Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6052

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
AWB 01/377
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 335

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/377 3 juli 2002

15300 Telecommunicatiewet

Uitspraak op het hoger beroep van:

Wegener Radio en Televisie B.V., te Amsterdam, appellante,

gemachtigde: mr R.P.J. Ribbert, advocaat te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 2 april 2001 in het geding tussen Arcade Media Groep B.V., te Amsterdam (hierna: Arcade), en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de staatssecretaris),

gemachtigde: mr A.J. Boorsma, advocaat te Den Haag.

Aan het geding nemen voorts als partij deel:

1. Vereniging van Niet-Landelijke Commerciële Radio-Omroepen, te Amsterdam (hierna: NLCR),

2. Young City Media B.V., h.o.d.n. City FM, te Amsterdam (hierna: City FM),

3. Sun FM B.V., te Rotterdam (hierna: Sun FM),

gemachtigde: mr T.A.M. Richard, te Amsterdam.

1. De procedure

Op 10 mei 2001 heeft het College van appellante (als rechtsopvolgster van Arcade) een hoger beroepschrift ontvangen, waarbij appellante hoger beroep instelt tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 2 april 2001, kenmerk (voorzover hier van belang) WTV 99/552.

Op 7 juni 2001 heeft appellante de gronden van haar hoger beroep ingediend.

Op 24 september 2001 zijn van de rechtbank de gedingstukken betreffende de procedure in eerste aanleg ontvangen.

Op 28 september 2001 heeft de staatssecretaris een schriftelijke reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Bij brief van 5 november 2001 hebben NLCR, City FM en Sun FM bericht als partij deel te willen nemen aan het geding.

Bij brief van 9 november 2001 heeft de griffier van het College aan NLCR, City FM en Sun FM bericht dat zij als partij zijn aangemerkt in het geding en is aan hen het procesdossier gezonden.

Bij brief van 6 mei 2002 hebben NLCR, City FM en Sun FM bericht dat zij niet aanwezig zullen zijn bij de mondelinge behandeling van het hoger beroep en verwezen naar hun pleitnotities, ingebracht ter zitting van de rechtbank.

Op 5 juni 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellante is hierbij niet verschenen. De staatssecretaris heeft haar standpunt doen toelichten door haar gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 17 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (hierna: WTV) bepaalde, ten tijde en voorzover hier van belang:

" 1. Het is anders dan krachtens de concessie, krachtens een landelijke infrastructuurvergunning of krachtens een vergunning verboden radio-elektrische zendinrichtingen aan te leggen, aanwezig te hebben of te gebruiken, tenzij met machtiging van Onze Minister.

(…)

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

a. de in het eerste lid bedoelde machtigingen;

b. de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van radio-elektrische zendinrichtingen, ongeacht of daarvoor een machtiging is vereist.

(…)

7. Een machtiging wordt geweigerd indien:

a. verlening daarvan in strijd zou zijn met de krachtens het vierde lid of artikel 30b, eerste lid, onder a, gestelde regels;

b. een doelmatig gebruik van de ether dit vordert;

c. een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang dit vordert;

d. deze is gevraagd voor het verspreiden van programma's en de verlening in strijd zou zijn met de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 (Stb. 403) of daarvoor geen zendtijd is verkregen of geen toestemming is verleend krachtens de Mediawet."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In de Staatscourant van 1 mei 1998 heeft de Hoofddirecteur Telecommunicatie en Post bekend gemaakt dat de Minister van Verkeer en Waterstaat zal overgaan tot tijdelijke toewijzing van etherfrequenties aan niet-landelijke commerciële radio-organisaties. Hierbij is aangegeven welke 33 FM-frequenties en 7 AM-frequenties (voor laag vermogen) in aanmerking komen voor verdeling.

- Bij brief van 29 mei 1998 heeft Arcade verzocht om toewijzing aan haar van alle ter verdeling voorliggende frequenties, althans in ieder geval per opstelplaats één (bij voorkeur) FM-frequentie en/of AM-frequentie. Voorts wordt gevraagd om toewijzing aan Arcade van de frequentie 103.3 MHz in verband met de hinder die Radio 10 Gold, die beschikt over de frequentie 103.0 MHz op de locatie Lelystad, bij toewijzing aan een ander zal ondervinden.

- Op 17 juni 1998 heeft Arcade op een informatiebijeenkomst van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat haar aanvraag mondeling toegelicht.

- Bij besluit van 31 augustus 1998 heeft de staatssecretaris de aanvraag van Arcade volledig afgewezen. Dit besluit vermeldt, voorzover hier van belang:

" Het eerste uitgangspunt (…) is geweest dat de nu beschikbare frequenties worden verdeeld onder niet-landelijke commerciële radio-organisaties. Uitgangspunt bij de tijdelijke verdeling van vorig jaar was dat etherfrequenties primair onder commerciële radiostations verdeeld zouden worden teneinde de toen bestaande zeer onevenwichtige verdeling van frequenties tussen publieke en commerciële (radio-)omroep enigszins te mitigeren en daarmee de concurrentiepositie van de commerciële omroepen ten opzichte van de publieke omroep te versterken. Hiertoe heb ik de toentertijd beschikbare frequenties verdeeld onder zeven landelijke commerciële radiostations, inmiddels aangevuld met twee andere landelijke commerciële radiostations die beide de beschikking hebben gekregen over een AM-frequentie. Gelet op het feit dat er tot nu toe geen geschikte frequenties beschikbaar waren voor niet-landelijke commerciële radio-omroep ben ik van mening dat de voorkeur voor commerciële radio-organisaties boven de publieke omroep, net als dat bij de eerdere verdeling het geval was, gerechtvaardigd is.

De belangrijkste reden om bij de vorige verdeling aan niet-landelijke (commerciële) radio-organisaties geen frequenties toe te wijzen was de schaarste aan etherfrequenties. (…) Anderzijds is het nimmer de bedoeling geweest om de niet-landelijke commerciële omroeporganisaties consequent uit te sluiten bij frequentieverdeling. Integendeel, er is door mij slechts voorkeur verleend om primair een zo doelmatig mogelijke verdeling onder landelijke commerciële omroepen te realiseren door het samenstellen van economisch aantrekkelijke en een aanzienlijk deel van Nederland dekkende pakketten.

Ik ben de mening toegedaan dat met deze eerste verdeling, waarbij economisch waardevolle frequentiepakketten zijn toegewezen, met een zoveel mogelijk landelijke dekking, voor wat de landelijke commerciële omroepen betreft tot de implementatie van het zero base-onderzoek voldaan is aan een zo doelmatig mogelijk frequentiebeleid. Dit gegeven rechtvaardigt in mijn ogen dat de thans nieuw gevonden frequenties in beginsel dienen te worden toegedeeld aan niet-landelijke commerciële radio-organisaties.

(…)

(…) Wanneer een aanvrager niet onder de definitie valt van een niet-landelijke commerciële radio-organisatie is de aanvraag van de betreffende partij in beginsel afgewezen. Van dit uitgangspunt kan slechts in bijzondere omstandigheden worden afgeweken.

(…)

Aan de hand van de door u verstrekte gegevens en naar mij ook overigens genoegzaam bekend is heb ik kunnen vaststellen dat de door u geëxploiteerde radiostations niet kunnen worden beschouwd als een niet-landelijke commerciële radio-organisatie (…). Ik heb bezien of er bijzondere omstandigheden zijn die reden voor mij zouden moeten zijn om in uw situatie over te gaan tot afwijking van het uitgangspunt om aan landelijke commerciële radio-organisaties thans geen frequenties toe te kennen.

Vooropgesteld dient te worden dat de feitelijke verdeling van de nu beschikbare frequenties losstaat van de eerste verdeling zoals deze medio 1997 is vastgesteld. Een geheel nieuwe verdeling van de toen verdeelde pakketten te samen met de nu te verdelen frequenties is niet op zijn plaats. Immers, na elke verdeling van frequenties zal het mogelijk zijn dat wederom nieuwe frequenties gevonden zullen worden. In een dergelijk geval kunnen altijd wel weer voordeliger nieuwe pakketten samengesteld worden uit de reeds bestaande en nieuwe frequenties. Het gevaar doet zich voor dat telkens wanneer nieuwe frequenties worden verdeeld, ook weer de vorige verdeling daarbij wordt betrokken, teneinde elke keer maar weer het op dat moment voordeligste pakket samen te kunnen stellen. Een dergelijke continue verdeling leidt er toe dat er niet daadwerkelijk uitgezonden kan gaan worden. Evenmin past zo'n situatie in het stramien van een doelmatig etherbeleid en dient daarom voorkomen te worden. (…)

(…) Ter aanvulling kan nog dienen dat met de verdeling van vorig jaar niet alleen het aantal FM-frequenties waarover de landelijke commerciële radio beschikt is toegenomen van dertien naar vierentwintig, maar dat het totaal aantal potentiële luisteraars dat daarmee bereikt kan worden met ongeveer 25% is toegenomen tot circa vijftig miljoen, als gevolg waarvan de verhouding tussen de commerciële en de publieke landelijke omroepen minder scheef is geworden. U heeft geen (dusdanig) bijzondere omstandigheden aangetoond als gevolg waarvan bij u anders dan bij de andere landelijke omroepen zou moeten worden afgeweken van mijn hiervoor uiteengezette beleid. Tegenover uw belang bij de toewijzing van de totaal zestien door u gevraagde frequenties, in aanvulling op het u reeds op 25 augustus 1997 toegekende pakket van frequenties, dient het belang te worden gesteld van de niet-landelijke commerciële radio-organisaties die een aanvraag hebben ingediend voor de betrokken frequenties. Deze aanvragers beschikken geen van alle over etherfrequenties. Het totaal aantal potentiële luisteraars dat met alle nu te verdelen FM-frequenties gezamenlijk bereikt kan worden wordt geschat op 5,5 miljoen."

- Bij besluiten van eveneens 31 augustus 1998 heeft de staatssecretaris aan anderen dan appellante machtigingen verleend als bedoeld in artikel 17 WTV ten behoeve van radio-omroep voor de te verdelen frequenties.

- Bij brief van 9 oktober 1998 heeft Arcade bezwaar gemaakt tegen het aan haar gerichte besluit van 31 augustus 1998 alsmede tegen alle bij de desbetreffende verdeling aan anderen verleende machtigingen.

- Bij brief van 9 november 1998 heeft de gemachtigde van Arcade aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat een afschrift gezonden van de aan hem gerichte brief van A van Broadcast Partners, te Terneuzen, waarin wordt aangegeven in hoeverre sprake zou zijn van een aantasting van de frequentie 103.0 MHz Lelystad door de frequentie 103.3 MHz Leeuwarden.

- Op 17 november 1998 heeft Arcade haar bezwaren mondeling doen toelichten op een hoorzitting.

- Bij besluit van 2 februari 1999 heeft de staatssecretaris de bezwaren van Arcade ongegrond verklaard.

- Bij faxbericht van 15 maart 1999 heeft Arcade tegen het aan haar gerichte besluit van 2 februari 1999 beroep ingesteld bij de rechtbank.

- Bij haar uitspraak van 2 april 2001 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Het besluit van 2 februari 1999

Het besluit van 2 februari 1999 luidt, voorzover hier van belang:

" In mijn (…) beschikking van 31 augustus 1998 (…) ben ik uitvoerig ingegaan op de redenen die hebben geleid tot het uitgangspunt dat ik bij de nu ter discussie staande verdeling de frequenties onder niet-landelijke commerciële radio-organisaties heb verdeeld. Uit deze beschikking blijkt onder meer dat ik van mening ben dat met de eerdere verdeling van frequenties onder landelijke commerciële radio-organisaties in de zomer van 1997, die, zoals zij vooropgesteld, als zodanig los staat van de verdeling zoals deze bij mijn besluiten van 31 augustus 1998 heeft plaatsgevonden, voor wat de landelijke commerciële omroepen betreft tot de implementatie van het zero base-onderzoek voldaan is aan een zo doelmatig mogelijk frequentiebeleid. Voorzover belanghebbende (landelijke) commerciële radio-organisaties mogelijkerwijs bezwaren mochten hebben gehad tegen de uitkomst van deze eerste verdeling heeft daarvoor de gebruikelijke bezwaar- en beroepsprocedure open gestaan. Voor mogelijke bezwaren tegen deze uitkomst, bijvoorbeeld dat aan één of meer (landelijke) partijen bij die verdeling ten onrechte geen frequenties ter beschikking zijn gesteld, is in de onderhavige procedure geen plaats.

In uw bezwaarschrift noch in uw toelichting daarop heeft u enige reden aangegeven op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat de motivering die ik voor voornoemd uitgangspunt van de voorrang voor niet-landelijke commerciële radio-organisaties heb gegeven dit uitgangspunt niet zou kunnen dragen. In het verlengde daarvan heeft u evenmin uw oordeel dat de verdeelde frequenties primair onder landelijke omroepen verdeeld hadden moeten worden (in voldoende mate) gemotiveerd.

Een kennelijk door u voorgestaan streven naar een volledig landelijke dekking voor (reeds actieve) landelijk opererende stations, welke tot een dergelijke verdeling onder landelijke commerciële radio-organisaties zou moeten leiden, is in ieder geval, gelet op het daartoe benodigde beslag op frequenties, niet doelmatig en, gelet op de belangen van de niet-landelijke commerciële radio-organisaties, evenmin gerechtvaardigd, voorzover dit, gelet op de benodigde frequenties, al mogelijk zou zijn geweest. In dit verband is van belang dat de nu verdeelde frequenties als zodanig gezien hun aard, omvang en verspreiding niet geschikt zijn voor de landelijke omroep maar juist bij uitstek geschikt zijn voor het bedrijven van niet-landelijke radio-omroep ten behoeve waarvan ze dan ook zijn verdeeld.

Tenslotte heeft u mijn beschikking niet bestreden voor zover ik daarin heb overwogen dat er (…) geen dermate bijzondere omstandigheden zijn dat ik (…) van het door mij gehanteerde uitgangspunt zou hebben moeten afwijken, althans zijn door u in uw bezwaarschrift dergelijke omstandigheden niet aannemelijk gemaakt.

(…)

Met betrekking tot uw bezwaar dat op technische gronden de frequentie 103.3 MHz Leeuwarden niet aan een ander dan aan uw cliënte had kunnen worden toegewezen, nu ingebruikname van die frequentie door een derde nadelige invloed zou hebben op het bereik, en zou storen op het signaal, van de frequentie 103.0 MHz Lelystad, overweeg ik het volgende. Anders dan u stelt is door de Rijksdienst voor Radiocommunicatie bij het voorspellen van verzorgingsgebieden van frequenties consequent uitgegaan van de zogenoemde mono-mobiele norm. Uw bezwaar mist op dit onderdeel derhalve feitelijke grondslag. Bij de toetsing op frequentietechnische gronden van de naar aanleiding van de bekendmaking in de Staatscourant van 9 januari 1998 aangemelde frequenties voor de vraag welke van deze frequenties voor verdeling in aanmerking zouden kunnen komen, zijn de bestaande frequenties, waaronder dus ook de frequentie 103.0 MHz Lelystad, juist beschermd door te controleren met een extra strenge toepassing van de berekening zoals die ook wordt gebruikt bij internationale coördinatie. Daarnaast is als extra controle nog nagegaan of het bereik van bestaande Nederlandse zenders volgens de mono-mobiele norm niet werd aangetast. De frequentie 103.3 MHz Leeuwarden bleek aan al deze streng toegepaste criteria te voldoen. Dat bij toepassing van andere 'normen', voor zover daarvan al sprake zou zijn met betrekking tot de door u genoemde 50/50 norm dan wel 50/1 norm, hetgeen op grond van de gangbare technische theorie niet het geval is, er mogelijkerwijs wel een potentiële storing zou kunnen worden aangetoond, kan niet leiden tot de gegrondheid van uw bezwaar op dit onderdeel."

4. De grieven in hoger beroep

Appellante heeft ter ondersteuning van het hoger beroep, samenvattend weergegeven, het volgende aangevoerd.

De rechtbank heeft de verdeling thans van pakket II ten onrechte aangemerkt als een vervolg op de verdeling (onder de landelijke commerciële omroepen) van pakket I. Er is aan voorbijgegaan dat pakket I nog geen evenwichtige verdeling tussen de publieke omroep en de landelijke commerciële radio-omroep tot stand had gebracht.

De rechtbank is ten onrechte voorbijgegaan aan het door Arcade overgelegde rapport van KPMG, waaruit blijkt dat de landelijke commerciële radiostations slechts een potentieel luisterbereik hadden van 9% tot maximaal 61%. De beweerde stijging van 25% van dit aandeel is niet zodanig noemenswaardig, dat sprake is van een evenwichtige verdeling. De rechtbank concludeert dan ook ten onrechte dat de verbetering van de concurrentiepositie van de commerciële omroep ten opzichte van de publieke omroep is bereikt, ook al omdat een helder omschreven doelstelling ontbreekt.

Het ontbreken van bedoeld evenwicht blijkt ook uit het feit dat slechts 16% van het beschikbare vermogen op de FM-band in gebruik is bij de landelijke commerciële omroepen en 84% bij de publieke omroep. Ook hieraan is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan.

De rechtbank had daarentegen moeten oordelen dat de staatssecretaris niet tot de door hem omschreven kwalificatie van feiten heeft mogen komen, nu ten aanzien van de feiten omtrent het evenwicht tussen de publieke en de landelijke commerciële omroep verschillende cijfers voorlagen.

De rechtbank neemt ten onrechte aan dat het verdelingsbeleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat.

De rechtbank heeft onvoldoende oog gehad voor de argumenten die pleitten voor toekenning van de frequentie 103.3 MHz Leeuwarden aan Arcade en aldus gehandeld in strijd met artikel 3:4, tweede lid, Awb. In dit verband voert appellante het volgende aan.

De bekendmaking van de Hoofddirecteur Telecommunicatie en Post van 1 mei 1998 en de verdeling in augustus 1998 stroken niet met het door de regering voorgestane "doelmatig gebruik van frequenties", te weten: het samenvoegen van frequenties tot een aantal grote, belangrijke delen van Nederland dekkende frequentiepakketten, waartoe opeenvolgende frequenties zo mogelijk in één pakket dienen te worden ondergebracht. Vanuit een oogpunt van doelmatig gebruik van de frequentieruimte had de frequentie 103.3 MHz Leeuwarden niet mogen worden toegekend aan de v.o.f. Regio Radio & TV voor het programma Happy Radio. Deze vennootschap was, anders dan appellante, voor deze toekenning noch in het Cebuco-gebied Leeuwarden, noch in een naastgelegen gebied actief. De staatssecretaris had dan ook, gelet op de jurisprudentie van het College met betrekking tot de beoordelingsvrijheid die de haar toekomt bij toepassing van artikel 17, zevende lid, aanhef en onder b en c, WTV niet voorbij mogen gaan aan de belangen van appellante, gelegen in het behalen van economisch voordeel en het hiertoe bereiken van een zo groot mogelijk publiek, althans het verwerven van een voor de continuïteit van de betrokken onderneming voldoende economisch draagvlak. Zulks temeer nu appellante grote investeringen heeft gedaan om een plaats op de markt voor commerciële omroep te verwerven. Bovendien had niet vermelde vennootschap, maar Arcade het hoogste bod uitgebracht.

De rechtbank hanteert een onjuiste maatstaf waar zij met betrekking tot het gewicht van het belang van Radio 10 FM bij de frequentie 103.3 MHz opmerkt dat Radio 10 FM reeds een behoorlijke dekking heeft.

De rechtbank ziet ten onrechte in de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van storing, veroorzaakt door de frequentie 103.3 MHz Leeuwarden ten laste van het bereik van de frequentie 103.0 MHz Lelystad. De staatssecretaris heeft op dit punt onvoldoende informatie en kennis vergaard. Bovendien heeft appellante de door haar gestelde storing onderbouwd met het bij brief van 9 november 1998 door haar overgelegde rapport van Broadcast Partners.

Appellante begroot haar schade tengevolge van het in beroep bestreden besluit op circa fl. 2.500.000,-- per jaar.

5. De beoordeling van het hoger beroep

Blijkens het aan Arcade gerichte besluit van 31 augustus 1998 en de beslissing op bezwaar van 2 februari 1999 heeft de staatssecretaris de beschikbare FM-frequenties in 1997 en 1998 verdeeld in twee ronden: de ronde die bij besluiten van 25 augustus 1997 leidde tot toekenning van 24 FM-frequenties (kortweg: pakket I) en de - thans aan de orde zijnde - ronde waarbij (naast zeven AM-frequenties) 33 FM-frequenties zijn verdeeld (kortweg: pakket II). De staatssecretaris heeft pakket I verdeeld onder zeven landelijke commerciële omroepen. Voor de verdeling van pakket II heeft zij als uitgangspunt genomen dat de hiertoe behorende frequenties beschikbaar waren voor niet-landelijke commerciële omroepen. Aan deze keuze liggen - zakelijk weergegeven - in het bijzonder twee overwegingen ten grondslag. Ten eerste: de met verdeling van pakket I beoogde versterking van de concurrentiepositie van de landelijke commerciële radio-omroepen ten opzichte van de publieke omroepen is door deze verdeling voldoende bereikt, terwijl de niet-landelijke commerciële omroepen nog in het geheel niet beschikten over etherfrequenties. Ten tweede: de frequenties in pakket II betreffen in het algemeen kleinere, meer op regionaal gebruik toegespitste, frequenties.

De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris met haar aldus gemotiveerde keuze de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten is gegaan. Het College ziet in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen grond hierover anders te oordelen. Hiertoe overweegt het College als volgt.

Weliswaar geeft het door appellante overgelegde KPMG-rapport aan dat de zeven landelijke commerciële stations een veel geringer gedeelte van de inwoners van Nederland bereiken dan de landelijke publieke omroepen, uit dit rapport blijkt evenwel ook dat hun aandeel op de luisteraarsmarkt, dat 46% bedraagt, aanzienlijk groter is dan het aandeel van de landelijke publieke omroep, dat 32% bedraagt. Voorts is van belang dat appellante niet weerspreekt dat het potentieel aan luisteraars dat de landelijke commerciële omroepen kunnen bereiken tengevolge van pakket I met 25% is toegenomen. De staatssecretaris heeft op grond van de haar ter beschikking staande gegevens dan ook in redelijkheid kunnen concluderen dat met verdeling van pakket I de door haar voorgestane versterking van de concurrentiepositie van de landelijke commerciële radio-omroepen voldoende was gerealiseerd. Anders dan appellante in haar hoger beroepschrift lijkt te veronderstellen, blijkt niet dat de staatssecretaris zich ten doel heeft gesteld dat de versterking tengevolge van verdeling van pakket I diende te leiden tot een volledig evenwicht tussen enerzijds publieke en anderzijds commerciële landelijke omroepen.

Ook het gegeven dat het beschikbare vermogen van de zeven landelijke commerciële radio-omroepen slechts 14% bedraagt van het totale voor Nederlandse radio-omroepen beschikbare vermogen staat aan vorenbedoelde conclusie van de staatssecretaris niet in de weg. Blijkens het voorgaande komt bedoeld aandeel in het totale uitzendvermogen immers niet overeen met het aandeel op de luisteraarsmarkt dat met dit vermogen wordt gerealiseerd. Dat de staatssecretaris ervan uitgaat dat laatstbedoeld aandeel een zuiverder indicator vormt ter bepaling van de concurrentiepositie van omroepen dan het enkele uitzend-vermogen, acht het College begrijpelijk en aanvaardbaar.

Hetgeen appellante overigens in hoger beroep aanvoert komt er - kort gezegd - op neer dat de rechtbank miskent dat de staatssecretaris het belang van appellante bij toekenning van de frequentie 103.3 MHz Leeuwarden onderwaardeert. Ten aanzien van deze grief overweegt het College als volgt.

Toekenning van de frequentie 103.3 MHz Leeuwarden aan appellante zou, naar de rechtbank terecht overweegt, neerkomen op een afwijking van het uitgangspunt dat pakket II bestemd is voor niet-landelijke radio-omroepen, welk uitgangspunt - zoals uit het vorenoverwogene blijkt - als zodanig aanvaardbaar is. Dit brengt mee dat de staatssecretaris tot een dergelijke afwijking enkel gehouden is, indien zij op grond van bijzondere door appellante aangevoerde argumenten aan het uitgangspunt in redelijkheid niet vast kan houden. Het College deelt het oordeel van de rechtbank dat van dergelijke argumenten niet is gebleken. Zij overweegt in dit verband het volgende.

Hetgeen appellante naar voren brengt komt in belangrijke mate neer op de stelling dat zij met toekenning van de frequentie 103.3 MHz Leeuwarden een groter luisterpubliek zou hebben kunnen bereiken dan zonder een dergelijke toekenning. Deze omstandigheid heeft de staatssecretaris terecht niet als bijzonderheid aangemerkt. Dat landelijke commerciële stations bij toekenning aan hen van frequenties uit pakket II hun bereik zouden hebben kunnen vergroten, is immers een omstandigheid die meer algemeen opgeld doet en niet specifiek appellante betreft. Bovendien blijkt uit het vorenbedoeld KPMG-rapport dat Radio 10 Gold noch qua potentieel bereik noch qua marktaandeel temidden van de landelijke commerciële radio-omroepen een afwijkende positie inneemt, zodat ook in zoverre geen reden bestaat om aan te nemen dat in het bijzonder appellante bij wijze van uitzondering aanspraak zou moeten kunnen maken op een aanvulling van haar frequentieruimte vanuit pakket II. De enkele omstandigheid dat de frequentie 103.3 MHz vlakbij de frequentie 103.0 MHz is gelegen, die appellante is toegekend voor de locatie Lelystad, heeft de staatssecretaris evenmin reden hoeven geven van zijn beleid af te wijken.

In het bij de rechtbank bestreden besluit is, mede in reactie op een door appellante in de bezwaarfase overgelegd rapport van Broadcast Partners, beredeneerd weergegeven waarom van een storing van de frequentie 103.0 MHz Lelystad door de frequentie 103.3 MHz Leeuwarden geen sprake is. Het College deelt het oordeel van de rechtbank dat het door appellante gestelde onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan de juistheid van het aldus door de staatssecretaris betrokken standpunt te twijfelen. Ook hetgeen appellante in hoger beroep aanvoert werpt geen nieuw licht op deze kwestie, terwijl de gemachtigde van de staatssecretaris ter zitting van het College - onweersproken - heeft gesteld dat hem bij zeer recente navraag bij de terzake bevoegde inspectie niet is gebleken van enige storingsmelding die het standpunt van appellante zou kunnen onderbouwen. Ook de op bedoelde storing betrekking hebbende argumenten hoefden de staatssecretaris dus geen reden te geven de frequentie 103.3 MHz anders - of zelfs helemaal niet - toe te delen.

De overigens in hoger beroep aangevoerde omstandigheden die naar het oordeel van appellante reden hadden moeten zijn om haar belang zwaarder te laten wegen dan dat van de v.o.f. Regio Radio & TV, betreffen criteria waaraan de staatssecretaris een rol toekent indien een keuze zou moeten worden gemaakt uit meerdere niet-landelijke radio-omroepen. De staatssecretaris komt aan toepassing van deze criteria niet toe, indien een omroep reeds niet in aanmerking komt omdat het een landelijke omroep betreft. Naar het oordeel van het College is niet gebleken dat de staatssecretaris door een dergelijke rangorde aan te brengen in het belang van de verschillende gehanteerde criteria de grenzen van de haar toekomende beleidsvrijheid heeft overschreden. Evenmin is gebleken van redenen waarom de staatssecretaris specifiek jegens appellante niet aan deze rangorde had mogen vasthouden.

Gelet op het vorenstaande dient de uitspraak van de rechtbank, voorzover door appellante aangevallen, te worden bevestigd.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voorzover door appellante aangevallen.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.A. van der Ham en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002.

w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaas