Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE5155

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
AWB 99/911 en 99/912
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs. AWB 99/911 en 99/912 5 juni 2002

5040 Landbouwheffing

Uitspraak in de zaken van:

1. A., te B,

2. C, te D,

appellanten,

gemachtigde: mr W.M.C. Schipper, werkzaam bij KPMG Meijburg & Co, te Amstelveen,

tegen

het Hoofdproductschap Akkerbouw, te Den Haag, verweerder,

gemachtigde: mr E.R. Kleijwegt, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 4 november 1999 heeft het College van appellante sub 1 (hierna ook: A) een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een aan haar gericht besluit van 23 september 1999.

Eveneens op 4 november 1999 heeft het College van appellante sub 2 (hierna ook: C) een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een aan haar gericht besluit van 23 september 1999.

Op 31 januari 2000 is van ieder van de appellanten een aanvulling op het beroepschrift ontvangen.

Op 3 april 2000 zijn verweerschriften ingediend.

Op 26 mei 2000 hebben appellanten ieder een conclusie van repliek ingediend.

Op 24 april 2002 heeft het onderzoek te zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten toegelicht. Namens verweerder was tevens D aanwezig.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 220, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 (Pb. EG 1992, L 302) tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: CDW) luidt, voorzover hier van belang:

" Behalve in de gevallen (…) wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer:

a) (…);

b) het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, tengevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- A heeft in de periode van 22 december 1994 tot en met 29 mei 1997, met toepassing van het systeem inzake schorsing, aangiften tot plaatsing onder de douaneregeling "actieve veredeling" gedaan van hoeveelheden langkorrelige gedopte rijst (andere dan parboiled), ter veredeling tot het hoofdveredelingsproduct langkorrelige volwitte rijst (andere dan parboiled).

- C heeft hetzelfde gedaan in de periode van 27 februari 1995 tot en met 14 mei 1997.

- Voor deze veredelingen waren appellanten vergunningen verleend waarin, naast het hoofdveredelingsproduct, als veredelingsproducten zijn vermeld: breukrijst, rijstafvallen met maximaal 35% zetmeel en andere rijstafvallen. In de vergunningen is vermeld dat de forfaitaire opbrengstpercentages, genoemd in de Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 (Pb. EG 1993, L 253), houdende vatstelling van enkele bepalingen ter uitvoering van het CDW, van toepassing zijn.

- Op 15 juni 1994 heeft een ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: AID) een controle uitgevoerd bij A. In zijn verslag hiervan, gedateerd 1 augustus 1994, waarin als contactpersoon van A onder meer E, hoofd logistiek, wordt genoemd, vermeldt de controleur:

" T.a.v. de 5% breuk, welke als geheel wordt afgeschreven bij de T 89/05 en T 89/06, verwijs ik naar rapport 1536/92/15 d.d. 12/02/1992 onder Conclusie 2. Tekst o.a.: gelet op het gesprek vanhet Min. van Financiën, Min. van L.N.V. en het H.P.A. d.d. 07/02/1992 is het acceptabel dat 5% breuk als heel wordt afgeschreven.

(…)

De controleresultaten zijn besproken met E."

- De Nederlandse delegatie in het Comité Douanewetboek, afdeling economische douaneregelingen, heeft in dit Comité een nota ingebracht, met als onderwerp "Het verantwoorden van breukrijst in volwitte rijst". Bij werkdocument van 9 november 1994 is deze nota van de zijde van het directoraat-generaal Douane en Indirecte Belastingen van de Europese Commissie aan de andere delegaties aangeboden. De nota vermeldt onder meer:

" De vraag is hoeveel breukrijst in "hele" rijst mag voorkomen. De Nederlandse autoriteiten zijn van mening dat niet uitsluitend het kriterium "tariefpostonderverdeling" kan worden gehanteerd. Per ingevoerde gewichtseenheid gedopte rijst zou, na toepassing van het geldende opbrengstpercentage, namelijk een uitvoerverplichting ontstaan voor een hoeveelheid veredelingsprodukt die voor niet meer dan 51% uit volwitte (hele) rijst zou behoeven te bestaan!

(…)

Aangezien nadere communautaire bepalingen ontbreken heeft Nederland gekozen voor een benadering die aansluit bij de bepalingen van Vo. 1361/76. Dit houdt in dat bij de uitvoer van volwitte rijst (met meer dan 5% breukrijst) slechts een gewichtsaandeel van 5% breukrijst (volwitte hele rijst inclusief 5% breukrijst) wordt geaccepteerd als uitvoer van volwitte rijst.

(…) Het hanteren van de "5%-regel" in de regeling Aktieve Veredeling is temeer passend gelet op het evenwicht dat de communautaire wetgever beoogt tussen de toepassing van de regeling Aktieve Veredeling enerzijds en de regeling vooruitbetaling van uitvoerrestituties voor landbouwprodukten (…) anderzijds."

- De Nederlandse nota is aan de orde geweest in de vergadering van het Comité Douanewetboek, afdeling economische douaneregelingen, van 20 tot 22 december 1994. Het verslag van deze bijeenkomst vermeldt:

" The Dutch proposal was not considered tot satisfy the criteria laid down. When a compensating product is exported in this field, no account is taken of the percentage of broken rice contained by that product. In other words, if, for example, 73% has to be exported (…), that percentage may not include broken rice; if it does, there can be no discharge with regard to the main compensating products (for which a customs debt is incurred).

The Committe also agreed that the "5%" rule applicable to the export of Community rice did not apply in the case of IP."

- Bij brieven van 5 mei 1997 heeft verweerder aan appellanten onder meer bericht:

" In overleg met het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is besloten de toepassing van deze methode te staken en u door middel van deze brief te wijzen op de juiste verantwoordingsmethode.

(…) Dit betekent dat, in tegenstelling tot de huidige toepassing van de "5%-regel", uitsluitend het wederuitgevoerde gewichtsaandeel hele korrels in een partij (hele) rijst kan worden verantwoord als uitvoer van het hoofdveredelingsproduct rijst.

Bovenomschreven verantwoordingsmethode is van toepassing op alle veredelingstransacties die op grond van uw vergunningen (…) worden verricht vanaf 15 mei 1997".

- Bij brieven van 12 december 1997 heeft verweerder, mede in de hoedanigheid van inspecteur, aan A en C uitnodigingen tot betaling doen toekomen ten bedrage van onderscheidenlijk fl. 351.598,51 en fl. 757.189,40. Beide brieven vermelden onder meer:

" Met onze brief van 5 mei 1997 (…) wezen wij u op een onjuistheid bij de afwikkeling van bepaalde transacties in het kader van de regeling actieve veredeling. Het betreft de wijze waarop in de zuiveringsafrekening van veredelingstransacties die de invoer van gedopte rijst, de verwerking tot volwitte rijst en de wederuitvoer van het hoofdveredelingsproduct volwitte rijst omvatten, rekening werd gehouden met breukrijst die zich in het hoofdveredelingsproduct witte rijst bevindt.

De onjuiste toepassing houdt in dat breukrijst, die zich in het hoofdveredelingsproduct witte rijst bevindt, tot een gewichtsaandeel van maximaal 5% werd verantwoord als uitvoer van het hoofdveredelingsproduct, hoewel er in feite sprake is van het bijkomende veredelingsproduct breukrijst. Eén en ander houdt in dat door u in de afgelopen jaren een niet gerechtvaardigd voordeel is genoten in verband met het in het vrije verkeer brengen van een hoeveelheid volwitte rijst, overeenkomend met bedoeld 5%-gewichtsaandeel. De door u gegeven onjuiste toepassing betreft de door u in de periode van 20 december 1994 tot en met 14 mei 1997 op grond van vergunningen tot actieve veredeling (…) ondernomen veredelingsverkeers-transacties.

