Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6038

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
AWB 02/300
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2002/1907
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/300 10 juli 2002

29010 Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr A.J. Spoelstra, te Drachten,

tegen

de burgemeester van Dongeradeel, verweerder.

1. De procedure

Op 4 februari 2002 heeft het College, door tussenkomst van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, een aldaar op 28 januari 2002 ingekomen beroepschrift van appellant ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 december 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek om vergunning voor het aanwezig hebben van een kansspelautomaat ongegrond verklaard.

Een aanvulling op het beroepschrift is op 6 maart 2002 ontvangen.

Bij brief van 26 maart 2002 heeft verweerder de op het geschil betrekking hebbende stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2002; partijen zijn aldaar overeenkomstig hun tevoren gedane schriftelijke mededelingen niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet op de kansspelen (hierna: de Wet) luidt sinds 1 november 2000, voorzover hier van belang:

" Artikel 30

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1°. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2°. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

e. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld is in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

(…)

Artikel 30b

1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

(…)

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

(…).

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

c. in een inrichting, anders dan onder a of b, bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, indien het houden van een zodanige inrichting krachtens een vergunning van de

burgemeester bij gemeentelijke verordening is toegestaan.

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

b. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend, op twee wordt bepaald.

3. (…)

4. Indien zich binnen een laagdrempelige inrichting een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet bevindt, waarin rechtmatig alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt, dan wordt deze lokaliteit als hoogdrempelige inrichting aangemerkt voor de toepassing van deze titel, indien:

a. voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 30, onder d, en

b. de overige ruimten in die inrichting door het publiek uitsluitend te bereiken zijn zonder eerst deze lokaliteit te betreden.

5. (…)."

Artikel 1 van de Drank- en Horecawet luidt, sinds 1 november 2000, voorzover hier van belang:

" 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

(…)

- horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

(…)

- lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting;

- horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

(…)

- inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte;

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant exploiteert in de gemeente Dongeradeel onder de naam "Bowling- en Zalencentrum C" een onderneming bestaande uit een danszaal, een entreehal, een bargedeelte met tafels en stoelen, bowlingbanen en een kleinere zaal.

- De bowlingbanen zijn afgeschermd door een scheidingswand van steen en glas met twee toegangspoorten. De bowlingbanen zijn slechts via het bargedeelte van de onderneming toegankelijk voor bezoekers.

- Appellant heeft op 20 december 2000 ten behoeve van zijn inrichting een vergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet gevraagd voor het aanwezig hebben van één kansspelautomaat.

- Bij brief van 24 oktober 2001 heeft verweerder appellant meegedeeld dat de gevraagde vergunning wordt geweigerd.

- Hiertegen heeft appellant op 21 november 2001 een bezwaarschrift ingediend.

- Op 18 december 2001 heeft appellant zijn bezwaar toegelicht op een hoorzitting.

- Vervolgens heeft verweerder, onder overneming van het advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften (hierna: de Commissie), het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bij het bestreden besluit overgenomen advies van de Commissie houdt - samengevat - het volgende in.

De binnen de inrichting geboden gelegenheid tot het beoefenen van de bowlingsport trekt een zelfstandige stroom van bezoekers die de inrichting niet in de eerste plaats bezoeken om alcoholische dranken te drinken, dan wel om een maaltijd te gebruiken. Deze bezoekers komen primair om te bowlen. Er is geen sprake van een situatie waarin het bowlen (een laagdrempelige activiteit) gezien moet worden als een ondergeschikte nevenactiviteit van de (op zich hoogdrempelige) horeca-functie van de inrichting.

Nu het bowlinggedeelte van de inrichting niet en het zalengedeelte slechts gedeeltelijk is afgescheiden van het café-/restaurantgedeelte is er sprake van één (samengestelde) inrichting, die in zijn geheel als laagdrempelig moet worden aangemerkt.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De ruimte waarin de kansspelautomaat staat opgesteld is ingericht als restaurant. Binnen de inrichting wordt rechtmatig het restaurantbedrijf uitgeoefend.

