Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE3401

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-05-2002
Datum publicatie
30-05-2002
Zaaknummer
AWB 01/202
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 01/202 3 mei 2002

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: mr C.T. de Weerdt, werkzaam bij Adure Juristen, te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr M.M.F. Lobles, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 28 maart 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 februari 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen een besluit van 22 juni 2000, waarbij de aan haar op grond van de Regeling

EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) over 1999 toegekende subsidie gedeeltelijk is ingetrokken en teruggevorderd.

Bij brief van 17 april 2001 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op 28 juni 2001 een verweerschrift ingediend.

Op 22 maart 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 1, derde lid, van Verordening (EG) nr. 658/96 van de Commissie van 9 april 1996, betreffende bepalingen voor de toekenning van compensatiebedragen in het kader van de steunregeling voor producenten van bepaalde voedergewassen, luidt als volgt:

" Bouwland waarvoor, in hetzelfde verkoopseizoen, op grond van artikel 1, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad (…) gefinancierde oppervlaktesteun wordt aangevraagd voor andere dan de in Verordening (EEG) 1765/92 bedoelde akkerbouwgewassen, komt niet voor een compensatiebedrag in aanmerking."

Ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 603/95 van de Raad van 21 februari 1995 kan steun worden verleend voor de in artikel 1 van deze verordening genoemde gedroogde voedergewassen. In artikel 9, aanhef en onder c, eerste gedachtestreepje, van deze verordening is voorzover hier van belang bepaald dat de in artikel 3 bedoelde steun alleen wordt uitbetaald aan bedrijven die de in artikel 1 genoemde produkten verwerken en die contracten hebben gesloten met producenten van te drogen voedergewassen.

Bij Verordening (EG) nr. 785/95 van 6 april 1995 heeft de Commissie de uitvoerings-bepalingen van Verordening (EG) nr. 603/95 vastgesteld. De uitvoeringsverordening luidt voorzover hier van belang als volgt:

" Artikel 5

(…)

2. De steunaanvraag bevat ten minste:

- de naam, de voornaam, het adres en de handtekening van de aanvrager,

- de hoeveelheden waarvoor steun wordt aangevraagd, uitgesplitst per partij,

- de datum waarop elke hoeveelheid het bedrijf heeft verlaten,

- de vermelding dat van elke partij overeenkomstig artikel 11, lid 3, monsters zijn genomen op het ogenblik dat die partijen het verwerkingsbedrijf hebben verlaten, en alle nodige informatie voor de identificatie van die monsters.

(…)

Artikel 8

1. Elk in artikel 9, onder c, van Verordening (EG) nr. 603/95 bedoeld contract bevat, naast de in artikel 11 van die verordening genoemde vermeldingen, met name:

a) de namen, voornamen en de adressen van de contracterende partijen

(…)

e) de identificatie van het landbouwperceel of de landbouwpercelen waarop de te verwerken voedergewassen worden geteeld, volgens het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen in het kader van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 1 december 1999 heeft verweerder aan appellante bericht dat haar op 10 mei 1999 ontvangen aanvraag ingevolge de Regeling is goedgekeurd en dat zij recht heeft op een subsidie van fl. 33.699,86, welk bedrag is opgebouwd uit een bedrag van fl. 27.776,69 voor de gewasgroep "overige granen" en een bedrag van fl 5.923,17 voor de gewasgroep "braak". De toegekende subsidie voor de gewasgroep "overige granen" heeft onder meer betrekking op de door appellante in de aanvraag voor akkerbouwsteun opgegeven percelen met de volgnummers 4, 14 en 15. De door appellante opgegeven oppervlakte van deze percelen bedraagt respectievelijk 3.70 hectare, 2.10 hectare en 3.25 hectare (in totaal 9.05 hectare), voor welke percelen als gewascode is opgegeven respectievelijk wintertarwe, zomergerst en wintertarwe. Alle drie de percelen dragen het perceelsnummer 27328.57989.

- Appellante heeft bij haar bovengenoemde aanvraag onder de volgnummers 1 en 11 twee percelen opgegeven van elk 9.00 hectare met de gewascode voor luzerne en de bijdragecode '875' (bijdragecode van HPA regelingen) Deze percelen dragen het perceelsnummer 27391.57873.

- In het dossier bevindt zich een afschrift van een door A op 22 maart 1999 ondertekende overeenkomst met D te E, zijnde het exemplaar bestemd voor het Hoofdproductschap Akkerbouw, betreffende de levering van luzerne afkomstig van een oppervlakte van 18 hectare, waarbij voor de betrokken percelen wordt verwezen naar de bijbehorende perceelsindelingslijst. Op deze perceelsindelinglijst staan de perceelnummers 27328.57989 en 27391.57873 vermeld, als elk 9.00 hectare groot.

- Bij brief van 13 april 2000 heeft de uitvoeringsdienst LASER aan appellante meegedeeld dat uit nadere informatie is gebleken dat met betrekking tot de door haar in de aanvraag oppervlakten voor een akkerbouwbijdrage in aanmerking gebrachte percelen 4, 14 en 15 door appellante tevens een contract/leveringsaangifte is gesloten met de drogerij D te E, op grond waarvan de geconstateerde oppervlakten voor deze percelen op nihil moeten worden gesteld. LASER heeft appellante in die brief verzocht om, indien zij van mening is dat de geconstateerde oppervlakte onjuist is, dit binnen 14 dagen na dagtekening van de brief aan te geven.

- Door verweerder is hierop van appellante geen reactie ontvangen.

- Bij op 22 juni 2000 verzonden besluit heeft LASER aan appellante bericht dat de beslissing van 1 december 1999 tot toekenning van akkerbouwsubsidie voor 1999 na herbeoordeling is ingetrokken. Bij dit besluit heeft verweerder de aanvraag van appellante alsnog gedeeltelijk afgewezen, onder mededeling dat appellante een bedrag van fl. 27.776,69 moet terugbetalen.

- Appellante heeft tegen voormeld besluit bij brief van 26 juli 2000 bezwaar gemaakt.

- Op 14 december 2000 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- Bij brief van 11 maart 2000 heeft appellante onder meer de handelscontracten met D te E overgelegd met betrekking tot de jaren 1988 tot en met 1996, welke contracten alle betrekking hebben op de levering van luzerne van een oppervlakte van 9.00 hectare.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

" U voert aan dat in het grasdroogcontract per abuis de percelen 4,14 en 15 zijn opgenomen terwijl uw situatie in 1999 juist is weergegeven in uw aanvraag oppervlakten 1999 waarin u voornoemde percelen voor een akkerbouwsubsidie en perceel 11 voor grasdroogsubsidie ingevolge de HPA regelingen opgeeft. U voert aan dat percelen 4, 14 en 15 mitsdien ten onrechte voor zowel akkerbouwsteun als voor luzerne steun zijn opgegeven.

Hierover merk ik het volgende op.

U heeft door middel van ondertekening van het grasdroogcontract van 22 maart 1999 verklaard dat u over de percelen, waarop het contract betrekking heeft, in het kalenderjaar dat begint op 1 januari voor aanvang van het verkoopseizoen 1999/2000, geen subsidie heeft aangevraagd of zult aanvragen in het kader van de Regeling. Daarbij staat vermeld dat overtreding van deze bepaling voor LASER aanleiding kan zijn tot het opleggen van een sanctie in het kader van de Regeling.

Op grond van vorenstaande wist u, dan wel kon u weten, dat u een oppervlakte, die u op de aanvraag oppervlakten had opgegeven als akkerbouwgewas, niet tevens in het kader van de subsidieregeling gedroogde voedergewassen in aanmerking had mogen brengen voor droogsubsidie.

Als producent draagt u zelf de verantwoordelijkheid voor de opgegeven percelen. U mag een perceel niet voor meerdere subsidieregelingen in aanmerking brengen. Het opgeven van het betreffende perceel voor zowel een akkerbouwsubsidie als voor de Regeling gedroogde voedergewassen is dus voor uw eigen verantwoording. Het feit dat de grasdrogerij een fout heeft gemaakt bij het invullen van de perceelsindelingslijst alsmede hun verklaring van 4 juli 2000 maakt het niet anders.

U voert aan dat u met betrekking tot percelen 4/14/15 en perceel 11 zowel 9 ha. subsidie heeft aangevraagd bij respectievelijk de grasdrogerij als bij LASER. Gelet op voornoemde handelwijze is er voor u derhalve geen enkel financieel voordeel te behalen. Dat de maatschap er geen voordeel uit heeft kunnen halen, zoals u in uw bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting stelde, doet aan het bovenstaande echter niets af. Doorslaggevend is, dat u een grasdroogcontract heeft ondertekend voor genoemde percelen.

Volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven in haar uitspraak van 21 januari 1999, AWB 97/1243 S2, blijkt uit de tekst van artikel 1, derde lid, van Verordening (EG)nr. 658/96 dat bepalend is of subsidie is aangevraagd. Of deze subsidie ook daadwerkelijk is verkregen, is niet van belang. Uw verklaring dat de grasdrogerij per abuis onjuiste percelen op de perceelsindelingslijst heeft geregistreerd, kan, gelet op de toepasselijke EG-regelgeving, niet tot een ander oordeel leiden. LASER is ingevolge de EG-regelgeving gehouden om een sanctie toe te passen.

Uit de regelgeving volgt dat ten aanzien van dezelfde oppervlakte geen cumulatie van subsidie mag plaatsvinden. Zo geldt onder meer dat een oppervlakte, welke in het kader van de subsidieregeling gedroogde voedergewassen in aanmerking wordt gebracht voor droogsubsidie, niet tevens als akkerbouwgewas mag worden opgegeven in de aanvraag oppervlakten.

De berekening van de akkerbouwsubsidie wordt gemaakt op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte, dat wil zeggen de oppervlakte die voldoet aan alle voorwaarden. Bovendien geldt een sanctieregime, waarbij een vermindering van de feitelijk geconstateerde oppervlakte plaatsvindt als sprake is van een afwijking. Indien de afwijking meer dan 20% bedraagt, vervalt de gehele subsidie. Bij de beoordeling van uw aanvraag is dit kortingsregime toegepast, waarbij ervan is uitgegaan dat de oppervlakte, welke u blijkens uw contract had opgegeven voor droogsubsidie, niet voldoet aan de voorwaarden.

U heeft perceelsnummer 27328.57989 onder volgnummers 4, 14 en 15 opgegeven als percelen akkerbouwgewas in de aanvraag oppervlakten 1999 en voor hetzelfde perceelsnummer een grasdroogcontract met Grasdrogerij B.V. Oldambt afgesloten. Gelet op het voorgaande is er dientengevolge voor een oppervlakte van 9,00 ha. sprake van cumulatie van subsidie. U heeft 32,67 ha. overige granen voor subsidie opgegeven. De geconstateerde oppervlakte akkerbouwgewassen bedraagt 24,01 ha.

Aangezien het verschil tussen de opgegeven en geconstateerde oppervlakte uitgedrukt als percentage van de geconstateerde oppervlakte groter dan 20% is, is hiermee het recht op een subsidie geheel komen te vervallen.

Ik merk hierbij op dat u, ter voorkoming van cumulatie van subsidie, de aanvraag oppervlakten nog had kunnen wijzigen; tot en met 15 mei 1999 zonder korting, tot en met 8 juni 1999 met een korting van 1% per werkdag.

Ook bestaat er, op grond van artikel 9, tweede lid, onder b, van de Regeling, tot het moment van controle, de mogelijkheid een perceel van de aanvraag oppervlakten terug te trekken, wanneer u datzelfde perceel voor grasdrogen in aanmerking heeft gebracht. Hiervan heeft u geen gebruik gemaakt.

Ik ben voorts van mening dat in het onderhavige geval geen sprake is van een"duidelijke fout" in de zin van artikel 9, tweede lid, onder a, van de Regeling c.q. van een "manifeste fout" in de zin van het werkdocument van de Europese commissie van 5 maart 1996 (VI/646/96.NL) zodat wijzigingen na 8 juni 1999 niet meer mogelijk zijn. In het werkdocument worden als manifeste fouten aangemerkt tegenstrijdigheden in de aanvraag die wijzen op een vergissing. Uw aanvraag is als zodanig niet onlogisch, niet onvolledig en consequent ingevuld. Het staat de producent vrij om voor een perceel-waar mogelijk- al dan niet een subsidie aan te vragen. LASER behoefde derhalve geen gerede twijfel te hebben ten aanzien van hetgeen u met uw aanvraag beoogde. U heeft voorts aangevoerd dat u geen opzet had inzake uw opgave bij de Grasdrogerij. Hierover merk ik op dat volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven in haar uitspraak van 18 augustus 1999, AWB 98/5135 ingeval er van een klaarblijkelijke fout geen sprake is, de vraag of de producent te goeder trouw heeft gehandeld en of er geen gevaar van bedrog is, niet meer aan de orde is.

Dientengevolge is het niet mogelijk om via dit bezwaarschrift de gemaakte fout in het contract tussen u en D te herstellen. Voorgaande is een zaak tussen u en D."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samenvattend weergegeven - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante is van mening dat het bestreden besluit niet juist is, nu in het onderhavige geval sprake is van een duidelijke fout in de zin van artikel 9, tweede lid, onder a, van de Regeling dan wel een manifeste fout in de zin van het werkdocument van de Europese Commissie van 5 maart 1996.

Appellante hanteert al jaren hetzelfde bouwplan, waarbij ieder jaar subsidie wordt aangevraagd voor granen en luzerne jaarlijks wordt opgegeven voor droogsubsidie.

In de aanvraag oppervlakten voor 1999 zijn dezelfde percelen voor akkerbouwsteun in aanmerking gebracht als in 1998. Hierbij is over het hoofd gezien dat de situatie ten opzichte van 1998 was gewijzigd. Het perceel met topografisch nummer 27328.57989, op welk perceel tot en met 1998 nog luzerne werd verbouwd, is in de herfst van 1998 omgeploegd en op deze gronden zijn in 1999 wintertarwe en zomergerst geteeld. Op de Aanvraag oppervlakten 1999 is het bouwplan overeenkomstig de werkelijke situatie ingevuld.

Gelet op het gebruik van dit perceel in de voorgaande jaren en de omstandigheid dat in de laatste jaren steeds een zelfde oppervlakte luzerne is verbouwd, is het appellant bij het invullen van de perceelsindelingslijst bij het droogcontract niet opgevallen dat aldaar nog het perceelsnummer 27328.57989 stond vermeld. In het kader van de HPA-regeling zijn de percelen 4, 14 en 15 derhalve abusievelijk voor droogsubsidie in aanmerking gebracht, terwijl voor het op de aanvraag oppervlakten 1999 vermelde perceel met volgnummer 11 in het kader van de HPA-regeling geen aanvraag is ingediend.

Gelet op het vorenstaande kan het nimmer de bedoeling van appellante zijn geweest om voor de percelen 4, 14 en 15 in het kader van beide regelingen subsidie aan te vragen, nu appellante ten gevolge van de gemaakte vergissing enkel financieel nadeel lijdt. De op de percelen 4, 14 en 15 verbouwde gewassen, betreffen gewassen die in het geheel niet gedroogd kunnen worden, zodat appellante voor deze percelen in het kader van de HPA-regeling niet in aanmerking kan komen voor subsidie terwijl voor het perceel met volnummer 11 (wel luzerne) geen subsidie is aangevraagd in het kader van de HPA-regeling.

Nu slechts sprake is van een kleine vergissing bij het invullen van de aanvraag, is appellante van oordeel dat de toegepaste sanctie, de gehele terugvordering van de voor de gewasgroep "overige granen" verleende subsidie, in geen verhouding staat tot de feiten.

5. De beoordeling van het geschil

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder bij het bestreden besluit op goede gronden zijn standpunt heeft gehandhaafd dat de in appellantes aanvraag ingevolge de Regeling voor 1999 vermelde percelen met de volgnummers 4, 14 en 15 niet aan de voorwaarden voldoen.

Het College stelt overeenkomstig vaste jurisprudentie voorop dat uit artikel 1, derde lid, van Verordening (EG) nr. 658/96 volgt dat bouwland, waarvoor in het zelfde verkoopseizoen gefinancierde oppervlaktesteun in het kader van de regulering van de landbouwmarkten wordt aangevraagd voor andere dan de in Verordening (EEG) nr. 1765/92 bedoelde akkerbouwgewassen niet voor akkerbouwsubsidie in aanmerking komt en dat hierbij niet van belang is of die steun ook daadwerkelijk wordt of kan worden verleend. Appellantes betoog dat in het kader van de aanvraag om droogsteun met betrekking tot het perceelsnummer 27328.57989 in feite sprake is van een ondeugdelijke aanvraag omdat op dit perceel geen gewassen werden verbouwd die gedroogd konden worden, faalt derhalve.

Blijkens artikel 9, aanhef en onder c, van Verordening (EG) nr. 603/95 kan slechts droogsteun worden verleend indien het verwerkende bedrijf contracten heeft gesloten met producenten van te drogen voedergewassen. Een dergelijk contract moet ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening (EG) nr. 785/95 de identificatie van het landbouwperceel of de percelen bevatten. De perceelsindelinglijst is dan ook naar het oordeel van het College onlosmakelijk verbonden met de aanvraag voor droogsteun.

Aangezien de door appellante in de aanvraag oppervlakten met de volgnummers 4, 14 en 15 voor subsidie in aanmerking gebrachte percelen tevens staan vermeld in de perceelslijst, behorende bij het door appellante met D gesloten contract, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van deze percelen sprake is van een dubbele aanvraag, zodat deze percelen niet in aanmerking komen voor akkerbouwsteun.

Verweerder heeft voorts terecht overwogen dat hij gehouden was tot toepassing van de sanctiebepalingen op grond van artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 17 juli 1997 (C-354/95; National Farmers Union) uitgesproken dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden, die gelet op het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel de geldigheid van het in artikel 9, tweede tot en met vierde lid, van evengenoemde verordening neergelegde sanctiestelsel zouden kunnen aantasten. Dehalve kan ook het beroep van appellante op redelijkheid en billijkheid niet slagen.

Appellante heeft weliswaar gesteld dat sprake is van een manifeste fout, maar tevens verklaard dat haar aanvraag oppervlakten 1999 voor wat betreft de perceelsindeling en het gebruik van deze percelen de juiste weergave van de werkelijkheid geeft. Van een fout in appellantes aanvraag oppervlakten 1999 is derhalve in het geheel geen sprake, zodat wijziging van deze aanvraag, in strijd met de werkelijkheid, niet aan de orde kan zijn. Zo derhalve al sprake is van een fout in een aanvraag, nog daargelaten of deze als manifest kan worden aangemerkt, betreft dit de aanvraag om droogsteun. De beoordeling van deze aanvraag en de daarop gebaseerde besluitvorming valt evenwel buiten de grenzen van het onderhavig geding.

Op grond van al het vorenstaande is het beroep ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2002.

w.g. C.M. Wolters w.g. R.P.H. Rozenbrand