Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE3813

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-06-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
AWB 00/789
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/789 4 juni 2002

27364 Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling haalbaarheidsprojecten MKB

Uitspraak in de zaak van:

A, gevestigd te B, appellante,

gemachtigden: drs S.M.C. Attema en drs E.R. Matien, beiden verbonden aan PNO Consultants, te Groningen,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr G. Baarsma, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 3 oktober 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 augustus 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit d.d. 14 februari 2000 van verweerder op appellantes aanvraag om subsidie in het kader van de Subsidieregeling haalbaarheidsprojecten MKB 1998 (Stcrt. 1997, nr. 237, hierna: de Subisidieregeling).

Bij brief van 24 oktober 2000 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevoerd.

Op 21 december 2000 heeft het College terzake van dit beroep een verweerschrift ontvangen.

Op 23 april 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet.

Aan de zijde van appellante is tevens verschenen C, scheepsbouwkundig ingenieur bij appellante.

2. De grondslag van het geschil

2.1. In de Subsidieregeling is, onder meer, het volgende bepaald:

" Artikel 1. In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

c. haalbaarheidsproject: een activiteit, gericht op het tot stand brengen van een schriftelijk rapport, inhoudende een systematisch opgezette en afgeronde analyse en inschatting van de mogelijkheden van het invoeren van een technologische vernieuwing in een productieproces in de onderneming van de aanvrager, respectievelijk het gebruiken van voor de aanvrager nieuwe technische kennis in een product van of bij de dienstverlening door die onderneming;

(…)

Artikel 2.- 1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een ondernemer die voor eigen rekening en risico een haalbaarheidsproject laat uitvoeren door een derde die niet tot dezelfde groep behoort als de aanvrager.

(…)

Artikel 8. De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:

a. indien de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;

(…)"

In de Toelichting bij deze Subsidieregeling staat, onder meer, het volgende vermeld:

" Het doel van deze regeling is om ondernemers te stimuleren tot het invoeren van nieuwe technologieën in productieprocessen in, respectievelijk het gebruiken van voor hen nieuwe kennis in producten van of dienstverlening door hun ondernemingen, door middel van het verlenen van subsidie voor desbetreffende haalbaarheidsonderzoeken. Dit zal leiden tot verhoging van de kennisintensiteit van die ondernemingen. Als neveneffect is beoogd het bevorderen van de wisselwerking tussen deze ondernemingen en kennishouders in brede zin, zoals leveranciers van nieuwe technologieën, de Innovatiecentra, de kennis-infrastructuur en het agentschap Senter."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemd formulier, ondertekend op 20 januari 2000 en door verweerder ontvangen op 21 januari 2000, heeft appellante een aanvraag ingediend ter verkrijging van subsidie in het kader van de Subsidieregeling voor het project 'Haalbaarheidsstudie optimale scheepsromp Low Airdraught General Cargo Vessel'. Bij voornoemd formulier heeft appellante onder meer de projectbeschrijving overgelegd. Hierin heeft appellante, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

" De nieuwe technologie waar het in deze subsidieaanvraag om draait wordt ingegeven door het feit dat A het schip enerzijds wenst uit te rusten met een relatief laag aandrijfvermogen en dat het anderzijds over voldoende diepgang moet beschikken. Tevens moeten met het schip hoge snelheden kunnen worden bereikt. Dit dwingt A een volledig nieuwe scheepsromp te ontwikkelen.

(…)

De scheepsromp is zowel nieuw qua design en vormgeving als qua constructie. De nieuwheidsaspecten bevinden zich onder meer op de volgende elementen:

. specifieke boegverhouding;

. hellinghoek voorsteven;

. intreehoek van de waterlijn;

. de invloed op de verdere vorm van het schip, etc.

(…)

A beschikt echter niet over de faciliteiten en expertise om een model te bouwen en vervolgens te onderwerpen aan tests, zodat uitspraken kunnen worden gedaan over de technische haalbaarheid van de nieuw te ontwikkelen scheepsromp op 'full scale'. Versuchsanstalt für Binnenschiffbau e.V. (VBD) te Duisburg beschikt wel over de faciliteiten en expertise om te kunnen komen tot uitspraken over de technische haalbaarheid. Zoals te lezen is in de offerte van VBD welke is bijgevoegd in de bijlage, zijn zij in staat tal van omstandigheden na te bootsen om gefundeerde uitspraken te doen over de te ontwikkelen scheepsromp in de praktijk.

(…)

Achtereenvolgens zullen dan de activiteiten, gefaseerd worden uitgevoerd:

A. The development and building of a model in scale of approximately 1:16,

fitting of the model propulsion set with two model stock propellers. (…)

B.1 Propulsion tests at 2 draughts.

B.2 Wake stream measurements.

C.1 Photographs of the wave profile on the hull as well underwater

photographs.

C.2 All the tests will be documented with plots or/and spreadsheets, full-scale prognosis and an evaluation of the test results. Our experts will comment the results and give any necessary advice for possible improvements.

D. Test report with recommendations on the basis of the tests and measurements.

(…)"

- Bij besluit van 11 februari 2000 heeft verweerder de aanvraag om subsidie afgewezen.

- Bij brief van 23 maart 2000, aangevuld bij brief van 30 maart 2000, heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Op 13 juni 2000 is appellante op haar bezwaar gehoord.

- Bij brief van 27 juni 2000 heeft appellante nadere informatie verschaft. In die brief heeft appellante het volgende gesteld:

" A geeft aan dat de toegevoegde waarde van de werkzaamheden van VBD met name ligt in de fase voorafgaande aan de ontwikkeling en bouw van het schaalmodel. Aan de hand van het door A ontwikkelde lijnenplan en de daaraan gerelateerde eisen (ten aanzien van onder andere boegverhouding, hellingshoek voorsteven en intreehoek van de waterlijn) voor de romp van de Low Airdraught General Cargo Vessel, wordt door VBD een uitgebreid technisch haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd.

Op basis van de resultaten van dat haalbaarheidsonderzoek zullen door VBD modificaties worden doorgevoerd en geïmplementeerd in het technisch ontwerp/lijnenplan van de romp. Deze modificaties hebben onder andere betrekking op de vorm en constructie van de romp. Hierbij kan gedacht worden aan het ontwikkelen van een bulb welke qua grootte, positie en vorm het gewenste positieve effect heeft op de snelheid en stabiliteit van de romp of het ontwikkelen van speciale straalbuis om trillingen door drukpulsen van de schroef of wervelingen langs de romp te voorkomen. Deze modificaties kunnen niet in eigen beheer door A worden geïmplementeerd, aangezien men niet beschikt over de noodzakelijke specifieke technische 'know-how'.

Nadat bovengenoemde modificaties in het lijnenplan van de scheepsromp van de Low Airdraught Cargo Vessel zijn geïmplementeerd, wordt door VBD (zoals reeds in de aanvraag verwoord) overgegaan tot de ontwikkeling en bouw van een schaalmodel waarmee gericht een aantal tests en metingen zullen worden doorgevoerd, waarna de testresultaten zullen worden geëvalueerd. Op basis van de evaluatie van de testresultaten zullen waar mogelijk nog aanbevelingen worden gedaan ten aanzien van de verdere ontwikkeling van de romp.

(…)"

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in:

" In de projectbeschrijving die door u bij de aanvraag werd gevoegd wordt een korte beschrijving gegeven van de nieuwe technologie. (…)

Wat de in te voeren technologische vernieuwing of nieuwe technische kennis in het productieproces in de onderneming van de aanvrager inhoudt wordt hiermee niet naar voren gebracht. Ook in de bezwaarfase heeft u mij hierover geen of onvoldoende duidelijkheid kunnen verschaffen. (…)

Hierboven is reeds aangegeven dat het aspect kennisoverdracht een belangrijke rol speelt in de Subsidieregeling. De door BVD te verrichten werkzaamheden betreffen naar mijn oordeel niet een onderzoek naar de mogelijkheden om nieuwe technische kennis of technologie in te voeren bij de aanvrager, maar een onderzoek naar de zeewaardigheid van dit ene door A ontworpen model. Hierdoor wordt naar mijn mening geen kennis overgedragen zoals de Subsidieregeling beoogt. Het feit dat A in 1998 een vrijwel identiek aanvraag op grond van de Subsidieregeling indiende sterkt mij in voornoemd oordeel. (…)

Ten aanzien van uw beroep op het gelijkheidsbeginsel merk ik op dat ik na vergelijking van de twee door A gedane aanvragen concludeer dat deze inderdaad vergelijkbaar zijn. Echter, gezien mijn hierboven verwoord standpunt ben ik van oordeel dat de aanvraag uit 1998 ten onrechte door mij is gehonoreerd. Vanzelfsprekend beoog ik gelijke gevallen op gelijke wijze te beoordelen. Dit brengt evenwel niet met zich mee dat ik gehouden ben een -bij nader inzien- foutieve beoordeling te herhalen.

Tot slot wijs ik u er op dat blijkens de definitie een haalbaarheidsonderzoek niet ziet op het uitvoeren van een technologische vernieuwing zoals u in uw bezwaarschrift een paar maal stelt, doch om het invoeren daarvan in het productieproces van de aanvrager. (…)"

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder daaraan nog het volgende toegevoegd.

Verweerder is voldoende duidelijk geweest over de gegevens die in deze benodigd waren voor een goede beoordeling van de aanvraag en appellante is herhaaldelijk gelegenheid gegeven tot het aanleveren van informatie en het verstrekken van een nadere toelichting. Voorts is het bestreden besluit op dit punt voldoende gemotiveerd.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het project 'Haalbaarheidsstudie optimale scheepsromp Low Airdraught General Cargo Vessel' niet kan worden gekwalificeerd als een haalbaarheidsproject als genoemd in de Subsidieregeling.

Ten onrechte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het hier niet betreft de analyse en inschatting van de mogelijkheden van invoering van een technologische vernieuwing in een productieproces binnen het bedrijf van appellante, dan wel van het gebruiken van nieuwe technische kennis in een product van of bij de dienstverlening door appellante.

Ten onrechte heeft verweerder beslist dat het haalbaarheidsonderzoek een hoog theoretisch karakter moet hebben, nu de Subsidieregeling dit vereiste niet stelt.

Een haalbaarheidsproject, zoals gedefinieerd in de Subsidieregeling, ziet op het tot stand brengen van een schriftelijk rapport, waarvan de wijze waarop dit dient te geschieden niet in de Subsidieregeling wordt bepaald.

Ten onrechte heeft verweerder beslist dat sprake moet zijn van overdracht van kennis, nu de Subsidieregeling ook dit vereiste niet stelt.

Ten onrechte heeft verweerder beslist dat slechts sprake is van een testopstelling of een prototype en niet van een schriftelijk rapport. Het resultaat van het project betreft geen testopstelling of prototype. Hier maken tests en metingen deel uit van een systematisch opgezette en afgeronde analyse en inschatting van het gebruiken van nieuwe technische kennis, waarvan de bevindingen omtrent de haalbaarheid worden uitgewerkt in een schriftelijk eindrapport.

Verweerder is nalatig geweest in het vragen van duidelijkheid aan appellante ter zake van de door haar overgelegde gegevens met betrekking tot de nieuwe technologie. Voorts heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat onduidelijk is welke nieuwe technologie wordt geïmplementeerd. Appellante heeft steeds aangegeven dat de nieuwe technologie bestaat uit de nieuwe rompvorm. Ter zitting heeft appellante verduidelijkt dat de technologische vernieuwing zit in het lijnenspel van de scheepsrompvorm. Die nieuwe technische kennis is ontwikkeld in samenspraak met de Versuchsanstalt für Binnenschiffbau e.V. (VBD) te Duisburg. De scheepsromp is naar een idee van appellante getekend en door haar ontwikkeld en het lijnenspel en de hieraan gestelde eisen zijn vervolgens aan de VBD gepresenteerd, ter berekening van de juistheid en werkzaamheid en technische haalbaarheid. Sprake is derhalve van een gezamenlijk ontwikkelen van een technologische vernieuwing. De Subsidieregeling sluit een dergelijke werkwijze niet uit van subsidie.

Nu verweerder een eerdere aanvraag ter zake van een identiek project van appellante wel heeft gehonoreerd en het daarbij aangemelde project als haalbaarheidsproject heeft aangemerkt, is verweerder in casu gehouden conform die eerdere beslissing te beslissen en de onderhavige activiteiten evenzeer als een haalbaarheidsproject aan te merken.

5. De beoordeling van het geschil

Het College staat voor beantwoording van de vraag of verweerder op juiste gronden heeft beslist dat de activiteiten in het kader van het project 'Haalbaarheidsstudie optimale scheepsromp Low Airdraught General Cargo Vessel' niet zijn aan te merken als een haalbaarheidsproject in de zin van artikel 1, aanhef en sub c, van de Subsidieregeling. Het College overweegt dienaangaande als volgt.

Voorop gesteld moet worden dat ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de aanvrager de gegevens en bescheiden dient te verschaffen die voor de beslissing nodig zijn. Het lag derhalve op de weg van appellante te onderbouwen dat de activiteiten waarop de aanvraag voor subsidie betrekking had voldoen aan de omschrijving van het begrip "haalbaarheidsproject", neergelegd in artikel 1, aanhef en onder c, van de Subsidieregeling, hierboven in rubriek 2.1 weergegeven.

Het College is van oordeel dat hetgeen appellante ten overstaan van verweerder naar voren heeft gebracht, onvoldoende steun bood voor de opvatting dat de te verrichten activiteiten als door appellante omschreven, zijn aan te merken als een haalbaarheidsproject in de zin van de Subsidieregeling. Het College heeft bij zijn oordeelsvorming met name betrokken de door appellante bij haar aanvraag gegeven projectomschrijving, hierboven in rubriek 2.2 weergegeven, het gestelde in het bezwaarschrift, het verhandelde ter hoorzitting, alsmede de toelichting daarop in de brief van 27 juni 2000, eveneens hierboven in rubriek 2.2 weergegeven. Uit deze stukken valt niet de conclusie te trekken dat sprake is van activiteiten die zien op analyse en inschatting van de mogelijkheden van het invoeren van een technologische vernieuwing of het gebruik van nieuwe technische kennis, zoals - ook blijkens de in rubriek 2.1 aangehaalde toelichting - bedoeld in de Subsidieregeling. Veeleer komt daarin naar voren dat de daarin genoemde activiteiten zijn gericht op het ontwerpen, ontwikkelen en testen van nieuwe technologie. Zoals het College reeds in zijn uitspraak van 21 maart 2002, Awb 00/29, te raadplegen op www.rechtspraak.nl (LJN-nummer: AE1030) heeft overwogen, zijn dergelijke ontwikkelingsactiviteiten niet aan te merken als activiteiten bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Subsidieregeling.

Uit het voorafgaande volgt dat verweerder op juiste gronden heeft geoordeeld dat de activiteiten in het kader van het project 'Haalbaarheidsstudie optimale scheepsromp Low Airdraught General Cargo Vessel' niet zijn aan te merken als een haalbaarheidsonderzoek. Bij het voorafgaande heeft het College in aanmerking genomen dat verweerder appellante voldoende in de gelegenheid heeft gesteld haar aanvraag te onderbouwen. Hetgeen appellante hieromtrent naar voren heeft gebracht, bood evenmin aanknopingspunten voor verweerder om hiernaar nader onderzoek te doen.

De enkele omstandigheid dat in een ander, identiek geval, de activiteiten wel zijn aangemerkt als een haalbaarheidsonderzoek, leidt niet tot een ander oordeel. Het College overweegt hiertoe dat, naar verweerder - onbestreden - heeft verklaard, die eerdere subsidieverstrekking op een fout berustte. Het door appellante ingeroepen gelijkheidsbeginsel strekt niet zover, dat verweerder genoopt zou zijn tot herhaling van een zodanige, door hem bij nader inzien (en, naar uit het hiervoor overwogene blijkt: terecht), onjuist geachte toepassing van de Subsidiesregeling.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr M.A. Fierstra en mr J.H. van Kreveld, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2002.

w.g. B. Verwayen w.g. I.K. Rapmund