Ten onrechte heeft verweerder aangenomen dat het bowlen een zelfstandige stroom van bezoekers trekt. Binnen de inrichting wordt uitsluitend de gelegenheid tot bowlen geboden om meer publiek naar het restaurant te trekken. Het is niet mogelijk om van de bowlingbanen gebruik te maken zonder ter plaatse gereedgemaakte spijzen en dranken te nuttigen. De omzetcijfers geven aan dat nog geen 20% van de omzet van de inrichting wordt gehaald met de bowlingactiviteiten. Hieruit is reeds af te leiden dat het bowlen binnen de inrichting een activiteit is die geheel ondergeschikt en ondersteunend is aan de horeca-activiteiten. De inrichting wordt, ook door bezoekers van de bowlingbanen, derhalve allereerst bezocht om een hapje te eten en/of een glaasje te drinken. Bijgevolg heeft verweerder de inrichting ten onrechte als laagdrempelig aangemerkt.

Voor zover er naast de horecafunctie een zelfstandige stroom bezoekers valt te onderscheiden, is deze toe te schrijven aan de verhuur van zalen. De zalen zijn direct via de centrale hal bereikbaar. Bezoekers van de zalen behoeven dus niet eerst het horecagedeelte te betreden. Het restaurant moet derhalve worden aangemerkt als een, zoals de Wet dat vereist, voldoende afgescheiden ruimte, waardoor het als hoogdrempelig is aan te merken.

Tenslotte zijn alle activiteiten binnen de inrichting- behoudens incidentele kinderfeestjes, waarbij de kansspelautomaat is uitgeschakeld- gericht op personen van 18 jaar en ouder.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt allereerst vast dat in het advies van de Commissie - dat door verweerder integraal is overgenomen bij het bestreden besluit- onweersproken is gesteld, dat het bowlinggedeelte in het geheel niet is gescheiden van het café-restaurantgedeelte (hierna: bargedeelte). Hiermee staat voor het College vast dat de inrichting van appellant in ieder geval het bargedeelte en de bowlingbanen omvat.

Dit betekent dat binnen de inrichting een laagdrempelige activiteit- te weten de bowlingsport- plaatsvindt.

Het College deelt de opvatting van appellant dat het bowlen te beschouwen is als een activiteit die louter ondersteunend is voor de horeca-activiteiten niet. Het overweegt daartoe als volgt.

De bowlingbanen trekken een zelfstandige stroom van bezoekers die uitsluitend of vooral met het doel de bowlingsport te beoefenen de inrichting van appellant bezoeken. De mededeling van appellant dat hij met de bowlingactiviteiten slechts 20% van zijn totale omzet genereert kan hieraan niet afdoen. Evenmin kan uit de intentie van appellant om door binnen zijn bedrijf gelegenheid tot bowlen te bieden zijn horeca-omzet te vergroten worden afgeleid dat aan het bowlen geen zelfstandige betekenis kan worden toegekend.

De conclusie moet derhalve zijn dat, nu binnen de inrichting van appellant zowel laagdrempelige (het bowlen) als hoogdrempelige activiteiten (het bargedeelte) plaatsvinden, de gehele inrichting als laagdrempelig moet worden aangemerkt.

Het College stelt vervolgens vast dat er evenmin sprake is van de situatie bedoeld in artikel 30c, vierde lid, van de Wet, waardoor uitsluitend het bargedeelte eventueel als hoogdrempelig zou kunnen worden aangemerkt. Nu bezoekers (slechts) via het bargedeelte de bowlingbanen kunnen bereiken wordt immers niet voldaan aan de in artikel 30c, vierde lid , onder b van de Wet neergelegde voorwaarde.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2002.

w.g. M.A. van der Ham w.g. F.W. du Marchie Sarvaas