Voor de betrokken transacties, welke in de bijlage naar aangifte zijn gespecificeerd, zijn ingevolge de artikelen 2, eerste lid, onder d) van Verordening (EEG) nr. 2144/87 - met ingang van 1 januari 1994 vervangen door artikel 204, eerste lid, onder a) van Verordening (EEG) nr. 2913/92 (Communautair Douanewetboek) - daarmee douaneschulden ontstaan ter grootte van de op de dag van plaatsing onder de regeling geldende invoerheffing c.q. recht van invoer, vermeerderd met de op grond van artikel 62 van Verordening (EEG) nr. 2228/91 - met ingang van 1 januari 1994 vervangen door artikel 589 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 (uitvoeringsbepalingen bij het Communautair Douanewetboek) - toe te passen compenserende interesten.

Op grond van de artikelen 74 (zoals dit artikel luidde vóór 1 juni 1996) en artikel 72, tweede lid van de In- en uitvoerbeschikking landbouwgoederen 1981 en artikel 10a van de Beschikking actief veredelingsverkeer landbouwgoederen 1986 jo. artikel 8b van de Douaneregeling, stellen wij mede in de hoedanigheid van inspecteur hierbij de uitnodiging tot betaling, als bedoeld in artikel 22a, eerste lid van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen, vast voor de in de bijlage per aangifte gespecificeerde bedragen aan verschuldigde rechten bij invoer, deels vermeerderd met compenserende interesten."

Als bijlagen bij de brieven zijn overzichten gevoegd waarop per invoerformulier is aangegeven voor welk bedrag "reeds belast" was, welk bedrag terzake verschuldigd is en welk bedrag wordt nagevorderd. Tevens is in beide bijlagen een aantal bedragen aan "boete-interest" vermeld.

- Bij brieven van 20 januari 1998 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen de aan hen gerichte uitnodigingen tot betaling.

- Verweerder heeft appellanten nota's, gedateerd 12 februari 1998, gestuurd. Deze nota's strekten - ten aanzien van C onder meer - ter uitvoering van de uitnodiging tot betaling.

- Bij brieven van 20 februari 1998 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen de nota's van 12 februari 1998. In de zaak van C richtte dit bezwaar zich enkel tegen het gedeelte van de nota dat ter uitvoering van de uitnodiging tot betaling strekte.

- Bij brieven van 5 augustus 1998 hebben appellanten hun bezwaarschriften van 20 januari 1998 aangevuld.

- Op 21 september 1998 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van appellanten en verweerder.

- Bij brieven van 11 februari 1999 (abusievelijk gedateerd 11 januari 1999) heeft verweerder een aantal door appellanten opgeworpen vragen beantwoord. Hierbij is ten aanzien van elk der appellanten aan de hand van één transactie de berekeningswijze van de nagevorderde rechten toegelicht.

- Bij brieven van 19 april 1999 hebben appellanten aangegeven af te zien van een verdere mondelinge toelichting van hun bezwaren.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten en het nadere standpunt van verweerder

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de op 22 januari 1998 door appellanten ingediende bezwaren ongegrond verklaard. In deze ongegrondverklaring zijn tevens de bezwaarschriften van 20 februari 1998 begrepen. De besluiten zijn ondertekend door drs. M. Elema, naar wordt vermeld namens de inspecteur van de rijksbelastingdienst bevoegd inzake de douane. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat hier namens verweerder zelf had moeten zijn getekend en dat verweerder de besluiten gedeeltelijk nam in de hoedanigheid van inspecteur die hem op grond van artikel 8b Douaneregeling toekomt. Voorzover nodig heeft verweerder ter zitting de besluiten voor zijn rekening genomen. Beide besluiten houden onder meer het volgende in.

" 29. Onderhavige toepassing van de 5%-regel is voorwerp geweest van een gedachtewisseling met de Commissie in het verband van het Comité Douanewetboek, Afdeling economische douaneregelingen. De Commissie heeft in de vergaderingen van voornoemd comité op 20 t/m 22 december 1994 de door Nederland gegeven toepassing als onjuist aangemerkt.

30. Daarop heeft er langdurig overleg plaatsgehad tussen het hoofdproductschap en het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, waarbij de vraag naar de aan de uitspraak van de Commissie te verbinden consequenties centraal stond.

31. Dit overleg mondde uit in de vaststelling dat er noch gronden zijn om de vaststelling van de Commissie te weerleggen, noch gronden zijn om af te zien van navordering.

(…)

44. Uw stelling dat belanghebbende in haar verdediging zou zijn geschaad omdat niet duidelijk is welk soort heffing het bestreden besluit betreft (…), kunnen wij evenmin onderschijven. Het bestreden besluit heeft, afgezien van compenserende interesten, geheel en al betrekking op rechten bij invoer, zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 10, CDW. Zoals in ons vorenaangehaald schrijven van 11 februari 1999 is uiteengezet, heeft de kwalificatie van het - soort - recht bij invoer in casu geen consequenties waar het gaat om de bevoegdheid van het hoofdproductschap.

45. Bedoelde kwalificatie heeft evenmin consequenties in die zin dat er onderscheiden rechtsregimes van toepassing zijn welke bovendien de rechten van belanghebbende op onderscheiden wijze zeker stellen.

Voorts stellen wij vast dat geen van uw in bezwaar aangevoerde grieven ziet op de aard, hoogte, berekenings- of vaststellingswijze van de in rekening gebrachte rechten, afgezien van uw hiervoor weerlegde stelling ter zake van de competentie van het hoofdproductschap.

46. De door u in bezwaar verzochte uitleg omtrent de berekening van de opgelegde douaneschulden en compenserende interesten hebben wij u verschaft bij brief van 11 februari 1999. Nadien verkeerde u nog in de gelegenheid uw bezwaar naar aanleiding daarvan aan te vullen. Van deze gelegenheid heeft u geen gebruik gemaakt.

47. Wij zien dan ook niet in op welke onderdelen of op welke wijze belanghebbende in haar verdediging kan zijn geschaad.

Mocht u niettemin een specificatie van de opgelegde onderscheiden rechten bij invoer noodzakelijk achten, dan kunnen wij op uw verzoek daarin voorzien.

48. Naar aanleiding van de door u gestelde onduidelijkheid van de berekening van de in het geding zijnde rechten en compenserende interesten (…), hebben wij u voorzien van een nadere toelichting bij brief van 11 februari 1999. Wij nemen aan dat u daarmee voldoende bent geïnformeerd.

(…)

59. Uw beroep op artikel 220, tweede lid, sub b), CDW kan niet slagen. Bij vergissingen als onderhavige waarbij kennelijk ten onrechte tot een begunstigende toepassing van de wettelijke bepalingen is besloten, is steeds de kans aanwezig dat deze vergissing op enig moment - al dan niet op last van een toezichthoudende autoriteit - wordt gecorrigeerd . Uw cliënte had met dit laatste rekening kunnen houden."

In het verweerschrift is onder meer vermeld:

" 63. Verweerder stelt vast dat het begrip "rechten bij invoer" zoals hij dat in zijn uitnodiging tot betaling is gebruikt, in elk geval voor de wetgever een voldoende bepaald begrip betreft, zozeer dat de wetgever in artikel 22a, eerste lid, Awr heeft bepaald dat "De mededeling, bedoeld in artikel 221, eerste lid, van het Communautair Douanewetboek, van het bedrag aan rechten bij invoer dat voortvloeit uit een douaneschuld geschiedt door het vaststellen van een uitnodiging tot betaling door de inspecteur voor ieder van de rechten afzonderlijk".

64. Dat vervolgens verweerder in casu de uitsplitsing van de rechten bij invoer naar het soort recht achterwege heeft gelaten, is van andere orde. Verweerder is van oordeel dat hij op goede gronden bedoelde uitsplitsing achterwege heeft gelaten. Kortheidshalve verwijst verweerder daarvoor naar de overwegingen in de punten 39 t/m 47 van zijn beslissing op bezwaar.

65. In de uitvoeringspraktijk wordt bovendien nimmer een onderscheid gemaakt tussen de met ingang van 1 juli 1995 in de marktordeningen geïntroduceerde onderscheiden rechten bij invoer. (…)

67. Dit neemt overigens niet weg dat waar de kwalificatie van het recht de (aard van de) bevoegdheid van verweerder ter zake van de heffing en inning bepaalt, verweerder zulks in de vast te stellen uitnodiging tot betaling expliciet tot uiting brengt.

(…)

69. In zijn brief van 11 februari (abusievelijk gedateerd 11 januari) 1999 heeft verweerder naar aanleiding van desbetreffende vragen van appellante onder het kopje Berekening heffing de door verweerder gehanteerde systematiek bij de berekening van de in het geding zijnde douaneschulden weergegeven in een vijftal tabellen. Aan de hand van de tabellen 3 en 5 is op grond van historische gegevens te bepalen welke typen rechten bij invoer op de betreffende aangifte tot plaatsing onder de regeling van toepassing zijn.

70. Daar waar het betreft aangiften tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling van vóór 1 juli 1995 (in de bijlage bij het besluit in primo vermeld onder het kopje "inv. datum"), is de desbetreffende douaneschuld geheel en al opgebouwd uit landbouwheffingen. Voor de douaneschulden betreffende aangiften tot plaatsing onder de regeling na genoemde datum, is de samenstelling afhankelijk van het feit of er voor het product een invoerrecht in de zin van artikel 11, tweede lid, van Verordening (EG) nr 3072/95 (marktordening rijst) is vastgesteld in plaats van het ingevolge het eerste lid van genoemd artikel geldende recht van het GDT. Dit nu is (…) afhankelijk van de marktsituatie en derhalve zeer wisselend in de tijd.

71. Met betrekking tot de aangiften tot plaatsing onder de regeling na 1 juli 1995, kan in elk geval worden gesteld dat de desbetreffende douaneschuld deels bestaat uit rechten van het GDT (douanerechten derhalve), gegeven het feit dat voor breukrijst van GN-code 1006 4000 en rijstafvallen van GN-code 2302 20, de bestanddelen waarop de douaneschuld naast gedopte rijst betrekking heeft, slechts rechten van het gemeenschappelijk douanetarief zijn vastgesteld. Wat het aandeel gedopte rijst betreft, zij er op gewezen dat in een deel van de onderwerpelijke periode het recht van het GDT van toepassing was, in een ander deel van onderhavige periode een invoerrecht in de zin van voornoemd artikel 11, tweede lid.

72. Ter adstructie van dit laatste is voor de periode vanaf 1 juli 1995 t/m 21 december 1995 het verloop van het op gedopte rijst toepasselijk recht bij invoer grafisch weergegeven in de hierbij gevoegde bijlage 8."

Ter zitting zijn door verweerder specificaties overgelegd van de douaneschulden van appellanten.

4. Het standpunt van appellanten

Om nader te blijken reden beperkt het College de weergave van de door appellanten ter ondersteuning van hun beroepen aangevoerde gronden tot de hieronder vermelde.

Blijkens de uitnodigingen tot betaling wordt een "invoerheffing c.q. recht van invoer" geheven. Een specificatie van het geheven bedrag ontbreekt. Nu niet blijkt dat landbouwheffingen zijn geheven (noch anti-dumpingheffingen of compenserende heffingen), is het College niet bevoegd kennis te nemen van het beroep.

In het bestreden besluit wordt weliswaar aangegeven dat een deel van de 54 (A) c.q. 127 (C) douaneschulden landbouwheffingen betreffen, maar om welk gedeelte het gaat, wordt niet aangeduid. Een dergelijke aanduiding is onvoldoende om de uitnodigingen tot betaling rechtsgeldig te doen zijn.

