Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE5930

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
AWB 01/724
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 01/724 2 juli 2002

27366 Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling ernergievoorzieningen non-profit en bijzondere sectoren

Uitspraak in de zaak van:

gemeente Hoogezand-Sappemeer, appellante,

gemachtigde: G.M. Pothoven, werkzaam bij Project Techniek adviseurs voor installatietechniek B.V. te Utrecht,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr F.B.J.A. Duijnstee en mr R.E. Groenewold, beiden werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 6 september 2001 heeft het College een beroepschrift ontvangen, verzonden op 5 september 2001, waarbij namens appellante beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 25 juli 2001 van verweerder. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag tot vaststelling van subsidie, verleend op grond van de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (hierna: de Regeling), ongegrond verklaard.

Op 19 november 2001 heeft het College van verweerder een verweerschrift ontvangen.

Op 21 mei 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden en hebben de hierboven genoemde gemachtigden de standpunten van partijen nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 2 van de Regeling bepaalde ten tijde hier van belang het volgende:

" 1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:

(…)

- een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, niet zijnde de staat;

(…)

4. Geen subsidie wordt verstrekt:

a. indien de aanvrager voor de indiening van de aanvraag ter zake van de koop van de voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft verplichtingen heeft aangegaan (…);

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 17 juli 1998 met bijlagen, door verweerder voor ontvangst gestempeld op 21 juli 1998, heeft appellante subsidie op grond van de Regeling aangevraagd voor een membraaninstallatie, hoogfrequent armaturen en een tochtsluis.

- Bij brief van 21 juli 1998 heeft verweerder appellante gevraagd mededeling te doen van de vermoedelijke datum van aanschaf van de voorzieningen.

- Bij brief van 24 juli 1998 heeft A, werkzaam bij Project Techniek adviseurs voor installatietechniek B.V. te Utrecht, verweerder medegedeeld dat de membraaninstallatie wordt aangeschaft in september 1998 en dat de hoogfrequent armaturen in maart 1999 worden aangeschaft.

- Bij besluit van 30 december 1998 heeft verweerder de subsidieaanvraag gedeeltelijk ingewilligd en appellante een subsidie verleend van fl. 59.540,--.

- Bij brief van 20 april 2000 met bijlage, door verweerder voor ontvangst gestempeld op 28 april 2000, heeft appellante een aanvraag tot vaststelling van de verleende subsidie ingediend.

- Bij brief van 12 mei 2000 heeft verweerder appellante verzocht om toezending van aanvullende informatie.

- Bij brief van 29 mei 2000 met bijlagen heeft appellante gereageerd op de brief van 12 mei 2000 van verweerder.

- Op 30 mei 2000 heeft een medewerker van verweerder telefonisch contact opgenomen met A ter verificatie van de in de brief van 29 mei 2000 en een aantal bijlagen van deze brief genoemde data van opdrachtverstrekking. Bij deze gelegenheid is afgesproken is dat A een en ander zou uitzoeken.

- Bij brief van 9 augustus 2000 heeft appellante verklaard dat zij bij brief van 29 mei 2000 onjuiste gegevens heeft verstrekt over de data van opdrachtverstrekking van de voorzieningen die mogelijk voor subsidie in aanmerking komen en heeft zij verweerder verzocht erin toe te stemmen dat begin september 2000 de juiste gegevens worden verstrekt.

- Bij brief van 7 september 2000 heeft F.M. Pattist, directeur Welzijn van appellante, verweerder namens appellante het volgende medegedeeld:

" In vervolg op onze brief van 9 augustus 2000 bericht ik u het volgende.

Wij hebben de betreffende stukken bestudeerd en moeten helaas constateren dat de opdrachten voor de aanschaf van de voorzieningen, waarvoor subsidie is toegekend, hebben plaats gevonden voor de feitelijke indiening van de subsidieaanvraag. De subsidiemogelijkheid is ons pas later bekend geworden.

(…)."

- Bij besluit van 26 september 2000 heeft verweerder de aanvraag om vaststelling van de subsidie afgewezen.

- Bij brief van 30 oktober 2000 is namens appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 september 2000 van verweerder.

- Nadat haar gemachtigde de bezwaren van appellante op 15 maart 2001 nader had toegelicht tijdens een hoorzitting, heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder, samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende overwogen.

De subsidieaanvraag is ontvangen op 21 juli 1998. Uit de bij brief van 29 mei 2000 overgelegde stukken blijkt dat de voorzieningen reeds voor 21 juli 1998 zijn aangeschaft. Gelet hierop staat artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a, van de Regeling in de weg aan subsidievaststelling.

