Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE5923

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-02-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
AWB 02/320
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:26
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/320 26 februari 2002

15300

Beslissing op het verzoek ingevolge artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht van:

Vodafone Libertel N.V., te Maastricht, verzoekster,

gemachtigde: mr L.S. Frakes, advocaat te Amsterdam,

in de zaak van:

de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, te 's-Gravenhage,

gemachtigde: mr R. Snel, advocaat te 's-Gravenhage,

appellante tegen de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 27 december 2001, no. TELEC 00/1312-SIMO, in het geding tussen

1. Koninklijke KPN N.V. te 's-Gravenhage (hierna: KPN),

2. KPN Mobile The Netherlands B.V., te 's-Gravenhage (hierna: KPN Mobile),

gemachtigde: mr H.J. de Ru, advocaat te Amsterdam,

tegen

de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit.

Overwegingen met betrekking tot het verzoek

Op 7 februari 2002 is ter griffie van het College een beroepschrift ingekomen van appellante tegen bovenvermelde uitspraak van rechtbank Rotterdam. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank gegrond verklaard het beroep van KPN en KPN Mobile, ingesteld tegen

het besluit van appellante van 12 mei 2000, houdende de beslissing op bezwaar van KPN en KPN Telecom B.V. inzake het aan KPN in rekening brengen van een vergoeding voor het toezicht in 1999 op het openbare mobiele netwerk van KPN Telecom en voor het toezicht in 1999 op de openbare mobiele dienst.

Bij brief van 8 februari 2002 heeft verzoekster het College ingevolge artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzocht als partij aan het geding te mogen deelnemen.

Ingevolge het bepaalde bij artikel 22, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:26, eerste lid, van de Awb kan het College tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

Ter beoordeling staat thans derhalve de vraag of verzoekster in het onderwerpelijke geding als belanghebbende kan worden aangemerkt in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Verzoekster heeft in dit verband naar voren gebracht dat zij bij rechtbank Rotterdam beroep heeft ingesteld tegen het niet nemen van een beslissing op haar bij appellante ingediende bezwaren inzake gelijksoortige vergoedingen als door KPN en KPN Mobile bestreden. Zij verwacht dat de beslissing op het onderwerpelijke hoger beroep beslissend zal zijn voor de door haar gevoerde procedures inzake de haar in rekening gebrachte vergoedingen en zij acht het in het belang van een evenwichtige rechtsbescherming dat zij deelneemt aan het onderwerpelijke geding, dan wel dat de behandeling ervan wordt aangehouden om deze uiteindelijk gevoegd te kunnen laten plaatsvinden met het door haar bij het College in te stellen hoger beroep tegen de nog te wijzen uitspraak van de rechtbank op haar beroep aldaar.

Het College ziet in het door verzoekster gestelde belang evenwijdig aan dat van KPN en KPN Mobile geen aanleiding haar op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb als belanghebbende toe te laten tot het onderwerpelijke geding. De in dit geding aan de orde zijnde vergoedingen zijn niet aan verzoekster, doch aan KPN in rekening gebracht, gelijk de beslissing op bezwaar niet aan haar doch aan de laatste is gericht; haar belang is derhalve niet rechtstreeks bij deze besluiten betrokken.

Ten overvloede zij opgemerkt dat een beslissing over een het al dan niet ter behandeling voegen van de onderwerpelijke zaak met een mogelijk door verzoekster tegen een nog te nemen uitspraak in te stellen beroep thans niet aan de orde is.

Gelet op het vorenoverwogene dient het verzoek te worden afgewezen.

Beslissing:

Het College wijst af het verzoek van verzoekster om als partij aan het geding deel te nemen.

Aldus gegeven op 26 februari 2002 door mr D. Roemers, mr C.M. Wolters en mr M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid

van R. van Cuilenborg, als griffier.

w.g. D. Roemers w.g. R. van Cuilenborg