Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE6026

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
AWB 01/1018
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/1018 19 juni 2002

14860 Wet personenvervoer

Dienstregeling

Uitspraak in de zaak van:

Het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar, appellant,

gemachtigde: ing. R. Goddijn, werkzaam bij de gemeente Wassenaar,

tegen

Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: ir G. Dankelman, werkzaam bij de provincie Zuid-Holland,

waaraan als partij deelneemt: Connexxion Openbaar Vervoer N.V., (hierna: conneXXion) te Rotterdam,

gemachtigde: ing. W.M. Terra.

1. De procedure

Op 17 december 2001 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder, verzonden op 5 november 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen zijn eerder besluit van 15 mei 2001, nummer EV/Zh.OV.0101, inzake de vaststelling van de wijziging van de dienstregeling van diverse buslijnen met ingang van 10 juni 2001 van ZWN Openbaar Vervoer NV en conneXXion Openbaar Vervoer NV, ongegrond verklaard.

Op 11 februari 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 28 februari 2002 heeft conneXXion het College medegedeeld als partij aan het geding te zullen mededelen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 29 mei 2002, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 15 mei 2001, dat is bekendgemaakt op 17 mei 2001 heeft verweerder de geldende dienstregeling van onder meer lijn 67 van ConneXXion met ingang van 10 juni 2001 gewijzigd vastgesteld, waarbij lijn 67 werd opgeheven.

- Op 27 juni 2001 heeft appellant bij bezwaarschrift bezwaar gemaakt tegen het besluit betreffende deze opheffing.

- Op 23 augustus 2001 is appellant terzake van zijn bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen dat is verzonden op 5 november 2001.

- Op 27 november 2001 is voor het concessiegebied Rijn- en Bollenstreek/Midden- Holland aan conneXXion concessie verleend per 1 januari 2002. Appellant heeft tegen deze concessieverlening geen bezwaar gemaakt.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van appellant

Om redenen die hierna zullen blijken ziet het College er van af het bestreden besluit en het standpunt van appellant weer te geven.

4. De ontvankelijkheid van het beroep

Op grond van het bepaalde in artikel 118 van de Wet personenvervoer 2000 is de periode waarin de gewraakte dienstregeling, zoals gewijzigd, gold per 1 januari 2002 verstreken. Naar appellant ter zitting heeft medegedeeld heeft hij niet op enigerlei wijze tegen de concessieverlening voor het gebied Rijn- en Bollenstreek/Midden Holland bezwaar gemaakt.

Gelet hierop zal het College allereerst de vraag behandelen of appellant thans nog een processueel belang heeft bij zijn beroep heeft.

Appellant heeft zijn bezwaar niet staande gehouden ter gelegenheid van de concessie-verlening; zijn processueel belang kan alleen nog zijn gelegen in toekenning van schadevergoeding.

Appellant heeft in beroep geen schadevergoeding gevorderd. Weliswaar kan uit de door appellant overgelegde stukken en zijn betoog ter zitting worden afgeleid dat appellant meent van het bestreden besluit enige schade te hebben ondervonden doordat door hem gepleegde investeringen in halteplaatsen en abri's niet meer het beoogde nut hebben, maar appellant heeft deze schade op geen enkele wijze begroot en onderbouwd. Aldus heeft appellant te weinig gesteld om voor vergoeding van schade in aanmerking te kunnen komen, indien hij dit al zou wensen.

Gelet hierop is derhalve niet gebleken dat appellant nog enig rechtens te honoreren belang heeft bij een uitspraak over de wijziging van de verstreken dienstregeling. Het beroep dient hierom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.A. van der Ham en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2002.

w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel