hulpstoffen propaandiol en AES, maakt het vorenstaande niet anders. Hiermee onderscheidt appellante zich immers niet individueel van willekeurige anderen bij wie dezelfde allergische reacties optreden.

Tenslotte overweegt het College dat het bestreden besluit er niet toe strekt dat de toelating van het bestrijdingsmiddel Liberty van kracht blijft voor de overige toepassingen waarvoor een toelating is verleend. Het bestreden besluit spreekt zich immers niet uit over verlenging van de toelating van het bestrijdingsmiddel Liberty voor bedoelde overige toepassingen. Dit oordeel van het College wordt bevestigd door de ter zitting van de zijde van verweerder gedane mededeling dat bij besluit van 15 september 2000 de toelating van het bestrijdingsmiddel Liberty voor de overige door de registratiehouder gevraagde toepassingen is verlengd tot 1 augustus 2003. Niet is gebleken dat tegen het besluit van 15 september 2000 bezwaar of beroep is ingesteld. Evenmin heeft appellante verweerder verzocht om de toelating van het bestrijdingsmiddel Liberty op grond van één van de in artikel 7, eerste lid, van de Bmw genoemde gronden in te trekken.

Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat het belang van appellante niet rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken is, zodat het beroep niet-ontvankelijk is.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

7. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2002.

w.g. J.A. Hagen w.g. M.S. Hoppener