Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6049

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
AWB 01/699
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 01/699 14 juni 2002

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Firma gebr. A en B, te C, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 27 augustus 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 augustus 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar, dat appellante heeft gemaakt tegen de beslissing op haar aanvraag om steun op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 9 november 2001 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2002, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht. Voor de firma gebr. A en B trad ter zitting op B.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 5bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 luidt:

" Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag , in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de indiening op elk moment worden aangepast."

Artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" 1. Behoudens overmacht leidt het te laat indienen van een aanvraag tot een verlaging van de steunbedragen waarop de aanvraag betrekking heeft, waarop het bedrijfshoofd recht zou hebben indien hij de aanvraag tijdig had ingediend, met 1% per werkdag. (….)

2. (….)"

Artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" 1. Wanneer wordt vastgesteld dat de feitelijk geconstateerde oppervlakte groter is dan de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte, wordt de aangegeven oppervlakte in aanmerking genomen voor de berekening van het steunbedrag.

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met:

tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

(…)

3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden het voederareaal , de braakgelegde oppervlakte en de oppervlakten met verschillende akkerbouwgewassen waarvoor een verschillend steunbedrag geldt, elk alleen en afzonderlijk in aanmerking genomen.

(…)"

Artikel 6 van Verordening ( EEG) nr. 1251/99 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" 1. De braakleggingsverplichting wordt voor elke producent die areaalbetalingen aanvraagt, vastgesteld als een proportioneel gedeelte van zijn areaal dat met akkerbouwgewassen is ingezaaid en waarvoor een aanvraag wordt ingediend en dat op grond van deze verordening uit productie wordt genomen.

Het basispercentage van de braakleggingsverplichting wordt vastgesteld op 10 % vanaf verkoopseizoen 2000/2001 tot verkoopseizoen 2006/2007.

2. (…)"

Artikel 9 van de Regeling luidt:

" 1. Na sluiting van de aanvraagperiode doch uiterlijk op 31 mei voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen kan de aanvraag oppervlakten worden gewijzigd in de gevallen bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a, van verordening 3887/92.

2. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag oppervlakten na 31 mei worden gewijzigd:

a. in geval van een duidelijke fout;

b. (…)"

Artikel 17 van de Regeling luidt:

" De oppervlakte, bedoeld in artikel 16, wordt gedurende een aaneengesloten periode, die loopt van uiterlijk 15 januari tot ten minste 31 augustus daaropvolgend, noch gebruikt voor een vorm van landbouwproductie noch voor een winstgevende bestemming die met de landbouw onverenigbaar is."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Van appellante is op 16 mei 2000 een formulier "Aanvraag oppervlakten 2000" ontvangen door verweerders uitvoeringsdienst LASER. Op dit formulier heeft appellante onder meer een perceel met volgnummer 53, met een beweerdelijke oppervlakte van 2,70 ha , met gewascode 667 (zwarte braak) opgegeven.

- Volgens de bij de aanvragen gevoegde kaart heeft perceel 53 een oppervlakte van 2.05 ha.

- Op 15 augustus 2000 heeft de AID een controle uitgevoerd op het bedrijf van appellante. Blijkens het van deze controle opgemaakte rapport heeft de AID het opgegeven perceel 53 met meetmethode GPS gemeten en de oppervlakte vastgesteld op 1.98 ha.

- In het AID-rapport zijn de volgende opmerkingen van de controleur vermeld:

" Het perceel is 1 maand geleden opgedeeld door een betonnen pad. Dit pad loopt door het midden en is 2.80 meter breed.

Verder is er toen ook met de bouw van een betonnen gebouw begonnen op dit perceel. Ik heb foto's genomen om de situatie duidelijker te maken in verband met de beginnende bouw van het gebouw, alleen het raanmwerk ligt er."

- Tevens zijn de volgende opmerkingen van de producent/vertegenwoordiger in het rapport opgenomen:

" Ik heb het pad 1 maand geleden aangelegd. Toen ben ik ook met de bouw van het gebouw begonnen.

Ik heb er niet aan gedacht dat ik niet vóór 31-08 aan de bouw mocht beginnen. Ik heb de kadastrale maten aangehouden. Waar het gebouw komt ligt nu nog alleen het raamwerk, de rest is allemaal zand. Ik ben het er dan ook niet mee eens dat dit niet wordt meegemeten. Ik vind dat het er bij hoort omdat het nog gewoon zand is."

- Op 12 december 2000 heeft verweerder beslist op de aanvraag oppervlakten 2000 van appellante. Daarbij heeft verweerder met betrekking tot de gewasgroep braak overwogen dat aangevraagd werd 2.7 ha, dat geconstateerd werd 1.98 ha en dat het verschil tussen de aangevraagde en geconstateerde oppervlakte uitgedrukt in percentage van de geconstateerde oppervlakte 36. 36% bedraagt. Voor de gewasgroep braak wordt daarom fl. 0,00 aan subsidie toegekend. Aangezien appellante in verband met de door haar voor akkerbouwsteun opgegeven percelen maïs en overige granen tenminste 2.63 ha braak had moeten leggen heeft zij, nu slechts 1.98 ha braak is geconstateerd, slechts voor 75,19 % aan haar braak- verplichting voldaan. De door haar gevraagde subsidie voor granen en maïs wordt daarom slechts voor 75,19 % uitbetaald.

- Op 22 december 2000 heeft appellante tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Naar aanleiding van het gemaakte bezwaar heeft appellante op 17 mei 2001 haar bezwaren tijdens een hoorzitting toegelicht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - onder meer het volgende in.

Uitgangspunt is dat uitgegaan wordt van de gegevens die de AID heeft vastgesteld. Appellante heeft op geen enkele wijze aangetoond dat de meting van de AID onjuist zijn.

Het gedeelte van het perceel 53 waar het betonpad loopt en het gedeelte waar een raamwerk voor een gebouw ligt voldoet niet aan de in artikel 17 van de Regeling neergelegde eisen voor braaklegging.

De mededeling ter hoorzitting van appellante dat zij vergeten heeft een braakliggend perceel met een ander topografisch nummer in de aanvraag op te nemen kan haar niet baten, nu hierin geen voor verweerder kenbare fout kan worden gezien.

De korting met 1% op het uit te betalen subsidiebedrag is terecht opgelegd nu de niet aangetekend verzonden aanvraag van appellante één dag na de uiterste dag van indiening (15 mei 2000) bij LASER is ontvangen. Dat de aanvraag niet tijdig is ingediend ten gevolge van overmacht is niet gebleken.

Anders dan appellante meent dient het verschil tussen de opgegeven en de geconstateerde oppervlakte van perceel 53 niet uitgedrukt te worden in een percentage van de totale aan de hand van de aanvraag geconstateerde oppervlakte. Artikel 9, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 schrijft dwingend voor dat in dit geval alleen naar de gewasgroep braak dient te worden gekeken.

4. Het standpunt van appellant

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Alle percelen in de polder zijn ongeveer 1.5 ha groot. Perceel 53 bestaat uit een dubbel perceel, waarvan de zijden wat uitlopen ten opzichte van de andere percelen. Het moet dus groter zijn dan 3 ha. Door appellante werd rond 4000 m² voor het erf afgetrokken. Perceel 53 moet minstens 2,7 ha groot zijn.

Aangezien het voor het invullen van de aanvraag oppervlakten benodigd kaartmateriaal pas op het laatste moment van LASER werd ontvangen moest alles in haast worden ingevuld. Bij 73 percelen ging het goed; alleen bij perceel 53 was sprake van een vergissing, die mede veroorzaakt werd doordat het toegezonden kaartmateriaal niet meer actueel was. Het braak gelegde land bleek achteraf op meerdere niet duidelijk op de topografische kaart aangeduide percelen te liggen. Daardoor werd abusievelijk verzuimd een perceel braak (dat onderdeel is van het totale dubbele perceel van ruim 3 ha) op te geven. Ten onrechte heeft de AID het niet opgegeven braakperceel niet mee gemeten.

De AID heeft ten onrechte de grond waarop het raamwerk afgetrokken. Daar lag tijdens de meting alleen een 20 cm hoge betonrand. Verder was nog het zand en kon het bebouwd worden. Er was derhalve sprake van braakliggende grond.

Tenslotte heeft de AID onjuiste informatie verschaft. Men zei dat de AID niet vaststelt welke oppervlakte voor subsidie in aanmerking komt, maar tijdens de hoorzitting bleek dat de resultaten van de meting door de AID uitgangspunt zijn geweest bij de beslissing minder subsidie dan gevraagd toe te kennen.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt allereerst vast dat appellante perceel 53 met een beteelde oppervlakte van 2.7 ha als zwarte braak heeft opgegeven. Blijkens de door appellante bij de aanvraag overgelegde kaart is het door appellante opgegeven perceel 53 2.05 ha groot. Ter zitting heeft appellante op de topografische kaart een - niet op de aanvraag oppervlakten aangeduid - perceel, dat inderdaad binnen het door appellante ook ter hoorzitting vermelde genoemde dubbele perceel (waarop het erf van appellantes bedrijf ligt) valt, aangewezen, dat volgens haar braak zou hebben gelegen. Wat hier ook van zij, vast staat dat laatstgenoemd perceel niet op de aanvraag oppervlakten staat vermeld.

Het College volgt appellante niet in haar betoog dat het niet opgeven van een extra - volgens appellante braakgelegd - perceel een duidelijke vergissing is, die het toelaat de aanvraag oppervlakten alsnog te wijzigen. Het overweegt daartoe als volgt.

Zoals het College reeds eerder in vaste jurisprudentie heeft overwogen, is sprake van een klaarblijkelijke fout indien uit de aanvraag oppervlakten zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn.

Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. De aanvraag bevat door het niet vermelden van het gehele beweerdelijk braak gelegde perceel geen ongerijmdheden. Het staat een producent vrij om hem moverende redenen één of meer percelen niet voor subsidie in aanmerking te brengen of minder subsidie te vragen dan mogelijk zou zijn. Het is niet de taak van verweerder zich in de motieven van de aanvrager te verdiepen en/of te beoordelen, of een aanvrager door wijziging van de aanvraag niet een hoger bedrag aan steun zou kunnen verwerven.

Ook de impliciete grief van appellante dat de AID niet juist zou hebben gemeten kan niet slagen. Niet gebleken is dat door de AID ambtenaar fouten gemaakt zijn bij de door hem uitgevoerde meting. Terecht heeft de AID de gewraakte meting beperkt tot het door appellante in haar aanvraag opgegeven perceel 53. Op goede gronden heeft verweerder vervolgens vastgesteld dat van de door appellante als braak opgegeven oppervlakte afgetrokken dient te worden het betonnen pad dat het perceel doorsnijdt en het gedeelte waarop zich het raamwerk voor een nieuw gebouw bevindt. Het College leidt uit artikel 17 van de Regeling af dat de hier bedoelde grond niet gedurende de aangeduide periode blijvend aan de landbouw productie mag worden onttrokken, hetgeen gedeeltelijk is geschied door deze gedeeltelijk om bedrijfsredenen een andere blijvende bestemming te geven.

Appellante heeft haar stelling dat de AID-ambtenaar haar tijdens de controle fout zou hebben voorgelicht niet aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat de meting van de AID uitgangspunt is voor de vaststelling van de oppervlakte van de opgegeven grond betekent niet dat de AID ook vaststelt hoeveel grond in aanmerking wordt genomen bij berekening van de subsidie. Van een rechtens te honoreren opgewekt vertrouwen dat de oppervlakte braak gelijk zou zijn aan de door appellante opgegeven 2,7 ha is reeds hierom geen sprake.

Appellante heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat haar aanvrage wel tijdig ter post is bezorgd zodat het College uit het feit dat de niet aangetekend verzonden aanvraag van appellante op dinsdag 16 mei bij LASER werd ontvangen, slechts kan afleiden dat de aanvraag één dag na de uiterste dag voor het indienen van de aanvraag

(15 mei 2000) werd ingediend. Gesteld noch gebleken is dat deze te late indiening veroorzaakt werd door overmacht. Verweerder was daarom op grond van het bepaalde bij artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 gehouden 1% korting op te leggen.

Niet gebleken is dat verweerder een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het bepaalde bij artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 door de aan appellante toe te kennen subsidie voor de gewasgroep braak op fl. 0,00 vast te stellen. Met name is niet gebleken dat verweerder ten onrechte bij de berekening van de te subsidieren braakoppervlakte is uitgegaan van de braak afzonderlijk.

Aangezien ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2002.

w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaas