Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE3746

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-05-2002
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
AWB 01/453
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 01/453 3 mei 2002

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 12 juni 2001 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 april 2001 en dat is verzonden aan appellanten op 3 mei 2001.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellanten hebben gemaakt tegen de beslissing die verweerder op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) op de aanvraag oppervlakten 2000 van appellanten heeft genomen.

Verweerder heeft op 13 augustus 2001 een verweerschrift ingediend.

Op 22 maart 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen, appellanten in persoon en verweerder bij monde van zijn gemachtigde, hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Regeling, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

e. raadsverordening: verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PbEG L 181);

(…)

Artikel 3

Overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 3887/92, (…) en deze regeling (…) worden jaarlijks op aanvraag de beschikkingen tot subsidievaststelling gegeven aan producenten van akkerbouwgewassen (…)."

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 8

1. Behoudens overmacht leidt het te laat indienen van een aanvraag tot een verlaging van de steunbedragen waarop de aanvraag betrekking heeft, waarop het bedrijfshoofd recht zou hebben indien hij de aanvraag tijdig had ingediend, met 1 % per werkdag. In geval van een vertraging van meer dan 25 dagen wordt de aanvraag niet ontvankelijk en kan deze niet langer tot toekenning van een bedrag leiden.

Artikel 11

(…)

2. De kennisgeving van de gevallen van overmacht en de bewijzen die daarvan ten genoegen van de bevoegde instantie worden geleverd, moeten schriftelijk bij de bevoegde instantie worden ingediend binnen tien werkdagen vanaf het tijdstip dat dit voor de landbouwer mogelijk is.

3. Onverminderd concrete omstandigheden waarmee in individuele gevallen rekening moet worden gehouden, kunnen de bevoegde instanties met name de volgende gevallen van overmacht aanvaarden:

a) het overlijden van het bedrijfshoofd;

b) langdurige arbeidsongeschiktheid van het bedrijfshoofd;

c) onteigening van een belangrijk deel van het landbouwareaal (…);

d) een ernstige natuurramp (…);

(…)"

Artikel 8, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 luidt, voor zover van belang, als volgt:

" 2. Om voor de areaalbetaling in aanmerking te komen, moet de producent uiterlijk op 31 mei voorafgaand aan de betrokken oogst hebben ingezaaid en uiterlijk op 15 mei een aanvraag hebben ingediend."

In de Regeling vaststelling indieningsperiode 2000 aanvraag oppervlakten is gelet op artikel 6, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad en gelet op artikel 8, eerste lid, van de Regeling onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

Als de periode voor het indienen van een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen, wordt vastgesteld de periode die loopt van 1 april 2000 tot en met 15 mei 2000."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 21 juni 2000 heeft verweerder van appellanten een brief ontvangen, die als volgt luidt:

" Hierbij sturen wij u onze aanvraag akkerbouwbijdrage 2000.

Door onze verhuizing - en onze onbekendheid met deze materie - is deze aanvraag aan de late kant. Omdat de gewassen (gerst) echter wel ruim op tijd zijn ingezaaid (7 april 2000; zie kopie rekening), verzoeken wij u om deze aanvraag alsnog in behandeling te nemen."

- Bij besluit van 11 oktober 2000, dat is verzonden op 23 november 2000, heeft verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen ervan.

- Tegen dit besluit hebben appellanten tijdig bezwaar gemaakt.

- Op 15 maart 2001 zijn appellanten ter zake van dit bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van appellanten door verweerder ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe

- samengevat - het volgende overwogen.

De aanvraag van appellanten die is gedagtekend op 19 juni 2000, is door verweerder op 21 juni 2000 ontvangen. Deze aanvraag is hiermee ontvangen na afloop van de aanvraagperiode en de hierop volgende kortingsperiode die eindigt op

9 juni 2000. Aangezien geen sprake is van overmacht aan de zijde van appellanten is verweerder gehouden hun aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren.

Appellanten hebben onvoldoende aangetoond dat zij eerder een wel tijdige aanvraag oppervlakten 2000 hebben ingediend.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd

Per 18 april 2000 hebben appellanten een akkerbouwbedrijf gekocht en vervolgens een steunaanvraag op de registratienummers van de vorige bedrijfseigenaar ingediend. Naar aanleiding van telefonisch contact dat zij medio mei met verweerder hebben opgenomen, is hun een aanvraagformulier toegezonden dat zij hebben ingevuld en per ommegaande teruggestuurd.

Appellanten bestrijden dat zij onvoldoende hebben aangetoond dat sprake is geweest van omstandigheden die het appellanten redelijkerwijs onmogelijk maakten tijdig een aanvraag in te dienen. Appellanten stellen zich voorts op het standpunt dat zij voldoende hebben aangetoond dat zij in april 2000 en nogmaals in mei 2000 een tijdige aanvraag hebben ingediend.

Toezending van formulieren om registratie aan te vragen door een andere tak van dienst lieten ook eindeloos op zich wachten. Eenmaal door appellanten teruggezonden schenen ook deze formulieren aanvankelijk niet door de betreffende dienst te zijn ontvangen.

De door appellanten overgelegde stukken en de aangehaalde telefoongesprekken tonen aan dat de administratie van LASER slecht wordt beheerd, dat men aanvragen onvoldoende kan traceren en dat adreswijzigingen soms na meer dan een jaar nog niet zijn verwerkt. Het feit dat LASER bepaalde stukken niet kan vinden, betekent dus niet dat deze stukken er niet zijn. Deze administratieve onmacht bij LASER dient tot omkering van de bewijslast te leiden, in die zin dat verweerder dient te bewijzen dat appellanten niet tijdig een aanvraag hebben ingediend.

Omdat deze materie voor appellanten nieuw is en zij dergelijke problemen niet hadden verwacht, hebben zij nagelaten vanaf het begin een dossier met kopieën aan te leggen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag van appellanten die verweerder op

21 juni 2000 heeft ontvangen, niet tijdig is ingediend. Artikel 8, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 stond derhalve in de weg aan toekenning van de gevraagde akkerbouwsteun, behoudens overmacht. Gesteld noch gebleken is echter dat appellanten bij verweerder de kennisgeving en de bewijsmiddelen van overmacht hebben ingediend, zoals bepaald bij artikel 11, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92. Onder de bij het derde lid van dit artikel bedoelde gevallen van overmacht vallen overigens niet de door appellanten aangevoerde omstandigheden dat zij in de betreffende periode zijn verhuisd en geen ervaring hadden met de Regeling.

5.2 Met betrekking tot de stelling van appellanten dat zij in april 2000 en nogmaals in mei 2000 een aanvraag oppervlakten 2000 hebben ingediend bij LASER, overweegt het College als volgt.

Vooropgesteld wordt dat appellanten zelf verantwoordelijk zijn voor het juist en tijdig indienen van een aanvraag.

Het heeft op de weg van appellanten gelegen de tijdige indiening van hun aanvraag aan te tonen, nadat verweerder de ontvangst hiervan had ontkend. Appellanten zijn hierin niet geslaagd.

Voor zodanige, tijdige indiening vormt het naderhand, eerst op 21 juni 2000 door verweerder ontvangen aanvraagformulier, dat nog het vorige adres van appellanten vermeldt, ook geen aanwijzing.

Dat zij het beweerdelijk in april 2000, op de registratienummers van de vorige bedrijfseigenaar, ingediende aanvraagformulier niet als aangetekend poststuk hebben verzonden, komt voor hun risico.

De stelling van appellanten dat bij verweerder - die bij het bestreden besluit met redenen omkleed heeft ontkend het beweerdelijk in april ingediende aanvraagformulier te hebben ontvangen - sprake zou zijn van "administratieve onmacht", en de gestelde onzorgvuldige behandeling door een andere tak van dienst van hun aanvraag tot registratie, strekken niet ten bewijze van een tijdige indiening van hun aanvraag om akkerbouwsteun en bieden voorts evenmin voldoende grondslag voor de door appellanten voorgestane omkering van de bewijslast.

Gezien hetgeen appellanten omtrent een in mei verzonden aanvraagformulier hebben gesteld, kan dit formulier niet uiterlijk op 15 mei 2000 zijn ingediend.

5.3 Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder zijn niet-ontvankelijkverklaring van de aanvraag van appellanten in het bestreden besluit terecht gehandhaafd en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2002.

w.g. M.J. Kuiper w.g. Th.J. van Gessel