Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE5154

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
95/0048/060/013
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. 95/0048/060/013 5 juni 2002

5040 Landbouwheffing

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr H.C. Bijker.

1. De grondslag van het geschil

Op 13 januari 1994 heeft de inspecteur van de Belastingdienst /Douane district Amsterdam aan appellante een uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) gedaan ter zake van invoerrecht, omzetbelasting en landbouwheffing, onderscheidenlijk ten bedrage van fl. 13.736,--, fl. 30.942,-- en fl. 101.280,--.

Bij brief van 8 februari 1994 heeft appellante hiertegen een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 21 december 1994 heeft de inspecteur van de Belastingdienst /Douane district Amsterdam het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 13 januari 1995 heeft het College van appellante een tegen dit besluit gericht beroepschrift ontvangen.

Tegen dit besluit heeft appellante tevens beroep ingesteld bij de Tariefcommissie. Bij uitspraak van 27 januari 1998 nr. 0003/95 TC heeft de Tariefcommissie het bestreden besluit voor zover dit de invoerrechten betreft, bevestigd.

Tegen dit besluit heeft appellante voorts beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam. Bij uitspraak van 12 maart 1998 heeft het Gerechtshof het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit van de inspecteur vernietigd voor zover dit de omzetbelasting betreft, en de uitnodiging tot betaling zoals nader ambtshalve verminderd, gehandhaafd.

Op 26 maart 1998 heeft het College van verweerder de beide bovengenoemde uitspraken ontvangen.

Appellante heeft bij brief van 9 november 2000 haar beroepschrift aangevuld met - samengevat weergegeven - de volgende gronden:

- Appellante heeft uit het met de belastingdienst gevoerde overleg mogen afleiden dat opslag van melkpoeder voor een korte periode zou worden gedoogd.

- De beslissing om met onmiddellijke ingang niet langer te gedogen was onzorgvuldig.

- De partij melkpoeder die was verlaat en op 5 januari 1994 is gelost, kon tot en met 7 januari 1994 bij de douane worden gemeld; zij is feitelijk nimmer ingevoerd.

Op 28 februari 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 24 april 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar namens verweerder zijn gemachtigde het woord heeft gevoerd. Tevens was C, voormalig directeur-grootaandeelhouder van appellante, aanwezig. Namens appellante is niemand verschenen.

2. Beoordeling van het geschil

2.1 Het College stelt voorop dat appellante zonder bericht niet ter zitting is verschenen, nadat zij hiertoe rechtsgeldig was uitgenodigd bij brief van 11 maart 2002 aan mr G. Paulich, die blijkens brieven van 21 juni en 6 juli 2000 is gemachtigd, respectievelijk zich als gemachtigde heeft gesteld, om appellante in dit geding te vertegenwoordigen.

Ten tijde van de uitnodiging voor de zitting van 24 april 2002 was deze machtiging niet overgedragen of de vertegenwoordiging anderszins beëindigd.

Tot zodanige beëindiging strekt niet de brief van mr G. Paulich van 14 december 2001, waarbij deze het College heeft verzocht om uitstel van het onderzoek ter zitting, aanvankelijk voorzien voor 25 januari 2002, en heeft medegedeeld dat per 1 februari 2002 haar dienstverband bij een advocatenkantoor aanvangt en zij "wellicht voor die tijd deze zaak dien(t) over te dragen". Aangaande zodanige eventuele overdracht heeft het College geen nadere schriftelijke mededeling ontvangen.

De telefonische, minder dan een etmaal vóór de zitting gedane mededeling van desistentie maakt niet dat de ontvangst van de uitnodiging ter zitting door de gemachtigde alsnog zonder gevolgen raakt.

2.2 Aan de orde is de uitsluitend vraag of de inspecteur in zijn bestreden beslissing de UTB, waarbij terzake van landbouwheffing met betrekking tot een partij melkpoeder een bedrag van fl. 101.280,- is opgelegd, terecht heeft gehandhaafd, met dien verstande dat hierop inmiddels een bedrag van fl. 26.275,20 is teruggegeven.

2.3 Bij haar hiervoor vermelde uitspraak van 27 januari 1998 heeft de Tariefcommissie met betrekking tot het bestreden besluit, voor zover dit de invoerrechten betreft, als volgt overwogen:

" 2. De vaststaande feiten

(…)

2.2. Belanghebbende heeft op 15 december 1993 bij de douane telefonisch geïnformeerd naar de mogelijkheid landbouwgoederen in haar entrepot op te slaan. Haar werd toen medegedeeld dat dit waarschijnlijk niet op bezwaren zou stuiten, doch dat een verzoek tot verruiming van haar vergunning douane-entrepot, vergezeld van nadere gegevens, schriftelijk zou moeten worden ingediend. Daarop heeft belanghebbende bij brief, gedateerd 15 december 1993 en ter inspectie ingekomen op 20 december 1993, de douane verzocht om toestemming te verlenen tot het opslaan in het entrepot van tomatenzaad, melkpoeder en suiker.

2.3. Op 21 en 22 december 1993 heeft belanghebbende bij het douanedistrict Amsterdam de aankomst aangemeld van een zending melkpoeder, vervoerd in vijf vrachtauto's, waarvan drie afkomstig uit Rotterdam en twee uit Duitsland.

Aan belanghebbende is op 24 december 1993 medegedeeld dat geen landbouwgoederen meer in het entrepot mochten worden opgeslagen en dat de partijen melkpoeder uitsluitend met toestemming van de douane mochten worden uitgeslagen.

De laatste partij melkpoeder is op 28 december 1993 uitgeslagen.

Met betrekking tot genoemde landbouwgoederen bevindt zich in het dossier de navolgende verklaring van D:

"Hierbij verklaar ik, D, ambtenaar van de Belastingdienst/douane, bevoegd inzake invoerrechten en accijnzen, werkzaam op de douanepost Amsterdam Leeuwendalersweg, het navolgende: Op vrijdag 24 december 1993 te of omstreeks 14.00 uur bevond ik mij in dienst op het douanekantoor gelegen aan de Spaklerweg 75 in de gemeente Ouderkerk aan de Amstel. Alhier kreeg ik van mijn teamleider E te horen dat ik telefonisch contact op diende te nemen met de beheerder van het Entrepot C-spec van A, C.

Dit vloeide voort uit het feit dat er bij het eerder genoemde opslaginstituut melkpoeder (landbouw-goederen) in strijd met de aan dit bedrijf verleende vergunningen "Toegelaten geadresseerde" en entrepot type C lag opgeslagen.

Ik moest C mededelen dat:

* er geen nieuwe landbouwgoederen meer in het eerder bedoelde entrepot mochten worden ingeslagen;

* het voorhanden landbouwgoed niet mocht worden uitgeslagen zonder toestemming van de douane;

* er naar aanleiding van het zonder toestemming inslaan/opslaan van reeds aanwezige melkpoeder nog een nadere beschouwing plaats zou vinden.

Ik heb dit terstond telefonisch aan C doorgegeven waarop deze vertelde dat er nog een partij melkpoeder onderweg was uit of via Duitsland.

Ik vertelde hem dat deze melkpoeder niet ingeslagen mocht worden in zijn entrepot, waarop C zei dat hij deze partij dan uit zou laten wijken naar Schiphol of zo.

Aldus heb ik deze verklaring naar waarheid opgemaakt op de belofte, afgelegd bij de aanvang mijner bediening. Gesloten en getekend te Ouderkerk aan de Amstel op 14 januari 1994.".

2.4. In antwoord op de in 2.2. genoemde brief heeft de inspecteur in zijn brief van 5 januari 1994 allereerst algemene informatie verschaft omtrent de opslag van landbouwgoederen en vervolgens belanghebbende als volgt om nadere inlichtingen verzocht:

"Gezien het vorenstaande heb ik meer specifieke gegevens omtrent oorsprong en bestemming van de goederen nodig om uw verzoek verder te kunnen afhandelen.

Ik stel u in de gelegenheid voor 1 februari 1994 nadere gegevens te overleggen.

Indien op deze datum geen nadere gegevens door mij zijn ontvangen ga ik ervan uit dat u voorlopig afziet van de gevraagde uitbreiding."

2.5. (…)

2.6. De ambtenaren hebben op 7 januari 1994 de aanwezigheid van een partij melkpoeder in het entrepot geconstateerd.

Een document T1 nr 01640, afgegeven te Kiel op 28 december 1993, met daarop belanghebbende als ontvanger vermeld, heeft op deze goederen betrekking.

Belanghebbende heeft de aankomst, op 5 januari 1994, van deze partij melkpoeder niet aan de douane te Amsterdam gemeld.

In dit verband bevat de door de inspecteur bij haar pleitnota overgelegde brief van belanghebbende van 11 januari 1994 de navolgende passage:

"Op 5 januari 1994 meldde zich nog een laatste truck met melkpoeder die eigenlijk nog in 1993 had moeten komen. De enige fout die wij gemaakt hebben is om deze auto te lossen en op te slaan. Wij hebben hiervan geen fax gestuurd omdat wij nog steeds niet wisten of we nu wél of géén toestemming hadden om landbouwgoederen op te mogen slaan."

(…)

Tomatenzaad en melkpoeder waren op het tijdstip, dat belanghebbende deze goederen in ontvangst nam, niet opgenomen in de aan belanghebbende verleende vergunningen. Het stond belanghebbende niet vrij, vooruitlopend op een mogelijke uitbreiding van de vergunningen, deze goederen toch reeds als vergunningsgoederen te behandelen.

Gelet op de sub 2.2., 2.3. en 2.4. vermelde feiten heeft belanghebbende redelijkerwijs ook niet kunnen begrijpen dat haar desalniettemin toch toestemming voor het opslaan van de onderhavige goederen was verleend. De grieven van belanghebbende op dit punt worden daarop verworpen.

(…)

Gelet op de sub 2.6. vermelde brief heeft belanghebbende haar stelling, dat in verband met het late uur op een ander douanekantoor van de zending van de partij melkpoeder melding is gemaakt, niet aannemelijk gemaakt.

Nu ook anderszins enige aanbrenging van de goederen niet is komen vast te staan is de inspecteur - met toepassing van de artikelen 96 en 204 van het CDW - terecht van het ontstaan van een douaneschuld, onder aanwijzing van belanghebbende als schuldenaar, uitgegaan."

2.4 De door de Tariefcommissie als vaststaand aangemerkte feiten zijn ook in dit geding niet betwist en vormen uitgangspunt van de beoordeling. Het College verenigt zich met de hogerweergegeven rechtsoverwegingen van de Tariefcommissie en neemt deze over.

Het College oordeelt verder dat hetgeen appellante heeft aangevoerd, noch de vaststaande feiten in de richting wijzen van schriftelijke of mondelinge mededelingen van medewerkers van de belastingdienst, die het vertrouwen van appellante zouden kunnen rechtvaardigen dat de opslag van de in het geding zijnde goederen zou worden gedoogd.

Hetgeen appellante in het verlengde van haar standpunt dat sprake zou zijn geweest van gedogen heeft aangevoerd, stuit af op het vorenoverwogene en kan verder buiten beoordeling blijven.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de verlate partij melkpoeder, stuit reeds af op haar verplichting die partij binnen de geldigheidsduur van het desbetreffende document T1, derhalve uiterlijk op 5 januari 1994, bij de douane aan te brengen overeenkomstig artikel 96 van het Communautair douanewetboek. Dat die partij melkpoeder vervolgens weer buiten de Europese Gemeenschap is gebracht, doet aan het ontstaan van de douaneschuld niet af.

Derhalve moet het beroep ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2002.

w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel