Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6041

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
AWB 02/25
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de kansspelen 30, geldigheid: 2002-06-19
Wet op de kansspelen 30c, geldigheid: 2002-06-19
Wet op de kansspelen 30c, geldigheid: 2002-06-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2002/949

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/25 19 juni 2002

29010 Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Uitspraak in de zaak van:

A, h.o.d.n. B, te C, appellant,

gemachtigde: mr J.L. Vissers, advocaat te 's-Hertogenbosch,

tegen

de burgemeester van Apeldoorn, verweerder,

gemachtigde: J. Groeneveld, werkzaam ter gemeentesecretarie.

1. De procedure

Op 31 december 2001 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 november 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de weigering aan hem een aanwezigheidsvergunning voor een kansspelautomaat te verlenen ongegrond verklaard.

Op 4 februari 2002 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft op 4 maart 2002 een verweerschrift ingediend.

Op 29 mei 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 30 van de Wet op de kansspelen (hierna: de Wet) luidt voorzover hier van belang als volgt:

" In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1e . waar het café- en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2e . waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

e. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca."

Artikel 30c van de Wet luidt voorzover hier van belang als volgt:

" 1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

c. (…)

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

b. (…)

3. (…)

4. Indien zich binnen een laagdrempelige inrichting een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet bevindt, waarin rechtmatig alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt, dan wordt deze lokaliteit als hoogdrempelige inrichting aangemerkt voor de toepassing van deze titel, indien:

a. voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 30, onder d, en

b. de overige ruimten in die inrichting door het publiek uitsluitend te bereiken zijn zonder eerst deze lokaliteit te betreden."

Ingevolge artikel 30 e, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet wordt de vergunning geweigerd, indien door het verlenen der vergunning zou worden afgeweken van het bij of krachtens artikel 30c bepaalde.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant exploiteert onder de naam "B" een horeca-inrichting, bestaande uit een café/bar en daaraan verbonden een sauna, een erotheek en een seksbioscoop, gevestigd aan de D-straat te C. Voor het publiek van deze inrichting hanteert appellant een minimum leeftijdsgrens van 18 jaar.

- Bij op 4 april 2001 door verweerder ontvangen schrijven heeft appellant ten behoeve van deze inrichting een aanwezigheidsvergunning aangevraagd voor een kansspelautomaat.

- Na een bezoek aan de inrichting door medewerkers van de afdeling Veiligheid en Recht op 23 mei 2001 heeft verweerder bij besluit van 26 juli 2001 de vergunning-aanvraag onder verwijzing naar 'artikel 30, lid D, onder 2' van de Wet afgewezen.

- Tegen voormeld besluit heeft appellant bij brief van 31 augustus 2001 bezwaar gemaakt, waarna op 15 oktober 2001 een hoorzitting heeft plaatsgevonden bij de onafhankelijke bezwarencommissie van de gemeente (hierna: de bezwarencommissie).

- Op 12 november 2001 heeft de bezwarencommissie advies uitgebracht aan verweerder.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het aan dit besluit gehechte advies van de bezwarencommissie, het bezwaar ongegrond verklaard.

Het advies houdt - samenvattend weergegeven - het volgende in.

Uit de jurisprudentie van het College en met name de op een seksinrichting betrekking hebbende uitspraak van de president van 16 juli 2001 (JG 2001, 9), volgt dat een inrichting als laagdrempelig moet worden aangemerkt, indien daarin naast hoogdrempelige activiteiten andere activiteiten plaatsvinden in een zodanige omvang, dat laatstbedoelde activiteiten een zelfstandige betekenis hebben en niet slechts als ondersteuning van de hoogdrempelige activiteiten kunnen worden beschouwd.

In de inrichting van appellant staat het cafébezoek niet op zichzelf en de omvang van de andere activiteit, de exploitatie van een seksinrichting, is niet van zodanig ondergeschikte betekenis, dat deze slechts dient als ondersteuning van de in het cafégedeelte uitgeoefende, hoogdrempelige, activiteit.

Uit observatie ter plaatse is voorts gebleken dat het cafégedeelte en de seksgedeelte niet in voldoende mate van elkaar afgescheiden zijn, zodat niet wordt voldaan aan de in artikel 30c, vierde lid, van de Wet gestelde voorwaarden.

Hoewel de opvatting van appellant dat het niet voor de hand ligt een inrichting als de onderhavige als laagdrempelig aan te merken begrijpelijk is, ligt het niet op de weg van de commissie en verweerder om in deze procedure een verdergaande invulling te geven aan het begrip hoogdrempelige inrichting dan in de Wet is neergelegd.

Wel is de commissie met verweerder van oordeel dat het besluit van 26 juli 2001 een onjuiste verwijzing naar de Wet bevat.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Erkend wordt dat geen sprake is van een samengestelde inrichting als bedoeld in artikel 30c, vierde lid, van de Wet. Dit brengt naar de opvatting van appellant echter niet mee dat sprake zou zijn van een laagdrempelige inrichting.

Met de vanaf 1 juni 2000 in de Wet opgenomen definitie van de begrippen hoog- en laagdrempelige inrichting is blijkens de wetsgeschiedenis niet meer beoogd dan de voorheen in de jurisprudentie van het College gegeven invulling van deze begrippen te codificeren.

Blijkens die jurisprudentie moet steeds aan de hand van de feiten en omstandigheden ter plaatse worden bezien of een inrichting hoogdrempelig is.

Verweerder heeft de inrichting van appellant in het verleden gelet op de aard van de daarin uitgeoefende activiteiten altijd aangemerkt als hoogdrempelig. In de inrichting, die een ontmoetingsplaats is voor bezoekers die sexueel geïnteresseerd zijn in personen van het zelfde geslacht, worden slechts personen van 18 jaar en ouder toegelaten.

Appellant is zich ervan bewust dat zijn inrichting niet voldoet aan de definitie van artikel 30, aanhef en onder d, van de Wet. Hij heeft reeds in bezwaar een afschrift van een brief van 12 februari 2001 van de Staatssecretaris van Justitie aan de Vereniging Exploitanten Relaxbedrijven overgelegd, waarin de Staatsecretaris bevestigt dat relaxbedrijven niet onder de wettelijke omschrijving van hoogdrempelige inrichtingen vallen, hoewel zij naar hun aard en de minimumleeftijd voor bezoekers wel als zodanig beschouwd zouden moeten worden. In deze brief wordt gesteld dat het niet mogelijk is de Wet op korte termijn te wijzigen en wordt meegedeeld dat de onderhavige problematiek bij de herziening van de Wet in het kader van de uitvoering van het op 20 november 2000 aan de Tweede Kamer gezonden kabinetsstandpunt kansspelen, in ogenschouw zal worden genomen.

Naar de opvatting van appellant is voor de oplossing van het onderhavige probleem geen wetswijziging nodig, maar kan worden volstaan met wijziging van de algemene maatregel van bestuur. In dit verband wijst hij er op dat in het Speelautomatenbesluit bijvoorbeeld is bepaald dat een café met meer dan drie biljarts als laagdrempelig is aan te merken.

In ieder geval acht appellant het, gelet op de inhoud van voormelde brief van 12 februari 2001 en de vergunningverlening voor de aanwezigheid van een kansspelautomaat in de onderhavige inrichting in het verleden, onbegrijpelijk en onjuist dat verweerder niet wenst te anticiperen op komende regelgeving.

Aan het opstelplaatsenverbod van de Wet ligt ten grondslag dat moet worden voorkomen dat jongeren te eenvoudig en terloops met kansspelautomaten in aanraking komen. Een dergelijk risico doet zich in het onderhavige geval niet voor, zodat vergunningverlening in het onderhavige geval niet in strijd is met de bedoeling van de wetgever.

5. De beoordeling van het geschil

Niet in geschil is dat de inrichting van appellant gelet op de daarin uitgeoefende activiteiten niet voldoet aan de definitie van hoogdrempelige inrichting van artikel 30, aanhef en onder d, van de Wet.

Evenmin is in geschil dat het cafégedeelte van die inrichting niet kan worden aangemerkt als horecalokaliteit, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 30c, vierde lid, van de Wet.

De conclusie kan derhalve geen andere zijn dan dat de inrichting van appellant als laagdrempelig moet worden aangemerkt.

Anders dan appellant wil, biedt de Wet verweerder geen mogelijkheid om ten behoeve van deze inrichting een aanwezigheidsvergunning voor een kansspelautomaat te verlenen.

De omstandigheid dat verweerder in voorafgaande jaren aan appellant een aanwezigheidsvergunning voor een kansspelautomaat heeft verleend kan hieraan niet afdoen.

Die vergunningverlening was immers gebaseerd op het ingevolge de destijds geldende bepalingen van de Wet door verweerder gevoerde beleid, terwijl de huidige wetstekst, met name artikel 30 e, eerste lid, aanhef en onder a, juncto artikel 30c, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet, verweerder op dit punt geen beleidsvrijheid laat.

Ook de door appellant overgelegde brief van 12 februari 2001 van de Staatssecretaris van Justitie kan er niet aan afdoen dat verweerder gehouden was de door appellant gevraagde vergunning te weigeren.

In deze brief wordt overigens vermeld dat "relaxinrichtingen" slechts door wetswijziging alsnog als hoogdrempelig aangemerkt kunnen worden.

Het College ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen.

Het beroep is dan ook ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.A. van der Ham en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2002.

w.g.D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaas