Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6051

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
AWB 01/340
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 01/340 14 juni 2002

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J. Teigeler.

1. De procedure

Op 2 mei 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 22 maart 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen zijn besluit van 8 juni 2000, strekkende tot toekenning van een premie in het kader van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) aan appellant voor zoogkoeien onder toepassing van een kortingspercentage, alsmede tot toekenning van een aantal specifieke rechten uit de nationale reserve, ongegrond verklaard.

Op 4 september 2001 is een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft het College op 5 april 2002 een schrijven van 3 april 2002 ter overlegging van een nader stuk van 2 april 2002 doen toekomen.

Op 12 april 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaats gevonden. Hierbij hebben appellant in persoon en verweerder bij monde van zijn gemachtigde hun standpunten nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

De Regeling geeft uitvoering aan onder meer de EEG-verordeningen nrs. 805/68, 3886/92, 3508/92 en 3887/92.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Regeling wordt onder "zoogkoe" verstaan een koe van een vleesras of een koe die is voortgekomen uit een kruising met een dergelijk ras en die deel uitmaakt van een bestand dat wordt gebruikt voor het opfokken van kalveren voor de vleesproductie en die tenminste een keer heeft gekalfd, dan wel een drachtige vaars die een zoogkoe vervangt en aan dezelfde voorwaarden voldoet.

Artikel 2.3, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat aan producenten die op hun bedrijf zoogkoeien houden en die over premierechten beschikken, op hun verzoek, jaarlijks na afloop van het verkoopseizoen een premie wordt verleend tot maximaal de hoogte van de premierechten.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden vast komen te staan.

- Appellant heeft op een hiertoe strekkend formulier, door verweerder (Laser Regio Noord) ontvangen op 2 augustus 1999, een aanvraag ingediend op grond van de Regeling (zoogkoeien verkoopseizoen 1999) voor 17 zoogkoeien.

- Bij brief van 16 maart 2000 heeft verweerder aan appellant medegedeeld voornemens te zijn geen premie toe te kennen voor tenminste één van de dieren waarvoor appellant premie had aangevraagd. Verweerder deelde appellant bij dit schrijven onder meer het volgende mede:

" Bij controle van de gegevens is gebleken dat het hieronder vermelde dier niet voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in Verordening 805/68 en de Regeling Dierlijke EG-premies.

ID-code Reden

179758184 Voor dit dier is geen kalfdatum vastgelegd in I&R

Ik stel u in de gelegenheid om binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief aan te tonen dat het vermelde dier op het moment waarop de aanvraag is ingediend, wel ingeschreven was in het I&R-systeem en gekalfd had.

Indien er geen kalfdatum in het I&R-systeem is vastgelegd, omdat het kalf dood geboren is, volstaat een door een dierenarts verstrekte schriftelijke verklaring dat de koe gekalfd heeft voorafgaand aan het moment waarop de aanvraag is ingediend.

Indien u niet kunt aantonen dat het vermelde dier op het moment waarop de aanvraag is ingediend, geregistreerd was in het I&R-systeem en gekalfd had, zal dit leiden tot een korting of mogelijk een afwijzing van uw aanvraag."

- In antwoord hierop deelde appellant verweerder bij schrijven van 31 maart 2000 mede - kort en zakelijk weergegeven - dat met betrekking tot het betrokken in een natuurgebied lopende dier geen kalfdatum in het I&R-systeem was vastgelegd, omdat het kalf daags na de geboorte verdwenen was.

Voorts deelde hij mede dat het betrokken dier in 1998 in de periode 03-08-98 - 19-09-98 had samengeweid met de stier Nenuphar, waarvan een deklijst aanwezig was, en dat hij de geboorte van een kalf uit het dier toevallig had waargenomen.

- Op 8 juni 2000 heeft verweerder appellant onder toepassing van een kortingspercentage van 5,88 % een premie toegekend voor 16 zoogkoeien alsmede een aantal specifieke rechten uit de nationale reserve van 4.

- Bij schrijven van 17 juli 2000 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 juni 2000.

- Bij schrijven van 3 april 2002 heeft appellant het College een op 2 april 2002 gedateerde getuigenverklaring doen toekomen, inhoudende dat ene R. Biemold aanwezig was geweest bij de geboorte van het kalf van koe nr. 5818.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen:

" Aangezien slechts zoogkoeien voor premie in aanmerking kunnen worden gebracht, dienen de in de aanvraag vermelde koeien op datum van ontvangst van de aanvraag tenminste éénmaal gekalfd te hebben.

Bij een administratieve controle is gebleken dat het dier met de ID-code 179758184 niet aan de hierboven gestelde voorwaarde heeft voldaan.

U verwijst in uw bezwaarschrift naar uw brief van 31 maart 2000 waarin u stelt dat het betreffende dier wel heeft gekalfd, en wel op 1 juli 1999. U verklaart dat u zelf toevalligerwijs op dat moment aanwezig was. Betreffende koe liep in een natuurgebied. Bij controle op de volgende dag zag u de moeder echter zonder kalf bij één van de veengaten op het terrein. Volgens u is het kalf in het veengat verdronken, maar dat is niet te controleren. U heeft geen melding gedaan bij het I&R.

Nu uit uw reactie is gebleken dat niet door een dierenarts is geconstateerd dat het betreffende dier heeft gekalfd en in het I&R-systeem geen kalfdatum is geregistreerd, is niet komen vast te staan dat het betreffende dier heeft gekalfd. Het betreffende dier kan derhalve niet worden aangemerkt als zoogkoe in de zin van de Regeling.

Op grond van bovenstaande heeft u voor 16 zoogkoeien voldaan aan de voorwaarden om voor premie in aanmerking te komen. Omdat u voor één dier niet heeft voldaan aan de voorwaarden is, conform het gestelde in artikel 10, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92, terecht een korting op het premiebedrag toegepast van 5.88%.

Voorts stelt u in bezwaar dat LASER u niet heeft bericht over uw schriftelijke reactie. Hierover merk ik op dat uw reactie van 31 maart 2000 is meegenomen in het besluit van de teammanager (…). De beslissing van de teammanager dient u te beschouwen als "het bericht op uw reactie".

Na een heroverweging van het besluit van de teammanager kom ik tot de conclusie dat dit besluit juist is.

Conclusie

Ik verklaar uw bezwaren ongegrond.

Tot slot merk ik op dat, nu uw bezwaren kennelijk ongegrond zijn, ik er op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht van heb afgezien om u in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord."

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat appellant noch in zijn brief van 31 maart 2000, noch in zijn bezwaar had aangegeven dat er getuigen van de geboorte van het kalf waren. Zou verweerder hiervan op de hoogte zijn geweest, dan had hij een hoorzitting dienen te houden.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft - samengevat weergegeven en voorzover hier van belang - het volgende aangevoerd.

De betrokken koe heeft wel degelijk gekalfd, en wel op 1 juli 1999. Appellant was niet de enige die deze geboorte heeft waargenomen. Appellant wilde het kalf de volgende dag een I&R-nummer geven, maar het was verdwenen. Omdat de verdwijning al binnen 3 dagen plaats vond, heeft logischerwijs geen opgave van het kalf meer plaats gevonden. Nu sprake was van een normale geboorte, is een en ander niet door een dierenarts geconstateerd.

Indien verweerder alleen de verklaring van een dierenarts als bewijs accepteert, had zulks op het aanvraagformulier vermeld dienen te worden. Nu zulks niet is geschied dient appellant op zijn woord te worden geloofd. De door appellant overgelegde schriftelijke verklaring bevestigt dat het betrokken dier heeft gekalfd.

5. De beoordeling van het geschil

Voor de beslissing van het geschil in deze zaak is van essentieel belang of door appellant is aangetoond dat de koe met ID-code nr. 179758184 voor 2 augustus 1999 heeft gekalfd. Hierover overweegt het College als volgt.

Verweerder heeft alvorens een primaire beslissing te nemen appellant op de hoogte gesteld van de omstandigheid dat voor de betrokken koe geen kalfdatum was vastgelegd in het I&R-systeem en van hem nader bewijs gevraagd. Verweerder heeft hierbij met name gewezen op de verklaring van een dierenarts maar ander bewijs geenszins uitgesloten. Niet gezegd kan worden dat verweerder aldus appellant op het verkeerde been heeft gezet.

Appellant heeft voorafgaande aan de hoorzitting naar voren gebracht dat hij beschikte over bewijs voor de litigieuze geboorte, te weten een deklijst samenweiding in de periode van 3 augustus 1998 - 19 september 1998 van onder meer de betrokken koe met de stier Nenuphar en over zijn eigen verklaring dat hij de geboorte had waargenomen.

Gelet hierop had verweerder naar het oordeel van het College niet mogen concluderen dat niet is komen vast te staan dat het betrokken dier heeft gekalfd zonder appellant te horen. Door dit wel te doen beoordeelt verweerder immers een nog door appellant af te leggen verklaring zonder hiervan kennis te hebben genomen en zonder zich een oordeel te hebben kunnen vormen over de geloofwaardigheid, mede aan de hand van een tijdens het horen gekregen indruk van appellant. Overigens had tijdens zo'n hoorzitting de vraag aan de orde kunnen komen of wellicht nog getuigen bij de geboorte aanwezig waren. Door in het onderhavige geval niet te horen heeft verweerder gehandeld in strijd met het beginsel van zorgvuldige voorbereiding.

In het bestreden besluit heeft verweerder uit de omstandigheid dat is gebleken dat niet door een dierenarts is geconstateerd dat het betrokken dier heeft gekalfd en in het I&R-systeem geen kalfdatum is geregistreerd geconcludeerd dat niet is komen vast te staan dat het betreffende dier heeft gekalfd. Tijdens de behandeling ter zitting is echter naar voren gekomen dat verweerder ook ander bewijs voor het kalven accepteert. Naar het oordeel van het College had verweerder dan ook in het bestreden besluit dienen te motiveren waarom hij het door appellant aangedragen bewijs onvoldoende vond. Nu dit niet is gebeurd heeft verweerder tevens gehandeld in strijd met het motiveringsbeginsel.

De slotsom moet zijn dat het beroep gegrond is zodat het bestreden besluit vernietigd dient te worden. Verweerder zal met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene opnieuw een besluit moeten nemen.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht dient het door appellant betaalde griffierecht aan hem te worden vergoed.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar beslist met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- bepaalt dat aan appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 102,10 (zegge: honderdtwee euro en tien cent) wordt

vergoed door de Staat.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2002.

w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaas