Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE3844

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-06-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
AWB 99/919 t/m 99/924
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

Nrs. AWB 99/919 t/m 99/924 4 juni 2002

27605 Wet op de inkomstenbelasting 1964

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek

Uitspraak in de zaken van:

A, gevestigd te Gorssel, appellante,

gemachtigde: B, werkzaam bij C, te Apeldoorn,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr F.J.B.A. Duijnstee, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 10 november 1999 heeft het College van appellante beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een zestal besluiten van verweerder van 5 oktober 1999.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen de afwijzingen van haar verzoeken om verklaringen af te geven als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de - inmiddels vervallen - Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB).

Verweerder heeft onder overlegging van de op de zaken betrekking hebbende stukken op 9 februari 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 23 april 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet IB, zoals die luidde ten tijde van het totstandkomen van het bestreden besluit, is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 11

1. In geval in een kalenderjaar:

a. (…);

b. in een onderneming die de belastingplichtige voor eigen rekening feitelijk drijft voor een bedrag van meer dan ƒ 3800 wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van investeringen die door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen), wordt - onverminderd de toepassing van onderdeel a - op verzoek bij de aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel b, aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek). (…)

Onder investeren wordt verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel, zomede het maken van voortbrengingkosten te dier zake, voor zover die verplichtingen en kosten op de belastingplichtige drukken.

(…)

11. Het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, is slechts van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze Minister binnen een door hem te stellen termijn.

(…)"

Op grond van deze bepaling is vastgesteld de - inmiddels vervallen - Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek (Stcrt. 1996, nr. 248; hierna: de Uitvoeringsregeling). In deze regeling zoals die luidde ten tijde van het totstandkomen van het bestreden besluit was onder meer bepaald:

" Artikel 3

1. De termijn bedoeld in artikel 11, elfde lid, van de wet waarbinnen de aangegane verplichtingen dan wel de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moeten zijn aangemeld, wordt gesteld op drie maanden. Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;

b. (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemde formulieren, door het Bureau energie-investeringsaftrek van de Belastingdienst ontvangen op 12 januari 1999, heeft appellante verzoeken gedaan om verklaringen dat de daarbij aangemelde investeringen in bedrijfsmiddelen bestaande uit verstelbare dakspoilers, aluminium velgen en zijfenders, respectievelijk onder de codes 141201 + 241204, 141205, en 141201 in de Energielijst 1998, investeringen zijn, die zijn aangewezen als zijnde in het belang van een doelmatig gebruik van energie in de zin van artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de Wet IB (hierna: energie-verklaringen).

- Bij faxbericht van 24 maart 1999 heeft appellante verweerder ingevolge een daartoestrekkend verzoek van verweerder van 12 maart 1999 een opdracht-bevestiging toegezonden van Cosmo B.V. d.d. 1 oktober 1998, ter zake van het leveren van vorengenoemde aangemelde bedrijfsmiddelen voor een totaalbedrag van fl. 13.100,-- exclusief BTW.

- Bij brief van 1 april 1999 heeft appellante aan verweerder nadere gegevens met betrekking tot vorengenoemde aangemelde bedrijfsmiddelen verstrekt, alsmede een afschrift van een opdrachtbevesting aan Cosmo B.V., gedateerd 15 oktober 1998, voor de levering van deze bedrijfsmiddelen.

- Bij besluit van 3 juni 1999 heeft verweerder afwijzend op de verzoeken van appellante om energieverklaringen beslist.

- Bij brief van 24 juni 1999 heeft appellante tegen die beslissingen bezwaar gemaakt.

- Op 8 september 1999 heeft appellante haar bezwaren mondeling toegelicht.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

De bestreden besluiten houden, samengevat weergegeven, onder meer het volgende in:

" Bevindingen en Overwegingen:

(…) Door middel van uw fax van 24 maart 1999 hebt u mij een stuk doen toekomen die de titel "Opdrachtbevestiging" draagt. Het stuk is gedateerd 1 oktober 1998 en heeft betrekking op de door u gemelde voorziening. Ik heb daarop geconcludeerd dat u het gemelde bedrijfsmiddel op of voor 1 oktober 1998 hebt aangeschaft. Dit heb ik u tijdens ons telefonische onderhoud van 24 maart 1999 en 1 april 1999 kenbaar gemaakt. Daarop hebt u mij bij schrijven van 1 april 1999 aanvu1lende informatie doen toekomen. Hierbij was opnieuw een opdrachtbevestiging gevoegd, ditmaal gedateerd 15 oktober 1998. U stelde daarbij dat tegen de opdrachtbevestiging van 1 oktober 1998 door u bezwaar gemaakt werd omdat deze niet door u voor akkoord getekend was. Daardoor was de opdrachtbevestiging volgens u niet rechtsgeldig. Ik bleef echter van mening dat ik voor het gemelde bedrijfsmiddel geen verklaring kon afgeven omdat deze te laat was gemeld. Dit heb ik U door middel van mijn beschikking van 3 juni 1999 medegedeeld.

In uw bezwaarschrift stelt u dat de melding naar uw mening wel op tijd is gedaan. Daarbij gaat u er van uit dat u de investeringsverplichting bent aangegaan op het moment dat u de opdrachtbevestigingen voor akkoord hebt getekend. Dat is op 15 oktober 1998 gebeurd. Met deze zienswijze ben ik het niet eens.

Zoals hiervoor in de toelichting op de energie-investeringsaftrek reeds is vermeld, vangt de termijn van drie maanden aan bij het aangaan van de verplichtingen. Het aangaan van een verplichting vindt plaats op het moment dat een overeenkomst tot stand komt tussen twee of meerdere partijen. De overeenkomst komt tot stand door middel van een aanbod en een aanvaarding van dat aanbod. Daarbij maakt het niet uit of de opdracht mondeling dan wel schriftelijk aanvaard wordt. Als ijkpunt van het moment waarop de aanvaarding van het aanbod plaatsvindt, wordt door mij meestentijds gebruik gemaakt van de datum van de opdrachtbevestiging. Dit omdat het in de praktijk vaak voorkomt dat een eventuele mondelinge opdracht niet schriftelijk wordt vastgelegd. Daarom accepteer ik een eventuele latere datum van een opdrachtbevestiging. Deze opdrachtbevestiging bevestigt echter slechts hetgeen in een eerdere fase is overeengekomen. De overeenkomst is dan voldoende bepaald. Dat een leverancier, wellicht om administratieve redenen, vraagt om een voor akkoord getekend exemplaar terug te sturen, doet daar niet aan af.

(…)"

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van de beroepen - samengevat - onder meer het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Appellante meent dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd energieverklaringen af te geven ten behoeve van energie- en gewichtbesparende voorzieningen die appellante op een door haar aangeschafte vrachtwagen heeft laten aanbrengen. Anders dan verweerder stelt, is appellante niet op 1 oktober 1998 een verplichting voor de aanschaf van deze voorzieningen aangegaan. Weliswaar heeft de leverancier van bedoelde voorzieningen, Cosmo B.V., een opdrachtbevestiging aan appellante toegezonden die is gedateerd op 1 oktober 1998, doch appellante heeft bij brief van 14 oktober 1998 bezwaar gemaakt tegen die opdrachtbevestiging, waarna zij op 15 oktober 1998 een nieuwe opdrachtbevestiging toegezonden heeft gekregen. Deze opdrachtbevestiging heeft zij vervolgens ondertekend. Appellante is van mening dat bedoelde verplichtingen mitsdien door haar eerst op 15 oktober 1998 zijn aangegaan en zij derhalve tijdig om energieverklaringen heeft verzocht.

In dit verband wijst appellante voorts erop dat in de brochure met betrekking tot energie-investeringsaftrek die zij bij de aanvraagformulieren van verweerder heeft ontvangen, als voorbeeld van het aangaan van verplichtingen vermeld wordt het ondertekenen van een koopovereenkomst. Mitsdien rechtvaardigt ook verweerders eigen voorlichtingsmateriaal de conclusie dat appellante eerst op 15 oktober 1998 bedoelde verplichtingen is aangegaan.

Tenslotte acht appellante in dit geval van belang dat zij reeds in november 1998 bij de Belastingsdienst om toezending van de benodigde aanvraagformulieren heeft verzocht, doch deze formulieren niet beschikbaar bleken te zijn. Eerst op 23 december 1998 heeft appellante kopieën van deze aanvraagformulieren verkregen. Vanwege de Kerst- en Nieuwjaarsperiode is enige vertraging ontstaan bij het verkrijgen van een accountantsverklaring, zodat appellante eerst op 5 januari 1999, doch immer nog tijdig, de aanvragen om energieverklaringen heeft ingediend.

5. De beoordeling van het geschil

Het College staat voor beantwoording van de vraag of verweerder terecht heeft beslist dat voor de gemelde investeringen geen energieverklaringen kunnen worden afgegeven, omdat deze investeringen niet binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting daartoe door appellante zijn gemeld. Het College overweegt dienaangaande het volgende.

Appellante heeft in de aanvraagprocedure en in haar bezwaarschrift van 24 juni 1999 het totstandkomen van de overeenkomst ter zake van de onderhavige investeringen op 1 oktober 1998 gemotiveerd betwist. Uit een telefoonnotitie van 1 april 1999 blijkt dat appellante verweerder heeft medegedeeld dat de opdrachtbevestiging van 1 oktober 1998 een eenzijdige verklaring van de leverancier betreft en niet door appellante is ondertekend. Voorts blijkt uit de stukken dat appellante deze mededeling bij brief van - eveneens - 1 april 1999 heeft bevestigd en als bijlagen bij deze brief onder andere waren gevoegd een afschrift van een brief van appellante aan Cosmo B.V. gedateerd 14 oktober 1998, waarin appellante aan Cosmo B.V. heeft medegedeeld het niet eens te zijn met de opdrachtbevestiging van 1 oktober 1998, alsmede een afschrift van de door appellante voor akkoord getekende opdrachtbevestiging gedateerd 15 oktober 1998. Uit het bezwaarschrift van appellante van 24 juni 1999 en uit het verslag van de hoorzitting van 8 september 1999 blijkt dat appellante haar standpunt dat de opdrachtbevestiging van 15 oktober 1998 geldt als het moment waarop appellante de verplichtingen ter zake van bedoelde investeringen is aangegaan, heeft gehandhaafd. Blijkens genoemd verslag heeft appellante bij de hoorzitting toegelicht dat eerst nadat door appellante tot aanschaf van een vrachtwagen ten behoeve van vrachtvervoer naar Italië was besloten, is nagedacht over gewichtbesparende investeringen die een grotere belading van de vrachtwagen mogelijk maken en tot een voor appellante winstgevender vervoer zouden kunnen leiden en dat appellante met dit oogmerk de leverancier heeft verzocht een voorstel voor dergelijke investeringen te doen, welk verzoek heeft geleid tot de brief gedateerd 1 oktober 1998.

Het College ziet geen aanleiding om de juistheid van de hierboven weergegeven verklaringen van appellante omtrent de gang van zaken met betrekking tot de brief gedateerd 1 oktober 1998 in twijfel te trekken. Behoudens deze door de leverancier opgestelde brief, is in de stukken geen enkele aanwijzing te vinden dat appellante reeds op die datum verplichtingen ter zake van de onderhavige investeringen zou zijn aangegaan. De stelling van appellante ter zitting dat het in het handelsverkeer niet ongebruikelijk is dat leveranciers offertes kracht bijzetten door deze in de vorm van een opdrachtbevestiging aan te bieden, acht het College niet onaannemelijk. Voort blijkt uit de brief van appellante de dato 14 oktober 1998 dat zij het op dat moment nog niet eens was met de brief van 1 oktober 1998. Het College volgt verweerder dan ook niet in zijn standpunt dat de opdrachtbevestiging van 1 oktober 1998 bepalend is voor het moment waarop appellante de onderhavige verplichtingen is aangegaan. Bovendien is het College uit de stukken gebleken dat appellante verweerder, toen deze om toezending van de opdrachtbevestiging verzocht, heeft medegedeeld dat zij meende niet meer over deze opdrachtbevestiging te beschikken, maar dat zij zich tot de leverancier zou wenden met het verzoek een afschrift van de opdrachtbevestiging toe te sturen. Aan de nadien in eerste instantie door appellante overgelegde opdrachtbevestiging, zijnde een afschrift van de door de leverancier verstrekte oorspronkelijke brief gedateerd 1 oktober 1998, kan gezien de door appellante geschetste gang van zaken daaromtrent naar het oordeel van het College niet de betekenis worden gehecht die verweerder daaraan toekent. Derhalve dient op grond van de door appellante overgelegde, door haar ondertekende opdrachtbevestiging van 15 oktober 1998 ervan te worden uitgegaan dat appellante eerst op die datum verplichtingen ter zake van genoemde investeringen is aangegaan. Dit betekent dat de meldingen van de onderhavige investeringen, welke door verweerder zijn ontvangen op 12 januari 1999, binnen de daartoe bij de Uitvoeringsregeling gestelde termijn van drie maanden zijn gedaan, zodat verweerder ten onrechte heeft geweigerd de gevraagde energieverklaringen te verstrekken.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de beroepen gegrond moeten worden verklaard en de bestreden besluiten moeten worden vernietigd.

Verweerder zal opnieuw dienen te beslissen op de bezwaren van appellante tegen de afwijzingen van haar verzoeken om verklaringen als bedoeld in artikel 11, aanhef en eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB.

Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante. Deze kosten worden op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, aantal samenhangende zaken factor 1,5 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat verweerder nieuwe beslissingen neemt op de bezwaarschriften van appellante, met inachtneming van het in

deze uitspraak overwogene;

- bepaalt dat de Staat aan appellante vergoedt het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 204,20 (zegge:

tweehonderdenvier euro en twintig eurocent);

- veroordeelt verweerder in de kosten van de procedures aan de zijde van appellante begroot op € 966,-- (zegge:

negenhonderdzesenzestig euro), onder aanwijzing van de Staat als de rechtspersoon die deze kosten aan appellante dient

te vergoeden.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2002.

w.g. J.A. Hagen w.g. M.J. van den Broek-Prins