Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE4687

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-06-2002
Datum publicatie
27-06-2002
Zaaknummer
AWB 02/685
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen
Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/737
M en R 2003, 73

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No. AWB 02/685 21 juni 2002

32030

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

1. de Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie, zetelend te Rotterdam,

2. de Stichting Natuur en Milieu, zetelend te Utrecht,

verzoeksters,

gemachtigde: mr drs J. Rutteman, werkzaam bij appellante sub 1,

tegen

het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), zetelend te Wageningen, verweerder,

gemachtigden: mr J.H. Geerdink, advocaat te Den Haag, en mr M.K. Polano en

dr ir M. Marinussen, beiden werkzaam bij verweerder,

waaraan voorts als partijen deelnemen:

3. UCB Chemicals N.V./S.A., gevestigd te Gent (België),

4. BASF Nederland B.V., gevestigd te Arnhem,

5. Luxan B.V., gevestigd te Elst,

(hierna aan te duiden als: toelatinghouders)

gemachtigde voor de toelatinghouders: mr M.W.L. Simons-Vinckx, advocaat te Breda.

1. De procedure

Onder herroeping van zijn eerdere besluiten van 22 december 2000, waarbij afwijzend is beslist op verzoeken om verlenging van de toelatingen van de middelen UCB-metam, Luxan Monam Geconc., BASF Monam Conc. en Trimaton GC, middelen met als werkzame stof metam-natrium, heeft verweerder bij besluiten van 22 maart 2002 evengenoemde toelatingen op de voet van de artikelen 3, 3a en 5 van de Bestrijdings-middelenwet 1962 (hierna: de Wet) met onmiddellijke ingang verlengd tot 1 april 2007.

Tegen deze besluiten hebben verzoeksters bij brief van 24 april 2002 een bezwaarschrift ingediend. Voorts hebben zij bij verzoekschrift van 25 april 2002, binnengekomen op 26 april 2002, aan de voorzieningenrechter van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van de hiervoor genoemde besluiten van 22 maart 2002.

Bij brieven van 8 mei 2002 zijn de toelatinghouders (als hiervoor aangeduid), alsmede de toelatinghouder Cerexagri B.V., in de gelegenheid gesteld als partijen aan het geding deel te nemen.

Verweerder heeft bij brief van 5 juni 2002 de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

De voorzieningenrechter heeft het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van 17 juni 2002, alwaar partijen, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten nader uiteen hebben gezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Voor de rechtsoverwegingen van belang zijnde bepalingen.

De considerans van Richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, waarvan de bijlagen nadien enkele malen zijn gewijzigd (PbEG L230/1, hierna: de Richtlijn) bevat onder meer de volgende passages:

" (…)

Overwegende dat de toelatingsvoorwaarden een zodanig hoge mate van bescherming moeten garanderen dat met name wordt voorkomen dat gewasbeschermingsprodukten worden goedgekeurd waarvan de risico's voor de gezondheid, het grondwater en het milieu niet op adequate wijze zijn onderzocht; dat de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu voorrang moet hebben op het streven naar een betere plantaardige produktie;

Overwegende dat bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen moet worden nagegaan of zij bij een voor het beoogde doel juiste toepassing in voldoende mate werkzaam zijn, geen onaanvaardbare uitwerking hebben op planten en plantaardige produkten, geen onaanvaardbare nadelige uitwerking hebben op het milieu in het algemeen en in het bijzonder geen schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van mens en dier of voor het grondwater;

(…)

Overwegende dat de communautaire procedure een Lid-Staat niet mag beletten om op zijn grondgebied voor een beperkte periode gewasbeschermingsmiddelen toe te laten die een werkzame stof bevatten welke nog niet in de communautaire lijst is opgenomen, mits vaststaat dat de belanghebbende een dossier heeft ingediend dat met de communautaire eisen overeenstemt en de betrokken Lid-Staat van oordeel is dat verwacht mag worden dat de werkzame stof en de gewasbeschermingsmiddelen aan de desbetreffende communautaire voorschriften voldoen;

(…)"

In de Richtlijn is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

" Artikel 4

1. De Lid-Staten zien erop toe dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten indien:

(…)

b) op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van het onderzoek van het dossier overeenkomstig bijlage III, is vastgesteld dat het middel, wanneer het overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, lid 3, wordt gebruikt en rekening wordt gehouden met alle normale omstandigheden waaronder het kan worden gebruikt, en met de gevolgen van het gebruik:

(…)

v) geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de volgende aspecten:

- de plaats waar het middel in het milieu terechtkomt en wordt verspreid, met name voor wat betreft besmetting van het water,

met inbegrip van drinkwater en grondwater,

- de gevolgen voor niet-doelsoorten;

(…)

Artikel 9

1. Toelating voor een gewasbeschermingsmiddel moet door of namens degene die er verantwoordelijk voor is dat het middel voor het eerst op het grondgebied van een Lid-staat op de markt wordt gebracht, worden aangevraagd bij de bevoegde instanties van elke Lid-Staat waar het gewasbeschermingsmiddel op de markt zal worden gebracht.

(…)

Artikel 13

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 10, eisen de Lid-Staten dat de aanvrager van een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel zijn aanvraag vergezeld laat gaan van:

a) een dossier dat in het licht van de wetenschappelijke en technische kennis aan de voorschriften van bijlage III voldoet, (…)"

De artikelen 3 en 3a van de Wet luiden als volgt:

" Artikel 3

1. Een bestrijdingsmiddel wordt slechts toegelaten indien:

a. op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van onderzoek van de gegevens, bedoeld in artikel 4, tweede lid, met inachtneming van de bij of krachtens artikel 3a vastgestelde regels en beginselen voor de beoordeling, is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingsprodukten, wanneer het overeenkomstig het bepaalde

bij of krachtens deze wet wordt gebruikt:

(…)

9. geen schadelijke uitwerking heeft op het grondwater;

10. geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met:

- de plaats waar het bestrijdingsmiddel in het milieu terecht komt en wordt verspreid, met name voor wat betreft besmetting van het water, met inbegrip van drink- en grondwater en belasting van de bodem;

- de gevolgen voor niet-doelsoorten;

(…)

Artikel 3a

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de toelatingscriteria als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en kunnen beginselen voor de beoordeling worden vastgesteld.

(…)"

Ter uitvoering van artikel 3a van de Wet is het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Stb 1995, nr. 37, hierna: Bmb) vastgesteld. In het Bmb - inwerking getreden op 1 februari 1995 - zoals dit laatstelijk is gewijzigd is - voorzover hier van belang - het volgende bepaald:

" § 1. Algemene bepalingen

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing op de toelating van gewasbeschermingsmiddelen met uitzondering van:

(…)

d. op het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit toegelaten gewasbeschermingsmiddelen die dichloorpropeen, cis-dichloorpropeen of metam-natrium bevatten en waarop het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen van toepassing is.

§ 2. Persistentie in de bodem

§ 3. Uitspoeling naar het grondwater

§ 4. Risico voor waterorganismen

§ 4a. Overige milieucriteria"

In de Nota van toelichting bij het Bmb is met betrekking tot artikel 2, aanhef en onder d, van dit besluit het volgende opgemerkt:

" Ingevolge dit artikel zal de toelating voor bestrijdingsmiddelen die dichloorpropeen, cis-dichloorpropeen of metam-natrium bevatten niet worden ingetrokken voorzover deze middelen worden toegepast als natte grondontsmettingsmiddelen en als zodanig onderworpen zijn aan het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen (Stb. 1993, 225). Door de in dat besluit opgelegde beperking van de frequentie van grondontsmetting (eens in de vier jaar tot het jaar 2001 en vanaf dat moment eens in de vijf jaar) met deze middelen, wordt er vooralsnog van uitgegaan dat daarmee wordt voldaan aan de milieukwaliteitseisen. Dit zal echter worden geëvalueerd."

Artikel 13 van de Wet luidt als volgt:

" Artikel 13

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften onderscheidenlijk nadere voorschriften worden gegeven betreffende het afleveren, het voorhanden of in voorraad hebben, het vervoeren na aflevering aan de kleinhandel anders dan in een vervoeronderneming, het vervoeren door de gebruiker, en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen, alsmede omtrent het verwijderen en vernietigen van bestrijdingsmiddelen, resten van bestrijdingsmiddelen en ledige verpakkingen. Voorzover de in de vorige volzin bedoelde voorschriften het verwijderen van de daarbedoelde zelfstandig-heden betreffen kunnen zij mede betrekking hebben op de afgifte van die zelfstandigheden aan, het vervoer naar en de in ontvangstneming door personen, behorende tot een daarbij aangewezen categorie.

(…)"

Het Besluit regeluring grondontsmettingsmiddelen (Stb. 1993, nr. 25, hierna: Brg) strekt tot uitvoering van artikel 13, eerste lid, van de Wet. In het Brg zoals dit laatstelijk is gewijzigd is - voorzover hier van belang - het volgende bepaald:

" Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

grondontsmettingsmiddel: ingevolge artikel 4 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat tenminste dichloorpropeen, cis-dichloorpropeen of metam-natrium bevat;

(…)

Artikel 5

1. Indien aan het bepaalde bij of krachtens dit besluit is voldaan, verleent Onze Minister op aanvraag van de gebruiksgerechtigde ten behoeve van zijn perceel of perceelsgedeelte betreffende een grondontsmettingsmiddel een vergunning alsmede een gewaarmerkte kopie daarvan.

2. Tot 1 januari 2001 kan slechts éénmaal in een periode van vier kalenderjaren en vanaf 1 januari 2001 éénmaal in een periode van vijf kalenderjaren ten behoeve van hetzelfde perceel of perceelsgedeelte een vergunning alsmede een gewaarmerkte kopie daarvan worden verleend.

3. De periodes van vier kalenderjaren beginnen op 1 mei 1993 onderscheidenlijk 1 januari 1997 en eindigen op 31 december 1996 onderscheidenlijk 31 december 2000. De eerste periode van vijf kalenderjaren begint op 1 januari 2001. De periodes van vijf kalenderjaren beginnen en eindigen telkens op 1 januari onderscheidenlijk 31 december.

Artikel 6

1. Onze betrokken Minister kan bij ministeriële regeling voor daarbij aan te wijzen teelten, teeltwijzen, grondsoorten, inrichting of ligging van het perceel of perceelsgedeelte afwijken van artikel 5, tweede en derde lid. Onze betrokken Minister kan daarbij nadere voorwaarden stellen voor het in aanmerking komen voor een vergunning.

(…)"

In de Uitvoeringsregeling grondontsmettingsmiddelen, een ministeriële regeling, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Brg (stcrt. 1993, nr. 81), zoals deze regeling laatstelijk is gewijzigd, is voor een aantal teelten een uitzondering gemaakt op het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van het Brg.

De artikelen 4 en 5 van de Wet luiden als volgt:

" Artikel 4

(…)

2. Onze betrokken Minister stelt regelen omtrent het indienen van een aanvraag, de bij een aanvraag door de aanvrager over te leggen gegevens en zelfstandigheden, de aan de gegevens en zelfstandigheden ten grondslag liggende onderzoeksmethoden en omstandigheden en de wijze van behandeling daarvan. Daarbij kan onder meer worden bepaald:

a. dat een aanvraag eerst in behandeling wordt genomen nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan;

b. in welke gevallen een aanvraag voor een toelating niet in behandeling wordt genomen.

3. Bij de regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden het overleggen van gevraagde gegevens achterwege kan blijven.

(…)

Artikel 5

1. De toelating van een bestrijdingsmiddel geldt voor een in het besluit tot toelating te bepalen termijn van ten hoogste tien jaren. De toelating kan één of meerdere malen met ten hoogste tien jaren worden verlengd indien is gebleken dat nog steeds aan de voorwaarden voor toelating is voldaan. Zonodig kan de toelating worden verlengd voor de periode die met de beoordeling van de aanvraag tot verlenging gemoeid is.

(…)"

De Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 (Stcrt. 1995, nr. 41, hierna: Rtb 1995) strekt tot uitvoering van onder meer artikel 4, tweede lid, van de Wet. In deze regeling, zoals deze laatstelijk is gewijzigd, is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

" Artikel 7

1. Aanvragen tot toelating van een bestrijdingsmiddel, tot verlenging van de toelating van een bestrijdingsmiddel en tot wijziging van de samenstelling of uitbreiding van het gebruiksgebied van een toegelaten bestrijdingsmiddel worden ingediend bij het college onder gebruikmaking van aldaar verkrijgbare formulieren.

(…)

3. Een aanvraag tot verlenging van een toelating wordt tenminste 14 maanden voor de afloop van de toelating ingediend, met dien verstande dat, indien het een aanvraag betreft om verlenging van een toelating als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van de wet, de aanvraag ten minste tien maanden voor de afloop van de toelating wordt ingediend.

4. Binnen twee weken na ontvangst van het aanvraagformulier wordt de ontvangst van de aanvraag onder mededeling van een aanvraagnummer aan de aanvrager schriftelijk bevestigd. Binnen acht weken na de ontvangst van zowel het aanvraagformulier als de op grond van het tweede lid verschuldigde aanvraagkosten wordt de aanvrager meegedeeld of de aanvraag in behandeling is genomen (…).

5. Het college kan indien de behandeling van een aanvraag tot verlenging van een toelating niet tijdig kan zijn afgerond de betreffende toelating verlengen voor de duur die benodigd is voor de afronding van deze behandeling.

(…)

§ 4. dossiervereisten

Artikel 18

1. Bij indiening van een aanvraag als bedoeld in de artikelen 7 en 16, die betrekking heeft op een gewasbeschermingsmiddel (…), worden de gegevens, bedoeld in de bijlage II en III van de richtlijn, overgelegd overeenkomstig de in het aanvraagformulier en de bijbehorende instructie neergelegde eisen,

met dien verstande dat indien aan deze bijlagen nog geen nadere invulling is gegeven, voor de onderdelen die het betreft de daarmee corresponderende gegevens uit het in het tweede lid bedoelde aanvraagformulier worden overgelegd overeenkomstig dat formulier en de bijbehorende instructie.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden met betrekking tot

gewasbeschermingsmiddelen bevattende uitsluitend werkzame stoffen die reeds voor 26 juli 1993 werden afgeleverd en die niet bij de in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de wet bedoelde communautaire maatregel zijn aangewezen, bij de indiening van een aanvraag de gegevens overgelegd zoals aangegeven in het op deze gewasbeschermingsmiddelen van toepassing zijnde aanvraagformulier en de bijbehorende instructie.

(…)

Artikel 24

Een aanvrager kan het overleggen van gegevens die strekken tot beantwoording van een of meer vragen van het aanvraagformulier dan wel gegevens die strekken tot het beantwoorden van op grond van artikel 10 gestelde vragen achterwege laten voorzover:

a. het openbare gegevens betreft, of

b. de gegevens door een ander zijn overgelegd en deze schriftelijk heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen gebruikmaking van de gegevens ten behoeve van de aanvrager, of

c. de gegevens door een ander in het kader van een aanvraag tot toelating zijn overgelegd en meer dan tien jaren zijn verstreken sinds de toelating van het middel waarop de aanvraag van laatstgenoemde betrekking had, of

d. de gegevens door een ander in het kader van een aanvraag tot verlenging of wijziging van een toelating zijn overgelegd en meer dan vijf jaren zijn verstreken sinds de verlenging of wijziging van die toelating, of

e. het gegevens betreft die door een ander in het kader van een aanvraag tot toelating dan wel ten behoeve van een verlenging of wijziging van een toelating voor 5 februari 1994 zijn overgelegd."

In de toelichting bij artikel 7, vijfde lid, van de Rtb 1995 is vermeld dat indiening van een aanvraag tot verlenging van een toelating na het in het derde lid genoemde tijdvak van 14 maanden tot gevolg kan hebben dat de toelating expireert voordat de besluitvorming op de verlengingsaanvraag is afgerond. Indien in zo'n geval de besluitvorming niet tijdig kan zijn afgerond en dit niet aan nalatigheid van de aanvrager is te wijten (bijvoorbeeld omdat het college aanvullende vragen stelt) zal het college de toelating verlengen voor de duur die benodigd is voor de afronding van de besluitvorming, aldus deze toelichting.

Besluiten tot verlenging van een toelating die zijn genomen met toepassing van artikel 5, eerste lid, derde volzin van de Bmw, gelezen in samenhang met artikel 7, vijfde lid, van de Rtb 1995, zijn in het navolgende aangeduid als "procedurele verlengingen".

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningen-rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Met het oog op de einddatum van de werkzame stof metam-natrium, 1 december 1999, zijn aanvankelijk de toelatingen die het voorwerp zijn van het voorliggende verzoek in verband met een volledige herbeoordeling van de betreffende middelen tot genoemde datum verlengd.

- In de periode van 11 augustus 1998 tot 18 november 1998 hebben de toelating-houders van metam-natrium houdende middelen aanvragen tot verlenging van de betreffende toelatingen ingediend.

- Bij besluiten van 24 september 1999 heeft verweerders rechtsvoorganger, de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij die toelatingen in verband met de afronding van de beoordeling procedureel verlengd tot 1 september 2000. In bijlage I bij het besluit met betrekking tot het middel UCB-metam is onder meer het volgende overwogen:

" (…)

Conform Art. 2 sub d van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen is het Bmb niet van toepassing op de op het tijdstip van inwerkingtreding van het Bmb toegelaten gewasbeschermingsmiddelen die metam-natrium bevatten en waarop het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen van toepassing is.

Gezien het feit dat geen ander toetsingskader beschikbaar is heeft toetsing nu toch plaatsgevonden aan Bmb met inachtneming van hetgeen gesteld is in het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen aangaande de toepassingsfrequentie (per perceel mag een grondontsmettingsmiddel tot het jaar 2001 eens in de vier jaar gebruikt worden).

Bovendien staat in de toelichting op artikel 2 van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen het volgende: "Door de in het besluit (regulering grondontsmettingsmiddelen) opgelegde beperking van de frequentie van grondontsmetting…. met deze middelen, wordt er vooralsnog van uitgegaan dat er daarmee wordt voldaan aan de milieukwaliteitseisen. Dit zal echter worden geëvalueerd.".

In het kader van de bovengenoemde evaluatie heeft de Stuurgroep Bestrijdingsmiddelenbeleid het College ook verzocht nader te bekijken of de onderhavige toelatingen voldoen aan de normen van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen.

(…)

Conclusie m.b.t. milieu

Geconcludeerd kan worden dat:

(…)

13. alle onderhavige toepassingen op basis van metam-natrium vooralsnog niet voldoen aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB). Er dient een adequate risico-evaluatie te worden geleverd die aantoont dat er, onder veldomstandigheden, geen onaanvaardbare effecten op de microbiële activiteit zijn na toepassing van het gewasbeschermingsmiddel volgens de voorgestelde gebruiksaanwijzing, rekening houdend met het voortplantingsvermogen van de micro-organismen."

Naar aanleiding van een door verzoeksters tegen de besluiten van 24 september 1999 ingediend bezwaarschrift, heeft verweerder bij besluiten van 29 juni 2000 als volgt besloten:

" 1. Het bezwaar van appellanten [verzoeksters] dat er geen omstandigheden zijn die, gezien de voorgeschiedenis, een besluit tot procedurele verlenging rechtvaardigen, wordt gegrond verklaard. Er had geen besluit tot procedurele verlenging mogen worden genomen, nu het feit dat de beoordeling niet was afgerond op 1 september 1999, aan de aanvragers is te wijten.

Gezien deze conclusie komt het CTB niet toe aan de overige door appellanten ingediende bezwaren.

De toelating van bestrijdingsmiddelen op basis van metam-natrium wordt gelet op het vorenstaande per 1 juli 2000 beëindigd.

2. Voor de periode van 1 juli 2000 tot 1 januari 2001 mag het middel nog worden gebruikt en ten behoeve van het gebruiken voorhanden of in voorraad worden gehouden.

(…)"

Bij wijzigingsbesluit van 28 juli 2000 is daaraan nog een aflevertermijn als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, juncto artikel 1, eerste lid, onder i van de Wet verbonden, eveneens tot 1 januari 2001.

- Tegen de besluiten van 29 juni 2000 hebben de betrokken toelatinghouders, met uitzondering van de toelatinghouder van het middel Trimaton GC (Cerexagri B.V.), beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Deze beroepen zijn ter griffie ingenomen onder nummers AWB 00/560, 00/611 en 00/613 en zijn thans nog aanhangig.

- Bij besluiten van 22 december 2000 heeft verweerder afwijzend beslist op de in de periode van 11 augustus tot 18 november 1998 ingediende, op metam-natrium houdende middelen betrekking hebbende verlengingsaanvragen. In bijlage I bij het besluit betreffende het middel UCB-metam is onder meer het volgende overwogen:

" CONFORM ART. 2 SUB D VAN HET BESLUIT MILIEUTOELATINGSEISEN BESTRIJDINGSMIDDELEN IS HET BMB NIET VAN TOEPASSING OP DE OP HET TIJDSTIP VAN INWERKINGTREDING VAN HET BMB TOEGELATEN GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN DIE METAM-NATRIUM BEVATTEN EN WAAROP HET BESLUIT REGULERING GRONDONTSMETTINGSMIDDELEN VAN TOEPASSING IS.

GEZIEN HET FEIT DAT GEEN ANDER TOETSINGSKADER BESCHIKBAAR IS, HEEFT TOETSING NU TOCH PLAATSGEVONDEN AAN BMB MET INACHTNEMING VAN HETGEEN GESTELD IS IN HET BESLUIT REGULERING GRONDONTSMETTINGSMIDDELEN AANGAANDE DE TOEPASSINGSFREQUENTIE (PER PERCEEL MAG EEN GRONDONTSMETTINGSMIDDEL TOT HET JAAR 2001 EENS IN DE VIER JAAR GEBRUIKT WORDEN).

(…)

CONCLUSIE M.B.T HET MILIEU

GECONCLUDEERD KAN WORDEN DAT:

(…)

13. DEZE TOEPASSINGEN OP BASIS VAN METAM-NATRIUM OP GROND VAN DE HUIDIGE GEGEVENS NIET VOLDOEN AAN DE NORM VOOR BODEMMICRO-ORGANISMEN ZOALS OPGENOMEN IN DE UNIFORME BEGINSELEN (UB). ER DIENT EEN ADEQUATE RISICOEVALUATIE TE WORDEN GELEVERD DIE AANTOONT DAT ER ONDER VELDOMSTANDIGHEDEN, GEEN ONAANVAARDBARE EFFECTEN OP DE MICROBIËLE ACTIVITEIT ZIJN NA TOEPASSING VAN HET GEWASBESCHERMINGSMIDDEL VOLGENS DE VOORGESTELDE GEBRUIKSAANWIJZING, REKENING HOUDEND MET HET VOORTPLANTINGSVERMOGEN VAN DE MICRO-ORGANISMEN."

De betrokken toelatinghouders, met uitzondering van de toelatinghouder van het middel Trimaton GC, hebben tegen de besluiten van 22 december 2000 een bezwaarschrift ingediend. Tevens hebben de toelatinghouders de president van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen, welk verzoek de president bij uitspraak van 15 maart 2001, nummers AWB 01/81 tot en met 01/83, heeft afgewezen. De hieraan ten grondslag liggende overwegingen luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

" (…)

Verweerders besluiten van 22 december 2000 strekken tot weigering van de verdere verlenging van de toelating van de drie in rubriek 1 genoemde bestrijdingsmiddelen op basis van metam-natrium in verband met het bepaalde bij de artikelen 3 en 3a van de Wet. Bij zijn besluit van 29 juni 2000 waarbij hij de bezwaren van de Zuid-Hollandse Milieufederatie en de Stichting Natuur en Milieu gegrond had verklaard, had verweerder echter reeds op grond van deze bepalingen een einde gemaakt aan de toelatingen en wel per 1 juli 2000. Met deze inhoudelijke beslissing was een einde gekomen aan de aanvankelijk tot

1 september 2000 op grond van artikel 5, van de Wet, juncto artikel 7, lid 5, Rtb 1995, door verweerder gegeven procedurele verlengingen. Verweerders

- eveneens inhoudelijke - besluiten van 22 december 2000, inhoudende de weigering tot verdere verlenging van reeds beëindigde toelatingen, zijn dus in feite zonder voorwerp.

Voorshands zijn, gelet hierop, de belangen van verzoeksters gelegen in het tegen het besluit van 29 juni 2000 ingestelde beroep, dat nog bij het College aanhangig is en niet bij de door hen ingediende bezwaren tegen verweerders, naar het voorkomt, in wezen overbodige besluiten van 22 december 2000, waarop het voorliggende verzoek om voorziening betrekking heeft.

(…)"

- Bij besluiten van 25 mei 2001 en 22 juni 2001 heeft verweerder als volgt op de bezwaarschriften van de toelatinghouders tegen de besluiten van 22 december 2000 beslist:

" 1. De aanvragen tot verlenging van de toelating van de middelen (…) per 1 juli 2000 worden aangemerkt als aanvragen om een nieuwe toelating;

2. Het bezwaar van appellante inzake de bodemmicro-organismen wordt ongegrond verklaard;

(…)"

Tegen de besluiten van 25 mei 2001 en 22 juni 2001 hebben de betrokken toelatinghouders beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Deze beroepen zijn ter griffie ingenomen onder nummers AWB 01/475, 01/477 en 01/479 en zijn thans nog aanhangig. Tevens hebben de toelatinghouders bij een op 21 juni 2001 ter griffie ingekomen verzoekschrift aan de president van het College verzocht ten aanzien van de besluiten van 25 mei 2001 een voorlopige voorziening te treffen, welk verzoek de president bij uitspraak van 14 augustus 2001, nummers 01/476, 01/478 en 01/489, heeft afgewezen. De hieraan ten grondslag liggende overwegingen luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

" (…)

De president stelt vast dat verweerder de door verzoeksters in de periode van 11 augustus 1998 tot 18 november 1998 ingediende verlengingsaanvragen bij het bestreden besluit heeft geconverteerd in nieuwe aanvragen en dat verzoeksters uitdrukkelijk bezwaar hebben tegen deze gang van zaken. Verzoeksters hebben met name bezwaar tegen deze conversie omdat aldus het regime voor verlenging als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet, niet van toepassing is op de besluiten van 22 december 2000.

Nu verlengingsaanvragen naar het voorlopige oordeel van de president in ieder geval niet tegen de wil van de toelatinghouders kunnen worden geconverteerd in nieuwe aanvragen, had verweerder in het onderhavige geval niet tot een zodanige conversie kunnen overgaan. Dit betekent dat het bestreden besluit feitelijk niet meer inhoudt dan de ongegrondverklaring van het bezwaar van verzoeksters tegen de besluiten van 22 december 2000 waarbij afwijzend is op de verlengingsaanvragen van verzoeksters.

Hiervan uitgaande komen de onderhavige verzoeken om voorlopige voorziening op grond van dezelfde overwegingen als over de verlenging vermeld in de uitspraak van 15 maart 2001 niet voor toewijzing in aanmerking. (…)"

- Bij een eveneens op 21 juni 2001 ter griffie ingekomen verzoekschrift hebben de betrokken toelatinghouders aan de president van het College verzocht ten aanzien van de besluiten van 29 juni 2000 een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van deze besluiten, onder de bepaling dat de onderhavige, metam-natrium houdende middelen worden behandeld als waren zij toegelaten. De president heeft dit verzoek bij uitspraak van 14 augustus 2001, nummers AWB 01/472 tot en met 01/474, afgewezen, waartoe, voorzover hier van belang, het volgende is overwogen:

" (…)

4.2. Met hun uiteindelijke verzoek trachten verzoeksters te bewerkstelligen dat de beëindiging van de toelatingen van de onderhavige bestrijdingsmiddelen geacht moet worden ongedaan te zijn gemaakt zodat deze toelatingen alsnog voor een in het verleden gelegen periode als het ware procedureel worden verlengd, met als gevolg dat in aansluiting hierop wederom een procedurele verlenging mogelijk is en dat ook met het oog hierop een voorlopige voorziening kan worden getroffen. Hiermede wordt gevraagd bij voorlopige voorziening, in het heden het regime dat in het verleden op de onderhavige middelen van toepassing is geweest, zodanig te wijzigen dat aangenomen wordt dat op het moment dat werd beslist op de verlengingsaanvragen van 1998 sprake was van nog vigerende toelatingen.

4.3 De president is van oordeel dat het treffen van een dergelijke voorziening het toepassingsbereik van de voorlopige voorziening te buiten gaat. Een voorlopige voorziening strekt zich naar zijn aard slechts uit over de toekomst en niet, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, over een rechtstoestand die in het verleden heeft gespeeld.

4.4 Van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld is de president niet gebleken. Dat verzoeksters er wellicht belang bij hebben dat het regime uit het verleden zodanig wordt gewijzigd, dat op het moment waarop op de verlengingsaanvragen werd beslist sprake was van doorlopende, procedureel te verlengen toelatingen, is in dit geval, gezien het ruime tijdsverloop tussen dat moment en het moment van indiening van het verzoek om voorlopige voorziening, niet aan te merken als een omstandigheid die het treffen van een voorlopige voorziening voor een in het verleden gelegen periode rechtvaardigt.

(…)"

- Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen ten aanzien waarvan thans het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan.

3. De besluiten ten aanzien waarvan een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan

In bijlage II bij het besluit van 22 maart 2002 betreffende het middel UCB-metam is, voorzover hier van belang, het volgende overwogen:

" (…)

In Collegevergadering C-119 d.d. 13 maart 2002 is als volgt besloten

Cis-dichloorpropeen

De aanvragen tot verlenging van de toelatingen van de bestrijdingsmiddelen TELONE-CIS en NEMATRAP waren niet in behandeling genomen omdat een betrouwbare veldstudie naar de effecten van cis-dichloorpropeen op regenwormen en nitrificatie met speciale aandacht voor herstel niet is geleverd (Collegebesluit 16 augustus 2001).

Blijkens artikel 2, aanhef en onder d, van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen is dit besluit van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen met uitzondering van bestrijdingsmiddelen die dichloorpropeen, cis-dichloorpropeen of metam-natrium bevatten; én

op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit toegelaten zijn; én waarop het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen van toepassing is.

Die situatie doet zich voor in de onderhavige zaak. Voor TELONE-CIS en NEMATRAP betekent dit dat niet getoetst kan worden aan het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen.

In de toelichting bij dit artikel staat hierover het volgende vermeld: De toelating van deze bestrijdingsmiddelen zal niet worden ingetrokken voorzover deze middelen worden toegepast als natte grondontsmettingsmiddelen en als zodanig onderworpen zijn aan het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen (stb. 1993, 225). Door de in dit besluit opgelegde beperking van de frequentie van grondontsmetting (eens in de vier jaar tot en met het jaar 2001 en vanaf dat moment eens in de vijf jaar) met deze middelen, wordt er vooralsnog van uitgegaan dat daarmee wordt voldaan aan de milieukwaliteitseisen. Dat zal echter worden geëvalueerd.

Middelen op basis van deze stoffen zijn alleen op recept verkrijgbaar. De regeling is niet ingetrokken.

Dit betekent dat de gevraagde veldstudie (gevraagd in het kader van artikel 7a van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen) niet geleverd hoeft te worden.

(…)

Besluitvorming metam-natrium

Het betreft hier de volgende middelen: het originele middel UCB METAM (19980801 TV) en drie afgeleide toelatingen: BASF MONAM CONC.(19980791 TVA), LUXAN MONAM GECONCEN.(19980944 TVA), en TRIMATON GC.(18980799 TVA).

Naar aanleiding van C-107.3.10 (maart 2001) heeft het College als volgt besloten.

Het College herziet zijn standpunt met betrekking tot de aanvragen tot toelating van de middelen op basis van metam-natrium op het aspect risico toepasser.

o Er is vastgesteld dat toepassingen van middelen op basis van metam-natrium indien toegepast volgens het WG/GA:

de gezondheid niet schaden of de veiligheid niet in gevaar brengen van degene die het middel toepast (art. 3, eerste lid, Bestrijdingsmiddelenwet 1962).

Het vorenstaande neemt niet weg dat:

o Niet is vastgesteld dat toepassingen van middelen op basis van metam-natrium indien toegepast volgens het WG/GA:

geen voor het milieu onaanvaardbaar effect hebben.

Het CTB besluit betreft een bekrachtiging van een eerder ingenomen standpunt.

(n.b. dit standpunt is vermeld in C104.3.6: Alle onderhavige toepassingen op basis van metam-natrium voldoen vooralsnog niet aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB). Er dient een adequate risico-evaluatie te worden geleverd die aantoont dat er, onder veldomstandigheden, geen onaanvaardbare effecten op de microbiële activiteit zijn na toepassing van het gewasbeschermingsmiddel volgens de voorgestelde gebruiksaanwijzing, rekening houdend met het voortplantingsvermogen van de micro-organismen

(…)

Bovenstaande betekende dat de aanvraag tot toelating voor de middelen op basis van metam-natrium (UCB METAM, 9635 N en de afgeleide toelatingen) werd afgewezen. Deze afwijzing was uitsluitend gebaseerd op het ontbreken van een adequate risico-evaluatie die aantoont dat er, onder veldomstandigheden, geen onaanvaardbare effecten op de microbiële activiteit zijn na toepassing van het gewasbeschermingsmiddel volgens de voorgestelde gebruiksaanwijzing, rekening houdend met het voortplantingsvermogen van de micro-organismen.

Oplossing

Zoals in C-118.8.a aangegeven vallen ook middelen op basis van metam-natrium niet onder het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen. De toelating van de middelen op basis van metam-natrium is derhalve ten onrechte beëindigd wegens het ontbreken van een adequate risico-evaluatie.

Besloten wordt het middel UCB METAM (en de afgeleide toelatingen) op basis van metam-natrium met onmiddellijke ingang opnieuw toe te laten.

Metam-natrium behoort tot de werkzame stoffen die in de 3e fase behandeld worden (EU-planning 91/414/EG). Voor deze werkzame stof is genotificeerd.

Als nieuwe einddatum voor metam-natrium wordt 1 april 2007 vastgesteld.

Besluit

o Het College besluit om het besluit tot afwijzing van de verlengingsaanvraag voor UCB METAM -19980801 TV- van 22 december 2000 te herroepen.

o Het College besluit de toelating van het bestrijdingsmiddel UCB METAM met onmiddellijke ingang opnieuw toe te laten op grond van art. 3 en 3 a Bestrijdingsmiddelenwet.

o Als (nieuwe) einddatum voor metam-natrium wordt 1 april 2007 vastgesteld.

(…)"

4. Het standpunt van verzoeksters

Verzoeksters hebben, samengevat weergegeven en voorzover hier van belang, het volgende aangevoerd.

Het aanvraagdossier is incompleet en alleen al om die reden had verweerder de toelating van metam-natrium houdende middelen moeten weigeren. Reeds in 1995 ontbraken vele noodzakelijke gegevens om een toetsing te kunnen uitvoeren aan artikel 3 van de Wet en ook thans ontbreken nog steeds een groot aantal gegevens.

Uit de uitspraak van het College van 28 januari 1998, nr. 95/0995/060/029, gepubliceerd in AB 1998/111 en in M en R 1998, nr. 4 (inzake chloorthalonil-houdende middelen), volgt onder meer dat aanvragen tot (verlenging van een) toelating moeten worden beoordeeld aan de hand van artikel 3 van de Wet, in samenhang gelezen met de artikelen 5 tot en met 7a van het Bmb en dat (verlenging van de) toelating slechts kan plaatsvinden, indien op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis is vastgesteld dat het middel geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft.

Gelet op de toelichting op artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb wordt ervan uitgegaan dat moet worden voldaan aan milieukwaliteitseisen. Verweerder heeft altijd de lijn gevolgd dat toetsing aan deze eisen inhoudt dat wordt getoetst aan de artikelen 5, 6, 7 en 7a van het Bmb. Voorzover evengenoemde bepaling beoogt de toetsing aan milieucriteria te vervangen door een hoeveelheidsregulering, zoals opgenomen in het Brg, is dat in strijd met de systematiek van de artikelen 3 en 3a van de Wet. Immers, te allen tijde dient een toetsing aan de milieucriteria plaats te vinden. Dit volgt uit de uitspraak van de president van het College van 11 mei 1999, nr. AWB 99/412, gepubliceerd in AB 1999/331 en in M en R 1999, nr. 7/8 (inzake dichloorvos-houdende middelen).

Er is geen wetenschappelijke consensus over de periode waarbinnen volledig herstel van de bodem optreedt. Er zal wel enig herstel plaatsvinden, doch ook na vijf jaar zal het ecosysteem niet volledig zijn hersteld.

5. Het standpunt van de toelatinghouders

De toelatinghouders hebben, samengevat weergegeven en voorzover hier van belang, het volgende betoogd.

Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2002, nummers AWB 01/569 en 01/570, volgt dat artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb niet onverbindend is. De consequentie hiervan is dat verweerder aan de hand van een dossier, dat voldoet aan de eisen van de Rtb 1995, op grond van de open norm van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet moet toetsen of sprake is van een voor het milieu onaanvaardbaar effect.

Het wegvallen van het Bmb heeft tot gevolg dat verweerder zich niet kan beroepen op de in dat besluit neergelegde criteria en getalsmatige normen, doch zal moeten motiveren waarom bepaalde effecten onder de gegeven omstandigheden als onaanvaardbaar moeten worden aangemerkt.

Voor metam-natrium houdende middelen zijn volledige dossiers ingediend - óók met betrekking tot de beoordeling van de effecten op bodemmicro-organismen - aan de hand waarvan verweerder had kunnen toetsen of wordt voldaan aan de eisen van artikel 3 van de Wet. De door de toelatinghouders geleverde informatie is voldoende om tot een positief oordeel te komen. De toelatinghouders verzoeken om het verzoek om schorsing af te wijzen.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van die beslissing beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

6.2 De voorzieningenrechter stelt in de eerste plaats vast, zoals de president ook heeft overwogen in zijn in rubriek 2.2 ten dele weergegeven uitspraak van 15 maart 2001, naar welke overwegingen de president heeft verwezen in zijn eveneens in rubriek 2.2 ten dele weergegeven uitspraak van 14 augustus 2001, nummers AWB 01/476, 01/478 en 01/480, dat de door verweerder bij zijn aangevochten besluiten van 22 maart 2002 herroepen besluiten van 22 december 2000 in feite zonder voorwerp zijn, aangezien verweerder de toelatingen van metam-natrium houdende middelen reeds bij besluiten van 29 juni 2000 had beëindigd. De voorzieningenrechter gaat er dan ook voorshands vanuit dat verweerder bij zijn besluiten van 22 maart 2002 kennelijk heeft beoogd zijn besluiten van 29 juni 2000 te herroepen, zodat sprake zou zijn van procedureel verlengde toelatingen, die aansluitend regulier, dat wil zeggen met toepassing van artikel 5, eerste lid, tweede volzin, van de Wet, kunnen worden verlengd.

6.3 Aldus dient in de eerste plaats te worden beoordeeld of verweerder bevoegd moet worden geacht om zijn besluiten van 29 juni 2000 te herroepen hangende de tegen die besluiten door de toelatinghouders ingestelde beroepen, op de grond dat metam-natrium houdende middelen op grond van artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb niet onder het Bmb vallen en dat dit meebrengt dat de toelatingen van die middelen destijds ten onrechte zijn beëindigd wegens het ontbreken van een veldstudie. Voorts is aan de orde of verweerder zodanige bevoegdheid ook toekomt indien een toelatinghouder tegen het besluit van

29 juni 2000 niet in beroep is gegaan. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

6.3.1 Bij uitspraak van 27 maart 2002, nummer AWB 02/235 (op internet te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer AE0780), heeft de voorzieningenrechter als zijn voorlopig oordeel uitgesproken dat verweerder in dat geval in beginsel bevoegd was zijn eerdere besluiten tot - onder meer - beëindiging van toelatingen, hangende - en naar aanleiding van - daartegen door de toelatinghouders ingediende bezwaren, in te trekken en te vervangen door nieuwe besluiten, maar dat van die bevoegdheid slechts gebruik kon worden gemaakt, indien de ingebrachte bezwaren, naar aanleiding waarvan verweerder tot intrekking en vervanging van de aangevochten besluiten was overgegaan, nieuwe, voldoende overtuigende feiten of omstandigheden bevatten.

6.3.2 De voorzieningenrechter stelt vast dat in het onderhavige geval - ervan uitgaande dat verweerder bij de besluiten van 22 maart 2002 zijn besluiten van 29 juni 2000 heeft herroepen - eenzelfde casus voorligt als in de hiervoor genoemde uitspraak van 27 maart 2002, met dit verschil dat verweerder evenbedoelde besluiten niet naar aanleiding van de daartegen in beroep ingebrachte grieven heeft herroepen, doch op basis van eigen argumentatie. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat verweerder ook in het onderhavige geval in beginsel bevoegd moet worden geacht zijn besluiten van 29 juni 2000 te herroepen, zij het dat in dit geval van die bevoegdheid slechts gebruik kan worden gemaakt indien de "herroepingsgronden" nieuwe, voldoende overtuigende feiten of omstandigheden bevatten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze bevoegdheid in geval van eigen argumentatie ook aanwezig moet worden geacht indien een toelatinghouder geen beroep tegen het desbetreffende besluit heeft ingediend.

6.4 Vervolgens behoeft beantwoording de vraag of in verweerders in punt 6.3 geduide "herroepingsgronden" feiten en omstandigheden besloten liggen als hiervoor bedoeld. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 28 mei 2002, nummers AWB 02/569 en 02/570 (op internet te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer AE3388), beantwoordt de voorzieningenrechter deze vraag ontkennend. Die uitspraak luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" (…)

6.2.1 In de considerans van de Richtlijn is tot uitdrukking gebracht dat, uit oogpunt van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu, voor iedere toelating van een gewasbeschermingsmiddel de risico's daarvan voor de gezondheid, het grondwater en het milieu op adequate wijze moeten worden onderzocht. Aan de hand van een door de toelatinghouder ingediend dossier, dat met de daaraan gestelde communautaire eisen overeenstemt, zal dan ook moeten worden nagegaan, zo blijkt voorts uit de considerans, of het betrokken middel bij een voor het beoogde doel juiste toepassing geen onaanvaardbaar nadelige uitwerking heeft op het milieu in het algemeen en in het bijzonder geen schadelijke gevolgen heeft voor de gezondheid van mens of dier of voor het grondwater.

De desbetreffende overwegingen van de considerans hebben hun neerslag gevonden in onder meer de artikelen 4 en 13 van de Richtlijn. In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, sub v, van de Richtlijn is bepaald dat de lidstaten erop moeten toezien dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten indien op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van onderzoek aan de hand van het dossier overeenkomstig bijlage III is vastgesteld dat het middel, wanneer het overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, derde lid, van de Richtlijn wordt gebruikt en rekening wordt gehouden met alle omstandigheden waaronder het kan worden gebruikt, en met de gevolgen van het gebruik, geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft. Wat betreft de ten behoeve van dat onderzoek te verstrekken gegevens, schrijft artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn voor dat de lidstaten van de aanvrager van een toelating eisen dat een dossier wordt geleverd dat voldoet aan de voorschriften van bijlage III.

Hieruit valt, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, af te leiden dat in de systematiek van de Richtlijn voor ieder gewasbeschermingsmiddel waarvoor toelating wordt gevraagd een dossier dient te worden geleverd dat voldoet aan de voorschriften van bijlage III bij de Richtlijn en aan de hand waarvan na onderzoek moet kunnen worden vastgesteld dat het middel in kwestie geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft. Uitzonderingen hierop, in die zin dat in gevallen als het onderhavige het onderzoek naar onaanvaardbare milieueffecten uiteindelijk geheel achterwege kan blijven en dat in verband daarmee de voor dat onderzoek benodigde gegevens niet behoeven te worden geleverd, heeft de voorzieningenrechter in de Richtlijn en overige communautaire regelgeving niet kunnen vinden.

6.2.2 Voorshands moet worden aangenomen dat het "toelatingssysteem" van de Richtlijn, voorzover hier relevant, is geïmplementeerd in de Wet juncto het Bmb en de Rtb 1995. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, sub 10, van de Wet is immers bepaald dat een bestrijdingsmiddel slechts wordt toegelaten, indien op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van onderzoek van de gegevens, bedoeld in artikel 4, tweede lid, met inachtneming van de bij of krachtens artikel 3a vastgestelde regels en beginselen voor de beoordeling, is vastgesteld dat het bestrijdings-middel en zijn omzettingsproducten, wanneer het overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt gebruikt, geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft. Het ingevolge artikel 3a van de Wet vastgestelde Bmb bevat regels/criteria voor de in artikel 3 van de Wet voorgeschreven beoordeling. In de krachtens artikel 4, tweede lid, van de Wet vastgestelde Rtb 1995 is onder meer geregeld welke gegevens de aanvrager van een (verlenging van een) toelating moet verstrekken.

6.2.3 Op zichzelf staat het hiervoor geschetste toelatingssysteem, zoals dat in het licht van de Richtlijn moet worden begrepen, er, naar voorlopig oordeel, niet aan in de weg dat een bepaalde categorie bestrijdingsmiddelen, waarop het Brg van toepassing is, ingevolge het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder d, van het, van de werking van het Bmb is uitgesloten. Deze uitsluiting heeft immers op zichzelf niet tot gevolg dat het in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, sub 10, van de Wet neergelegde toelatingscriterium niet meer, dan wel niet ten volle op de betreffende bestrijdingsmiddelen van toepassing is. Voorshands vermag de voorzieningenrechter dan ook niet in te zien dat artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb niet een nadere regel, als bedoeld in artikel 3a van de Wet, zou kunnen zijn. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter verschilt die Bmb-bepaling in zoverre van de Bmb-(overgangs)bepalingen die door het College, respectievelijk de president van het College onverbindend c.q. onmiskenbaar onverbindend werden geoordeeld bij de door partijen genoemde uitspraken van 28 januari 1998, respectievelijk 11 mei 1999.

6.2.4 Het in punt 6.2.3 overwogene laat evenwel onverlet dat ook indien het gaat om de (verlenging van de, en dus nieuwe) toelating van bestrijdingsmiddelen, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb, aan de hand van onderzoek van individuele, op de afzonderlijke middelen toegesneden - al dan niet met toepassing van artikel 24 van de Rtb 1995 gevulde - dossiers moet kunnen worden vastgesteld dat het middel in kwestie geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft.

6.2.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat die milieutoets in het onderhavige geval, waarin het gaat om verlenging van de toelating van (grondontsmettings)middelen, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb, niet heeft plaatsgevonden. Aan verweerders besluiten is immers slechts ten grondslag gelegd de aanname, die besloten ligt in de toelichting op artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb, dat, gelet op de in het Brg geregelde beperking van de gebruiksfrequentie van de onderhavige grondontsmettings-middelen, aan de milieucriteria wordt voldaan. Geplaatst tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene moet derhalve evenwel voorshands worden geoordeeld dat toetsing aan - verder niet gespecificeerde - milieucriteria bij wege van een aanname, zoals die hier is geformuleerd en gepresenteerd, zich niet verdraagt met het toelatingssysteem, zoals dat door de Richtlijn wordt voorgeschreven en door middel van de bepalingen in de Wet is geïmplementeerd. Nu voorts noch op grond van tekst van en toelichting bij het Bmb en het Brg noch anderszins is kunnen blijken dat deze aanname voldoende omlijnd en hetzij evident juist is, hetzij op basis van gegevens, als bedoeld in artikel 24 van de Rtb 1995, als juist kan worden beschouwd, verbindt de voorzieningenrechter aan één en ander de, voorlopige, conclusie dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, sub 10, in samenhang gelezen met artikel 5 van de Wet.

(…)"

De voorzieningenrechter stelt vast dat in het onderhavige geval de in punt 6.2.4 van de uitspraak van 28 mei 2002 bedoelde milieutoets evenmin, althans niet ten volle heeft plaatsgevonden. Immers, zoals is verwoord in het door verweerder overgelegde vergaderstuk nr. C-107.3.10 d.d. 1 maart 2001, verweerder heeft niet vastgesteld dat toepassingen van middelen op basis van metam-natrium, indien toegepast volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift c.q. de gebruiksaanwijzing, geen voor het milieu onaanvaardbaar effect hebben. Reeds om die reden kunnen de gronden voor herroeping van de besluiten van 29 juni 2000 geen feiten en omstandigheden bevatten als hiervoor bedoeld.

6.5 Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het in punt 6.4 overwogene dat verweerder in het onderhavige geval geen gebruik kan maken van zijn in beginsel toekomende bevoegdheid om de besluiten van 29 juni 2000 te herroepen. Op grond hiervan en in aanmerking genomen dat bij die besluiten de toelatingen van metam-natrium houdende middelen per 1 juli 2000 zijn beëindigd, zijn de door verzoeksters aangevochten besluiten van 22 maart 2002, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, genomen in strijd met artikel 5, eerste lid, tweede volzin, van de Wet.

6.6 Gelet op het vorenoverwogene moet waarschijnlijk worden geacht dat de besluiten van 22 maart 2002, zo deze bij beslissing op bezwaar worden gehandhaafd, door het College, oordelend in beroep niet in stand zullen worden gelaten. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, in die zin dat de in rubriek 1 geduide besluiten van 22 maart 2002 worden geschorst, onder de in rubriek 7 gegeven bepalingen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de producenten en hun afnemers een korte periode te laten om in te kunnen spelen op de gevolgen van het hier voor toewijzing gereed liggende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst de besluiten van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen van 22 maart 2002;

- bepaalt dat de middelen UCB-metam (toelatingsnummer: 9635 N), Luxan Monam Geconc. (toelatingsnummer:6443 N), BASF Monam conc. (toelatingsnummer: 6321 N) en Trimaton GC (toelatingsnummer: 6630 N) worden behandeld als waren de toelatingen daarvan niet verlengd;

- bepaalt dat de schorsing en de getroffen voorlopige voorziening gelden met ingang van 28 juni 2002;

- gelast dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ad € 218,--(zegge: tweehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr D. Roemers in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens,

als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2002.

w.g. D. Roemers w.g. W.F. Claessens