Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE3765

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-05-2002
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
AWB 01/365
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Accountants-administratieconsulenten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/365 21 mei 2002

20110 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 12 maart 2001,

gemachtigde: mr H. Braak, advocaat te Veenendaal.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 12 maart 2001, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op gelijke datum gegeven beslissing op een klacht, op 9 augustus 2000 ingediend tegen appellant door B, te Y (hierna: klager).

Bij een op 8 mei 2001 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 17 mei 2001 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

De zaak is behandeld ter zitting van het College, gehouden op 19 februari 2002. Aldaar zijn verschenen appellant, diens gemachtigde, alsmede de gemachtigde van klager mr B. de Ruiter, advocaat te Driebergen-Rijssenburg.

Bij beslissing van 2 april 2002 heeft het College op grond van de slotsom dat het onderzoek in deze zaak niet volledig is geweest, dit onderzoek heropend. Zulks teneinde appellant de gelegenheid te bieden nadere gegevens te leveren in verband met de hierna in § 3.2 omschreven en in § 4.2 behandelde grief.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht gegrond verklaard en aan appellant de maatregel van een schriftelijke berisping opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht, de beoordeling daarvan door de raad van tucht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De middelen van beroep

Namens appellant zijn, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen voorgedragen.

3.1 Met betrekking tot de in de bestreden tuchtbeslissing vermelde omstandigheid dat appellant een beroepsfout heeft gemaakt, moet worden opgemerkt dat het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht d.d. 27 januari 1999, waarin de desbetreffende kwestie aan de orde was, is gewezen in de zaak tussen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid K, gevestigd te X (hierna: vennootschap), en klager. In de onderhavige zaak is appellant als persoon partij in het geding, doch zulks was niet het geval in de zaak waarin genoemd vonnis is gewezen. Derhalve bestaat onvoldoende feitelijke grondslag voor het innemen van het standpunt in de procedure op grond van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten, dat appellant als persoon in zijn hoedanigheid van accountant-admini-stratieconsulent een beroepsfout jegens klager heeft begaan.

3.2 Appellant heeft ter zitting van het College betoogd dat geen sprake is geweest van een laakbare onttrekking aan het vermogen van de vennootschap, ten gevolge waarvan deze niet meer in staat was te voldoen aan haar verplichting jegens klager. Hierbij moet het volgende in aanmerking worden genomen.

Per 1 januari 1992 is de inventaris en het klantenbestand van de vennootschap verkocht aan een accountantsmaatschap. In de vennootschap resteerden vermogen en nog te innen vorderingen. Ten gevolge van het beleid van de vennootschap om een maximaal dividend uit te keren, is over 1996 een uitkering gedaan, waardoor het eigen vermogen, dat in 1995

ƒ 445.383,-- bedroeg, is gedaald naar ƒ 40.000,--. Dit bedrag was ruim voldoende om een - eventuele - vordering van klager te voldoen.

Echter, in 1997 werd appellant geconfronteerd met de oninbaarheid van vorderingen verband houdend met geldleningen aan een tweetal personen, waardoor afboekingen moesten worden gedaan die leidden tot een negatief vermogen van

ƒ 12.330,--. Deze oninbaarheid was - naar appellant ter zitting van het College heeft betoogd - geheel onvoorzienbaar. Appellant heeft in dit verband naar voren gebracht dat het ging om vorderingen op schuldenaars, van wie één na in staat van faillissement te zijn geraakt, is overleden. De andere schuldenaar geraakte insolvabel nadat hij volledig arbeidsongeschikt was geworden.

Naar de mening van appellant kan in verband met deze omstandigheden, die volstrekt niet voorzienbaar waren ten tijde van het doen van de dividenduitkering over 1996, niet worden gesproken van het leeghalen van de vennootschap ten detrimente van klager.

4. De beoordeling

4.1 Met betrekking tot de hiervoor in § 3.2 weergegeven grief van appellant overweegt het College dat, nog afgezien van de juistheid van de gevolgtrekking die appellant verbindt aan de partijstelling in de zaak waarop eerdervermeld vonnis van de rechtbank te Utrecht betrekking heeft, niet valt in te zien welke betekenis de uitkomst van een eventuele discussie aangaande de in dit vonnis vermelde beroepsfout heeft voor de beoordeling van de onderhavige zaak.

Immers, thans is niet aan de orde de tuchtrechtelijke waardering van het in voormeld vonnis als beroepsfout gekwalificeerde handelen van appellant, doch de in de bestreden tuchtbeslissing weergegeven klacht dat door - tuchtrechtelijk verwijtbaar - toedoen van appellant het vermogen van de vennootschap zodanig is verminderd, dat klager werd beroofd van zijn verhaalsmogelijkheden. Aangezien genoemd vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, staat - onder meer - in rechte vast de gehoudenheid van de vennootschap, waarin appellant door middellijk aandelenbezit een volledige zeggenschap had, tot schadevergoeding aan klager.

De onderhavige grief kan derhalve geen doel treffen.

4.2 Met betrekking tot de grief, weergegeven in § 3.2, overweegt het College dat van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid geen sprake zou zijn, indien zou komen vast te staan dat appellant op het moment waarop hij als beleidsbepalende persoon in de vennootschap voormelde dividenduitkering deed, geen reden had te twijfelen aan de solvabiliteit van eerderbedoelde schuldenaars.

Het College is evenwel van oordeel dat de door appellant op dit punt naar gebrachte stellingen, welke niet met bewijsstukken zijn gestaafd, op zich onvoldoende grond bieden voor de conclusie dat geen sprake is van verwijtbaarheid in evenvermelde zin.

Ofschoon appellant kan worden tegengeworpen dat hij de voormelde feiten in een zeer laat stadium, namelijk eerst ter zitting in de beroepsprocedure bij het College, naar voren heeft gebracht, acht College het in verband met de aard van de voorliggende zaak en de namens appellant gekozen wijze van verweer tegen de klacht, geraden appellant de gelegenheid te bieden eerderomschreven stellingen te preciseren en ten bewijze daarvan nadere gegevens te verstrekken.

In dit verband kan onder meer worden gedacht aan:

- boekhoudkundige gegevens inzake de vennootschap aangaande de betrokken periode,

- gespecificeerde gegevens inzake de betrokken debiteuren en de omstandigheden die hebben geleid tot de gestelde insolvabiliteit,

- afschriften van de overeenkomsten inzake geldleningen aan deze debiteuren.

4.3 In verband met het vorenoverwogene beslist het College als volgt

5. De beslissing

Het College, alvorens nader te beslissen:

- verklaart de grief, vermeld in § 3.1 ongegrond;

- stelt appellant in de gelegenheid binnen twee maanden na deze uitspraak bij nadere memorie zijn stellingen aangaande

de oninbaarheid van vorderingen, vermeld in § 3.2, te preciseren, alsmede om ten bewijze daarvan nadere gegevens naar

voren te brengen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2002.

w.g. mr H.C. Cusell w.g. mr B. van Velzen