De stelling van appellante dat de opdrachtnemers mondeling is medegedeeld dat de opdracht afhankelijk was van het verkrijgen van subsidie, leidt niet tot een ander oordeel. Dat deze mededeling is gedaan, blijkt niet uit het overgelegde bouwverslag van 3 juli 1998 en evenmin uit de opdrachtbevestigingen. Aan de omstandigheid dat de opdrachtnemers de juistheid van de stelling van appellante achteraf hebben onderschreven, komt niet die betekenis toe die appellante daaraan toegekend wenst te zien, nu de opdrachtnemers belanghebbende zijn. Dat de opdrachtnemers eerst in 1999 opdracht zouden hebben verstrekt aan onderaannemers of leveranciers, leidt niet tot een ander oordeel: bepalend is, wanneer appellante verplichtingen is aangegaan.

Tenslotte is van belang dat namens appellante bij brief van 7 september 2000 met zoveel woorden is erkend dat ten tijde van de subsidieaanvraag reeds verplichtingen waren aangegaan en dat zij pas later bekend is geworden met de Regeling.

Artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vaststelt. Ingevolge artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b en c, Awb kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen of indien de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid.

Nu appellante bij brief van 24 juli 1998 onjuiste informatie heeft verstrekt over de datum van aanschaf van de voorzieningen en bij het verstrekken van juiste informatie geen subsidie zou zijn verleend, heeft verweerder de vrijheid de subsidie lager (op nihil) vast te stellen.

4. Het standpunt van appellante

In beroep heeft appellante, zakelijk weergegeven en voorzover hier van belang, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante erkent dat zij geen aanspraak kan maken op subsidie voor de aanschaf van de membraaninstallatie.

Bij het verstrekken van de opdrachten op 4 november 1997 heeft appellante uitdrukkelijk vermeld dat, in afwachting van de toekenning van subsidie, geen bestellingen mochten worden gedaan met betrekking tot de voorzieningen waarvoor subsidie zou worden aangevraagd, hetgeen blijkt uit het verslag van de bouwvergadering van 3 juli 1998. De hoogfrequent armaturen en een tochtsluis zijn besteld nadat de subsidie was verleend.

5. De beoordeling van het beroep

5.1 Het College stelt vast dat appellante niet (langer) betwist dat zij geen aanspraak kan maken op subsidie voor de membraaninstallatie.

5.2 Ter beoordeling van het College staat of verweerder terecht heeft geoordeeld dat appellante voor het indienen van de subsidieaanvraag verplichtingen is aangegaan ter zake van de aanschaf van de hoogfrequent armaturen en de tochtsluis.

Uit de bij brief van 29 mei 2000 door appellante overgelegde stukken blijkt dat appellante ten tijde van het indienen van de subsidieaanvraag reeds opdracht had verstrekt tot aanschaf van de voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft, hetgeen namens appellante bij brief van 7 september 2000 ook met zoveel woorden is erkend.

Dat appellante bij de opdrachtverstrekking een voorbehoud zou hebben gemaakt met betrekking tot (het tijdstip van) de aanschaf van de energiebesparende voorzieningen, wordt alleen genoemd in achteraf opgestelde verklaringen van de opdrachtnemers, waarvan verweerder naar het oordeel van het College terecht heeft geoordeeld dat daaraan geen (doorslaggevende) betekenis toekomt. Ook overigens heeft appellante het bewijs van de juistheid van haar stelling niet geleverd.

Dat de opdrachtnemers volgens appellante pas na toekenning van de subsidie opdracht heeft verstrekt aan onderaannemers dan wel leveranciers, kan niet tot een ander oordeel leiden. Ingevolge artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a, van de Regeling is bepalend op welk moment de opdrachtgever verplichtingen aangaat. Wanneer de opdrachtnemer de door hem aanvaarde opdracht uitvoert, is niet van belang.

Op grond van het vorenstaande komt het College tot een bevestigende beantwoording van de in de eerste alinea van deze paragraaf (5.2) geformuleerde vraag. Hieruit volgt, dat artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a, van de Regeling zich verzet tegen vaststelling van de (op basis van namens appellante verstrekte onjuiste gegevens) bij besluit van 30 december 1998 verleende subsidie.

5.3 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

5. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2002.

w.g. J.A. Hagen w.g. B. van Velzen