Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE2895

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-05-2002
Datum publicatie
23-05-2002
Zaaknummer
AWB 01/244
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 01/244 7 mei 2002

27605 Wet op de inkomstenbelasting 1964

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek

Uitspraak in de zaak van:

F.E. A Holding B.V., te Heerhugowaard, appellante,

gemachtigde: A. Melgerd, werkzaam bij AMIC Installation Consultancy B.V. te Zaandam,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr drs R.F. Jassies en ing. R. de Reu, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 4 april 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 maart 2001.

Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek om een verklaring af te geven als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB).

Op 17 juli 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2002. Zoals appellante bij brief van 21 maart 2002 heeft bericht, is zij niet verschenen. Verweerder heeft bij monde van zijn gemachtigden zijn standpunt nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet IB, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 11

1. In geval in een kalenderjaar:

a. (…);

b. in een onderneming die de belastingplichtige voor eigen rekening feitelijk drijft voor een bedrag van meer dan f 3800 wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van investeringen die door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen), wordt - onverminderd de toepassing van onderdeel a - op verzoek bij de aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel b, aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

(…)

12. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken - zo nodig afwijkende - regels worden gesteld met betrekking de in het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, bedoelde verklaring;"

Op grond van deze bepaling is de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek (hierna: de Uitvoeringsregeling) vastgesteld, waarbij onder meer is bepaald:

" Artikel 2

Als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie

(energie-investeringen) als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin,

onderdeel b, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage 1 van deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen."

In de in dit artikel 2 bedoelde bijlage (hierna: de Energielijst 1999) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

Als investeringen in bedrijfsmiddelen in het belang van een doelmatig gebruik van energie, (…), worden aangemerkt:

A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken door:

(…)

1.2.D. Een warmtepomp of warmtepompboiler bestemd voor het opwaarderen van omgevingswarmte naar hoogwaardige warmte, waarbij de hoogwaardige warmte wordt aangewend voor de verwarming van ruimten of tapwater (warmtepompboiler) in woningen of bedrijfsgebouwen, met uitzondering van omkeerbare systemen die buitenlucht als warmtebron benutten. De primaire energie dient onder normale gebruiksomstandigheden te worden omgezet naar bruikbare energie met een factor van tenminste 1,2,

en bestaande uit: gesloten warmtepomp op basis van een medium dat geen cfk's of hcfk's bevat, (eventueel) bronsysteem bestaande uit een grondwaterbron of een bodemwarmtewisselaar, (eventueel) lage-temperatuur verwarmingsnet (bedrijfstemperatuur / ontwerp toevoertemperatuur verwarmingsnet maximaal 60 oC), (eventueel) warmteopslagvat.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij een daartoe bestemd formulier, op 26 oktober 1999 door het Bureau Energie-investeringsaftrek van de Belastingdienst ontvangen, heeft appellante een aanvraag gedaan om een verklaring dat de daarbij aangemelde investering in het bedrijfsmiddel warmtepomp of warmtepompboiler (code 111101 volgens de Brochure Energie-investeringsaftrek 1999 van Senter, welke overeenkomt met code 1.2.D. volgens de Energielijst 1999), een investering is die is aangewezen als zijnde in het belang van een doelmatig gebruik van energie in de zin van artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de Wet IB (hierna: energieverklaring). Op 19 april 2000 en 18 mei 2000 heeft appellante desgevraagd verweerder nadere gegevens over het bedrijfsmiddel verstrekt.

- Bij besluit van 28 september 2000 heeft verweerder een energieverklaring afgegeven ter zake van het bedrijfsmiddel zoals door appellante in het kader van de Uitvoeringsregeling gemeld, in dier voege dat ten aanzien van 225 energieheipalen of bodemwarmtewisselaars niet het aangevraagde bedrag, doch slechts de meerprijs van (het inbrengen van) de energieslangen en de wapeningsnetten voor deze slangen in aanmerking is genomen. De reden hiervoor is dat de energieheipalen niet uitsluitend dienstbaar zijn aan de warmtepomp, maar tevens een dragende functie hebben.

- Bij brief van 6 november 2000, aangevuld bij brief van 15 januari 2001, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Op 16 januari 2001 is appellante naar aanleiding van de ingediende bezwaren door verweerder gehoord.

- Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, in dier voege dat de totale aanschafprijs van 156 energieheipalen voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt. De reden hiervoor is dat uit de door appellante verstrekte gegevens is gebleken dat de 156 energieheipalen onder de vloeren van het gebouw niet dragend zijn, waardoor zij technisch noodzakelijk en uitsluitend dienstbaar zijn aan de warmtepomp. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, hetgeen betekent dat voor de overige 69 energieheipalen slechts de meerprijs per heipaal voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt.

3. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante is van mening dat alle 225 energieheipalen (op een totaal van 234 heipalen) in aanmerking dienen te komen voor energie-investeringsaftrek. Voor de constructie van het uit meerdere verdiepingen bestaande kantoorgebouw was in ieder geval een paalfundering vereist, maar voor de constructie van de bedrijfshal kon, gelet op de bodemgesteldheid van het bouwterrein, volstaan worden met een vloer in het zand met vorstrand. Aangezien de wens bestond om via palen uit diepgelegen grondlagen energie te winnen en het niet verstandig is een gebouw op verschillende funderingstechnieken te construeren, is - mede gelet op het grote aantal benodigde energieheipalen - echter gekozen voor een algehele heifundering voor dit pand.

4. Het standpunt van verweerder

Het standpunt van verweerder, zoals dat in het verweerschrift is verwoord, luidt als volgt:

" (…)

De Energielijst is onderverdeeld in een specifieke en een generieke lijst. De warmtepomp staat vermeld op de specifieke lijst en moet derhalve in ieder geval bestaan uit de bestanddelen die staan vermeld achter 'bestaande uit'. Slechts wanneer het bedrijfsmiddel uit die minimale bestanddelen bestaat, mogen bestanddelen die staan vermeld achter '(eventueel)' daaraan worden toegevoegd. Tot de bestanddelen kunnen tevens voorzieningen worden gerekend die technisch noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar zijn aan deze bedrijfsmiddelen. Dat laatste geldt voor de heipaalconstructie, waarmee energie aan de bodem kan worden onttrokken.

De kosten voor de energiepalen komen derhalve uitsluitend voor een verklaring in aanmerking indien de energiepalen technisch noodzakelijk en uitsluitend dienstbaar zijn aan de warmtepomp.

Zoals appellant stelt, is de paalfundering voor kantoren noodzakelijk, maar niet voor de bedrijfshal. Daarvoor, zou een constructie 'op staal' voldoende zijn geweest. Appellant heeft de keuze gemaakt om energie middels palen uit de grond te winnen. Daarom is de fundering 'op staal' verlaten. In de plaats van een funderingsplan 'op staal' is een plan gemaakt voor de gehele fundering (kantoren én bedrijfshal) op palen.

Het funderingsplan doet zien dat een (klein) deel van de energiepalen mede voor funderingsdoeleinden is geslagen. Dit houdt verband met de vorm van de onderkant van de wanden die door de palen worden ondersteund. Deze vorm zou anders zijn als de wanden op staal zouden zijn gefundeerd. Dat het feit dat een deel van de energiepalen mede voor funderingsdoeleinden is geslagen een gevolg is van de door appellant zelf gemaakte keuze palen te slaan om energie uit de bodem te onttrekken, maakt dit niet anders. Daarmee is ook duidelijk gemaakt dat dit deel van de energiepalen niet uitsluitend dienstbaar is aan het bedrijfsmiddel warmtepomp.

De in de heipalen verwerkte kunststof slangen zijn wel technisch noodzakelijk en uitsluitend dienstbaar aan de warmtepomp. De meerprijs hiervoor heb ik dan ook meegerekend in mijn beslissing, waarbij ik voor de berekening gebruik heb gemaakt van het genoemde funderingsplan.

(…)"

5. De beoordeling van het geschil

Tussen partijen is niet in geschil is dat het aangemelde bedrijfsmiddel warmtepomp onder de omschrijving valt zoals die is opgenomen in de Energielijst 1999 en derhalve is aan te merken als energie-investering in de zin van artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de Wet IB. Het geschil spitst zich toe op de vraag of met betrekking tot 69 van de 225 gebruikte energieheipalen de totale kosten of slechts de meerprijs voor de in de heipalen verwerkte kunststof slangen voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de totale kosten van alle gebruikte 225 energieheipalen voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen, nu de bodemgesteldheid van het bouwterrein een uitvoering van de bedrijfshal als vloer in het zand met vorstrand mogelijk maakte, als gevolg waarvan de gebruikte energieheipalen geen dragende functie behoefden te hebben. De keuze voor energieheipalen is dus uitsluitend gemaakt in verband met de warmtepomp en niet in verband met hun dragende functie. Verweerder heeft benadrukt dat 69 energieheipalen weldegelijk een dragende functie vervullen.

Het College stelt voorop dat het beleidsuitgangspunt van verweerder, dat tot de bestanddelen van bedrijfsmiddelen tevens voorzieningen worden gerekend die technisch noodzakelijk zijn voor en uitsluitend dienstbaar aan deze bedrijfsmiddelen (welk uitgangspunt met zoveel woorden in de Energielijst 1998 voorkwam), niet onredelijk is.

Het College overweegt voorts dat uit de vorm van de onderkant van de bedrijfshalwanden die door de betwiste energieheipalen worden ondersteund - zoals deze vorm is ingetekend in de door appellante overgelegde tekening van het heiplan - moet worden afgeleid dat de onderhavige 69 energieheipalen mede een dragende functie hebben. Deze energieheipalen zijn derhalve niet uitsluitend dienstbaar aan het bedrijfsmiddel warmtepomp, zodat verweerder heeft kunnen oordelen niet de totale kosten, doch slechts de meerprijs voor de in deze 69 energieheipalen verwerkte kunststof slangen voor energie-investeringsaftrek in aanmerking te laten komen.

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2002.

w.g. J.A. Hagen w.g. M.S. Hoppener