Appellanten zijn volstrekt te goeder trouw geweest. Zij konden redelijkerwijze niet ontdekken dat de ontwikkeling en toepassing gedurende twintig jaar door verweerder van de 5%-regel kennelijk op een vergissing berustten. In het bijzonder door de beslissing om na controles door de AID geen rechten te heffen over de 5% breuk, is het vertrouwen gewekt dat geen reden bestond tot navordering. Gelet op de complexiteit van de materie konden appellanten de vergissing redelijkerwijs niet ontdekken. Evenmin kan worden volgehouden dat appellanten er rekening mee hadden moeten houden dat sprake was van een begunstigende toepassing van de regeling, ten aanzien waarvan de kans bestond dat deze - met terugwerkende kracht - gecorrigeerd zou kunnen worden.

5. De beoordeling van de geschillen

5.1 Blijkens beide uitnodigingen tot betaling, die onder meer verwijzen naar "de artikelen 74 (zoals dit artikel luidde vóór 1 juni 1996) en artikel 72, tweede lid, van de In- en uitvoerbeschikking landbouwgoederen 1981", en de toelichting die verweerder hierop heeft gegeven tijdens de bespreking tussen partijen op 21 september 1998 en bij verweerders brief van 11 februari 1999, zoals tenslotte gespecificeerd bij de door hem ter zitting overgelegde overzichten, staat vast dat verweerder beoogd heeft bij de uitnodigingen tot betaling onder meer verschuldigde landbouwheffingen na te vorderen. Hiermee is, gelet op artikel 30d, eerste lid, Awr, de bevoegdheid van het College om de rechtmatigheid van deze na bezwaar gehandhaafde uitnodigingen tot betaling in zoverre te beoordelen gegeven. Dit geldt ook ten aanzien van de met de landbouwheffingen samenhangende compenserende interesten waarvan de oplegging bij het bestreden besluit is gehandhaafd.

5.2 De bijlagen waarnaar in de uitnodigingen tot betaling wordt verwezen geven, gespecificeerd naar invoerformulier, enkel verschuldigde bedragen aan, zonder te vermelden uit welken hoofde de verschuldigdheid bestaat. In het bijzonder wordt niet vermeld of de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief in rekening worden gebracht dan wel in afwijking hiervan geldende, als landbouwheffingen aan te merken, invoerrechten. Aangezien ten aanzien van de ingevoerde gedopte rijst c.q. de bijkomende veredelingsproducten in de periode waarover wordt nageheven beide regimes van toepassing zijn geweest en bovendien in tijdvakken die voor de verschillende beheven producten niet hetzelfde zijn, vormt een specificatie per aangifte van de opgelegde rechten een middel om de juistheid van de opgelegde bedragen te kunnen controleren. Indien, zoals in de onderhavige gevallen, in bezwaar wordt aangeven dat aan een dergelijke specificatie behoefte bestaat, brengen de rechtszekerheid en het in artikel 7:12 Awb neergelegde motiveringsvereiste mee, dat opneming hiervan in de beslissingen op bezwaar niet achterwege mag blijven. Nu dit wel is geschied, is het beroep gegrond en dienen de bestreden besluiten te worden vernietigd.

Aangezien specificaties als vorenbedoeld inmiddels, ter zitting, alsnog zijn verstrekt, bestaat er aanleiding na te gaan of er termen aanwezig zijn om te bepalen dat de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand blijven. Zulks is niet het geval, nu, naar uit het navolgende zal blijken, de besluiten ook indien zij zelf vorenbedoelde specificatie zouden hebben bevat, niet rechtmatig zijn.

5.3 Niet in geschil is dat verweerder gedurende een periode van ongeveer twintig jaar bewust toepassing heeft gegeven aan de zogenoemde 5%-regel. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat voorafgaand aan 5 mei 1997 uit geen enkel stuk zijnerzijds valt op te maken dat twijfel zou bestaan over de juistheid van deze toepassing. Ook van een mondelinge mededeling in deze zin jegens appellanten is op geen enkele wijze gebleken.

Blijkens het in rubriek 2.2 van deze uitspraak vermelde werkdocument van 9 november 1994 staat tevens vast dat Nederland de vaste praktijk tot toepassing van de 5%-regel zonder enig voorbehoud in het Comité Douanewetboek heeft verdedigd. De inhoud van de door de Nederlandse delegatie ingebrachte nota wijst er bovendien niet op dat voorlegging van de Nederlandse praktijk in bedoeld comité werd ingegeven door twijfel omtrent een begunstigende werking die zou uitgaan van de 5%-regel. De nota presenteert immers een keuze tussen enerzijds hantering van het criterium "tariefpostonderverdeling", hetgeen zou leiden tot een veel groter toegestaan percentage breukrijst dan vijf, en anderzijds de - in bedoelde regel vervatte - beperking van dit percentage tot vijf.

Voor de veronderstelling dat appellanten de vergissing van verweerder, bestaande uit het toepassen van de 5%-regel, redelijkerwijze hadden kunnen ontdekken - waar verweerder in punt 59 van de bestreden besluiten kennelijk op doelt - is zijdens verweerder geen enkele onderbouwing geleverd. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting zijn ook het College geen feiten of omstandigheden gebleken die deze veronderstelling zouden kunnen rechtvaardigen.

Nu bovendien niet in geschil is dat appellanten te goeder trouw hebben gehandeld en gesteld noch gebleken is dat appellanten voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte niet hebben voldaan, was ten aanzien van beide appellanten sprake van een situatie als bedoeld in artikel 220, tweede lid, onder b, CDW.

Het voorgaande brengt met zich dat artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, CDW aan boekingen achteraf in de weg stond. In dit verband overweegt het College nog dat - blijkens het verhandelde ter zitting - verweerder erkent dat bij een toetsing aan artikel 220 CDW alle transacties die tot de onderhavige schulden hebben geleid op dezelfde wijze benaderd dienen te worden.

De bestreden besluiten, waarbij de uitnodigingen tot betaling zijn gehandhaafd, dienen derhalve wegens strijd met artikel 220, tweede lid, CDW te worden vernietigd.

5.4 Gelet op het vorenoverwogene kan verweerder bij opnieuw op de bezwaren van appellanten te nemen besluiten niet anders doen dan overgaan tot intrekking van de uitnodigingen tot betaling, voorzover hierbij landbouwheffingen en hiermee samenhangende compenserende interesten zijn opgelegd. Het College ziet hierin aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb, zelf in de zaak te voorzien en de uitnodigingen tot betaling in zoverre in te trekken.

5.5 Nu reeds op grond van het vorenstaande zowel de bestreden besluiten als de uitnodigingen tot betaling dienen te worden vernietigd - een en ander voorzover vallend binnen het bereik van de bevoegdheid van het College - kunnen de overige door appellanten naar voren gebrachte grieven buiten beoordeling blijven.

Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door appellanten gemaakte kosten voor rechtsbijstand ten bedrage van € 644 per appellant. Tot een veroordeling tot vergoeding van kosten, gemaakt gedurende de bezwaarfase, op grondslag van artikel 8:73 Awb gaat het College niet over, reeds omdat de te vergoeden schade op geen enkele wijze is aangegeven.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten voorzover hierbij - met inachtneming van de ter zitting overgelegde specificatie - de

oplegging van landbouwheffingen en hiermee samenhangende compenserende interesten is gehandhaafd;

- trekt de aan appellanten gerichte uitnodigingen tot betaling van 12 december 1997 in voorzover hierbij - met inachtneming

van de ter zitting overgelegde specificatie - landbouwheffingen en hiermee samenhangende compenserende interesten

zijn opgelegd;

- trekt de aan appellanten gerichte nota's van 12 februari 1998 in, voorzover deze strekten tot het in rekening brengen van

bedragen die voortvloeiden uit de vernietigde gedeelten van de uitnodigingen tot betaling van 12 december 1997;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder in de door appellanten gemaakte kosten ten bedrage van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro) per appellant;

- bepaalt dat verweerder aan elk der appellanten het door hen betaalde griffierecht van € 204,20 (zegge tweehonderdenvier

euro en twintig cent) vergoedt;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2002.

w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel