Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE3842

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-06-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
AWB 01/804
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 01/804 4 juni 2002

22030 Wet assurantiebemiddelingsbedrijf

Inschrijving

Uitspraak in de zaak van:

Auto Kar B.V., gevestigd te Steenbergen, appellante,

tegen

de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J.B.A. Hoijinck, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 16 oktober 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 september 2001.

Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de doorhaling van haar inschrijving als tussenpersoon ingevolge de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (hierna: de Wet).

Verweerder heeft op 4 december 2001 een verweerschrift ingediend.

Op 23 april 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar verweerder bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt nader heeft toegelicht. Appellante is niet ter zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 4

1. Inschrijving in het register geschiedt indien de aanvrager voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur:

a. ten aanzien van het diploma Assurantiebemiddeling A te stellen vakbekwaamheidseisen, of

b. ten aanzien van het diploma Assurantiebemiddeling B te stellen vakbekwaamheidseisen.

2. Als voorwaarde voor de inschrijving gelden voorts dat:

a. er geen vrees bestaat dat de aanvrager als tussenpersoon het aanzien van de stand der tussenpersonen zal schaden;

b. (…)

3. Indien de aanvrager een natuurlijk persoon is, dient deze bovendien meerderjarig te zijn of handlichting te hebben verkregen en niet onder curatele te zijn gesteld of wegens onderbewindstelling het vrije beheer over zijn goederen te hebben verloren.

4. Indien de aanvrager niet zelf de feitelijke leiding over een of meer vestigingen van zijn assurantiebemiddelingsbedrijf zal uitoefenen, gelden te zijnen aanzien de vereisten van het tweede en derde lid. Als voorwaarde voor zijn inschrijving geldt voorts dat de natuurlijke personen die blijkens de opgave van de aanvrager met bedoelde feitelijke leiding zullen zijn belast, voldoen aan de vereisten van het eerste lid, het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid. (…)

Artikel 8

(…)

2. In het register wordt voorts doorgehaald de inschrijving van de tussenpersoon die:

a. (…)

b. de feitelijke leiding over een of meer vestigingen van het assurantie-bemiddelingsbedrijf laat uitoefenen door natuurlijke personen die niet voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 4, vierde lid, tweede en laatste volzin;"

(…)

3. De Raad is bevoegd op grond van bijzondere omstandigheden de doorhaling, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b en d, op door hem te stellen voorwaarden, gedurende een door hem te bepalen tijd, op te schorten. (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 17 november 2000 heeft appellante bij daartoe bestemd formulier Wabb/10 als feitelijk leider van haar onderneming opgegeven, A die deze functie gedurende 4 uur per week uitoefent.

- Bij besluit van 15 maart 2001 heeft verweerder appellante meegedeeld dat A niet kon worden geaccepteerd als feitelijk leider in de zin van artikel 4, vierde lid, van de Wet aangezien in casu geen sprake is van een naar gangbare opvattingen in het maatschappelijk verkeer substantieel te noemen daadwerkelijke betrokkenheid van de feitelijk leider bij de onderneming en heeft verweerder beslist tot doorhaling van de inschrijving van appellante in het register.

- Tegen dat besluit heeft appellante bij brief van 23 april 2002 bezwaar gemaakt.

- Op 12 juli 2001 heeft appellante ten overstaan van de Commissie Bezwaarschriften van de Sociaal-Economische Raad (hierna: de commissie) haar bezwaren mondeling toegelicht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Het bestreden besluit houdt - samengevat - onder meer het volgende in:

" De commissie is van mening dat de door u opgegeven feitelijk leider, mevr. A (die bijna fulltime elders werkzaam is) niet voldoet aan de minimum standaard van voldoende feitelijke leiding, ook al is assurantie-bemiddeling slechts een nevenactiviteit van uw onderneming. Zij is slechts vier uur in de week werkzaam ten behoeve van uw assurantiebemiddelingsbedrijf en dat is, mede gelet op de huidige jurisprudentie op dit punt, te weinig om als reëel feitelijk leider aangemerkt te kunnen worden.

Zij adviseert mij de bestreden beslissing te handhaven.

Gelet op de mij ter beschikking staande gegevens onderschrijf ik het standpuntvan de Commissie. Ik handhaaf de bestreden beslissing d.d. 13 maart 2001 met overneming van de daaraan ten grondslag liggende argumenten.

(…)"

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd en daaraan het volgende toegevoegd.

Appellante doet kennelijk een beroep op bijzondere omstandigheden, doch de door appellante genoemde omstandigheden, te weten, teruggelopen rendementen in de autobranche en een vergevorderde studie van een medewerker van het bedrijf voor het diploma Assurantiebemiddeling B, kunnen naar de mening van verweerder niet worden beschouwd als bijzondere omstandigheden in de zin van de Wet. Verweerder ziet zich in deze opvatting bevestigd door bestendige jurisprudentie van het College.

Indien appellante thans wel aan de in de Wet genoemde eisen voldoet, staat het haar vrij een nieuwe aanvraag in te dienen. Gelet op de gang van zaken in het onderhavige geval zal appellante, naar de gemachtigde van verweerder verwacht, een beslissing op een nieuwe aanvraag binnen enkele weken na ontvangst van die aanvraag tegemoet kunnen zien.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De hoofdactiviteit van appellantes onderneming is het autobedrijf. Daarnaast worden een aantal nevenactiviteiten verricht, waaronder een autoschadeherstelbedrijf. Ook adviseert appellante reeds meer dan veertig jaar in autoverzekeringen, waartoe in het bedrijf steeds een fulltime feitelijk leider assurantiebemiddeling werkzaam is geweest die aan alle vakbekwaamheidseisen voldeed. Door de ter beschikking gekomen moderne technieken en de daaruit voortvloeiende tijd- en werkbesparing is het commercieel niet meer verantwoord om een fulltime medewerker voor assurantiebemiddeling in dienst te hebben. Thans is een van de personeelsleden bezig met de vereiste opleiding. Totdat deze de aan de opleiding verbonden examens zal hebben behaald wordt de assurantiebemiddeling verricht door A, die is aangesteld als medewerkster afdeling verkoop gedurende vier uren per week. Buiten de uren waarop zij aanwezig is worden er afspraken voor haar gemaakt, die zij op een later tijdstip afwerkt. De door de afdeling autoschadeherstel te verrichten werkzaamheden vloeien voor een deel voort uit schadegevallen die uit de verzekeringsportefeuille voortkomen. Indien die portefeuille zou wegvallen zal dit tot gevolg hebben dat er voor de op deze afdeling werkzame medewerkers onvoldoende werkzaamheden zullen zijn, hetgeen tot ontslagen zal leiden. Aangezien de rendementen in de autobranche momenteel zeer slecht zijn en niet verwacht wordt dat dit in de nabije toekomst beter zal worden, zal de aldus gederfde winst tevens een negatieve invloed hebben op het totale bedrijfsresultaat.

5. De beoordeling van het geschil

Verweerder heeft betoogd dat A niet kan worden aangemerkt als de feitelijk leidinggevende in appellantes onderneming omdat haar aanwezigheid op kantoor gedurende slechts enkele uren per week onvoldoende wordt geacht.

Zoals reeds eerder door het College is overwogen (onder meer in de uitspraak van 15 juni 1999, Awb 97/673), is voor het uitoefenen van de feitelijke leiding voortdurende daadwerkelijke aanwezigheid niet vereist. Evenmin kan echter worden volstaan met het slechts in beperkte mate aanwezig zijn tijdens de kantooruren. De aanwezigheid van A ten kantore gedurende vier uren per week acht het College te gering om haar als feitelijk leider op het kantoor van appellante, dat gedurende alle werkdagen geopend is, aan te kunnen merken. Haar beperkte aanwezigheid betekent in feite dat een medewerker die niet voldoet aan de vakbekwaamheidseisen, beoordeelt en beslist of en wanneer en voor welke werkzaamheden de vakbekwame persoon voor het geven van feitelijke leiding moet worden ingeschakeld. Hieruit volgt dat appellante de feitelijke leiding laat uitoefenen door natuurlijke personen die niet voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid die zijn genoemd in artikel 4, eerste lid, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, van de Wet, zodat appellante niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden die gelden voor inschrijving als tussenpersoon. Dat een medewerker van appellante bezig is met de studie om de benodigde diploma's te verwerven, doet hieraan niet af en vormt als zodanig naar het oordeel van het College niet een bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder gehouden zou zijn tot opschorting van de doorhaling over te gaan.

Het betoog van appellante dat de door de afdeling autoschadeherstel te verrichten werkzaamheden voor een deel voortvloeien uit schadegevallen die uit de verzekeringsportefeuille voortkomen en dat, indien die portefeuille zou wegvallen, ontslag van personeel dreigt terwijl de gederfde winst een negatieve invloed zal hebben op het totale bedrijfsresultaat, kunnen evenmin tot de conclusie leiden dat het besluit van verweerder onrechtmatig is. Deze door appellante geschetste mogelijke consequenties van het wegvallen van de verzekeringsportefeuille betreffen het normale bedrijfsrisico van appellante en vormen een onzekere toekomstige gebeurtenis waarmee verweerder bij zijn besluitvorming geen rekening behoefde te houden.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat verweerder terecht zijn besluit tot doorhaling van de inschrijving van appellante heeft gehandhaafd.

Derhalve dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2002.

w.g. J.A. Hagen w.g. M.J. van den Broek-Prins