Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE2610

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
15-05-2002
Zaaknummer
AWB 01/150
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/150 1 mei 2002

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A. en B. C, te D, appellante,

gemachtigde: H.W. Leraar, werkzaam bij Credion B.V. te Heerenveen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr M.M.F. Lobles, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 1 maart 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 31 januari 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen een besluit van 28 juni 2000, waarbij de aan haar op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) over 1999 toegekende subsidie is ingetrokken en teruggevorderd.

Verweerder heeft op 23 juli 2001 een verweerschrift ingediend.

Op 20 maart 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 1, derde lid, van Verordening (EG) nr. 658/96 van de Commissie van 9 april 1996, betreffende bepalingen voor de toekenning van compensatiebedragen in het kader van de steunregeling voor producenten van bepaalde voedergewassen, luidt als volgt:

" Bouwland waarvoor, in hetzelfde verkoopseizoen, op grond van artikel 1, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 729/70 (…) gefinancierde oppervlaktesteun wordt aangevraagd voor andere dan de in Verordening (EEG) 1765/92 bedoelde akkerbouwgewassen, komt niet voor een compensatiebedrag in aanmerking."

Ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 603/95 van de Raad kan steun worden verleend voor de in artikel 1 van deze verordening genoemde gedroogde voedergewassen. In artikel 9, aanhef en onder c), eerste gedachtestreepje, van deze verordening is voorzover hier van belang bepaald dat de in artikel 3 bedoelde steun alleen wordt uitbetaald aan bedrijven die de in artikel 1 genoemde produkten verwerken en die contracten hebben gesloten met producenten van te drogen voedergewassen.

Bij Verordening (EG) nr. 785/95 van 6 april 1995 heeft de Commissie de uitvoerings-bepalingen van Verordening (EG) nr. 603/95 vastgesteld. De uitvoeringsverordening luidt voorzover hier van belang als volgt:

" Artikel 5

(…)

2. De steunaanvraag bevat ten minste:

- de naam, de voornaam, het adres en de handtekening van de aanvrager,

- de hoeveelheden waarvoor steun wordt aangevraagd, uitgesplitst per partij,

- de datum waarop elke hoeveelheid het bedrijf heeft verlaten,

- de vermelding dat van elke partij overeenkomstig artikel 11, lid 3, monsters zijn genomen op het ogenblik dat die partijen het verwerkingsbedrijf hebben verlaten, en alle nodige informatie voor de identificatie van die monsters.

(…)

Artikel 8

1. Elk in artikel 9, onder c), van Verordening (EG) nr. 603/95 bedoeld contract bevat, naast de in artikel 11 van die verordening genoemde vermeldingen, met name:

a) de namen, voornamen en de adressen van de contracterende partijen

(…)

e) de identificatie van het landbouwperceel of de landbouwpercelen waarop de te verwerken voedergewassen worden geteeld, volgens het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen in het kader van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij op 2 december 1999 verzonden besluit heeft verweerder aan appellante bericht dat haar op 5 mei 1999 ontvangen aanvraag ingevolge de Regeling is goedgekeurd en dat zij recht heeft op een subsidie van fl. 4.071,50. De toegekende subsidie heeft betrekking op het door appellante met de gewascode voor snijmaïs opgegeven perceel van 6,8 ha met volgnummer 3 en het perceelsnummer 1773756746.

- Bij brief van 18 april 2000 heeft de uitvoeringsdienst LASER aan appellante meegedeeld dat uit nadere informatie is gebleken dat met betrekking tot het door haar in de aanvraag oppervlakten voor een akkerbouwbijdrage in aanmerking gebrachte perceel door appellante tevens een contract/leveringsaangifte is gesloten met de grasdrogerij Idaard te Idaerd, op grond waarvan de geconstateerde oppervlakte voor dit perceel op nihil moet worden gesteld. LASER verzoekt appellante, indien zij van mening is dat de geconstateerde oppervlakte onjuist is, dit binnen 14 dagen na dagtekening van de onderhavige brief aan te geven.

- Naar aanleiding van het vorenstaande heeft appellante bij brief van 25 april 2000 een brief van dezelfde datum van E, directeur van de grasdrogerij Idaard, aan LASER gezonden, waarin deze directeur meedeelt dat het perceel met het nummer 1773756746 door de grasdrogerij ten onrechte is vermeld in de bij perceelsindelingslijst, zoals die in het kader van de aanvraag voor droogsteun aan het Hoofdproductschap Akkerbouw (HPA) gezonden is en dat de maatschap desgewenst een verklaring/factuur van een loonbedrijf kan overleggen, waaruit blijkt dat op dit perceel in 1999 daadwerkelijk maïs is geteeld. In haar brief van 25 april 2000 merkt appellante voorts op dat de tenaamstelling van haar onderneming op de bij het contract met de grasdrogerij aan het HPA gezonden perceelsindelingslijst onjuist is en bovendien het relatienummer van appellante daarop geheel ontbreekt.

- Bij besluit van 28 juni 2000 heeft LASER aan appellante bericht dat de beslissing van 25 november 1999 tot toekenning van akkerbouwsubsidie voor 1999 na herbeoordeling is ingetrokken. Bij dit besluit heeft verweerder de aanvraag van appellante alsnog afgewezen, onder mededeling dat appellante het bedrag van fl. 4071,50 moet terugbetalen.

- Appellante heeft tegen voormeld besluit bij brief van 4 juli 2000 bezwaar gemaakt.

- Op 10 januari 2001 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- Naar aanleiding van het door appellante ingediende beroep is zijdens verweerder telefonisch informatie ingewonnen bij het HPA. In dit telefoongesprek is door het HPA meegedeeld dat naar aanleiding van de aldaar op 27 augustus 1999 ontvangen aanvraag droogsteun groenvoedergewassen via de grasdrogerij aan appellante voor een perceel met het nummer 1778356805 na vaststelling van het definitieve steunbedrag ongeveer fl. 824,-- is betaald voor 5600 kg gedroogd product.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

" Aangevoerd wordt dat perceel 3, beteeld met maïs, per abuis door de drogerij is opgegeven op het drogerijcontract en dat op het contract geen gras gedroogd is. De grasdrogerij heeft een fout gemaakt. Dit bevestigt de drogerij middels een verklaring. Het loonbedrijf verklaart dat zij voor u op perceel 3 maïs hebben gezaaid en geoogst.

Hierover merk ik het volgende op.

Uit de regelgeving volgt dat ten aanzien van dezelfde oppervlakte geen cumulatie van subsidie mag plaatsvinden. Zo geldt onder meer dat een oppervlakte, welke in het kader van de subsidieregeling gedroogde voedergewassen in aanmerking wordt gebracht voor droogsubsidie, niet tevens voor akkerbouwsteun mag worden opgegeven in de aanvraag oppervlakte.

Volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven in haar uitspraak van 21 januari 1999, AWB 97/1243 S2, blijkt uit de tekst van artikel 1, derde lid, van Verordening (EG) nr. 658/96 dat bepalend is of subsidie is aangevraagd. Of deze subsidie ook daadwerkelijk is verkregen, is niet van belang. De verklaring van de grasdrogerij dat zij op het contract ten onrechte het betreffende perceel hebben vermeld en bij het HPA hebben opgegeven, terwijl hun bekend was dat mts. C op dat perceel maïs verbouwde, doch dat van dit perceel nooit producten zijn gedroogd, kan, gelet op de toepasselijke EG-regelgeving, niet tot een ander oordeel leiden. LASER is ingevolge de EG-regelgeving gehouden om de toegekende akkerbouwsubsidie in te trekken.

Op de hoorzitting heeft u bevestigd dat u op 19 juli 1999 het grasdroogcontract nr. 11558 met Grasdrogerij Idaerd heeft gesloten en door u is ondertekend.

Het grasdroogcontract vermeldt dat zonder dit contract/leveringsaangifte geen groenvoedergewassen worden gedroogd met verrekening van de EG-subsidie in het kader van de marktordening Gedroogde Voedergewassen. U heeft door middel van ondertekening van het grasdroogcontract verklaard dat u over de percelen, waarop het contract betrekking heeft, in het kalenderjaar dat begint op 1 januari vóór aanvang van het verkoopseizoen, geen subsidie heeft aangevraagd of zult aanvragen in het kader van de Regeling. Daarbij staat vermeld dat overtreding van deze bepaling voor LASER aanleiding kan zijn tot het opleggen van een sanctie in het kader van de Regeling (…).

Op grond van het vorenstaande wist u, dan wel kon u weten, dat u een oppervlakte, die u op de aanvraag oppervlakten had opgegeven als akkerbouwgewas niet tevens in het kader van de subsidieregeling gedroogde voedergewassen in aanmerking had mogen brengen voor droogsubsidie. Ook in de brochure Aanvraag Oppervlakten 1999 stond deze informatie.

Als producent draagt u zelf de verantwoording voor de opgegeven percelen. Dit geldt ook voor hetgeen wordt ingevuld door derden die u inschakelt om uw formulier in te vullen, zoals de grasdrogerij, ook al geeft de grasdrogerij zelf aan een administratieve fout te hebben gemaakt op het grasdroogcontract. (…)

Gelet op hetgeen door u wordt aangevoerd, de door u overgelegde stukken ben ik van mening dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat in het onderhavige geval geen sprake is van cumulatie van (aanvraag van) subsidie."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samenvattend weergegeven - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Verweerder is in het bestreden besluit ten onrechte voorbij gegaan aan het in de brief van appellante van 25 april 2000 aangevoerde argument dat de op het contract met de grasdrogerij vermelde tenaamstelling van de onderneming van appellante onjuist is.

Op het contract en overigens ook op de daarbij behorende perceelsindelingslijst is als naam van de producent B vermeld, terwijl bovendien op de lijst het relatienummer van appellante ontbreekt.

Naar de opvatting van appellante volgt uit die onjuiste tenaamstelling dat het contract niet geldig is, zodat het niet aan haar kan worden tegengeworpen.

In ieder geval staat gelet op voormelde tenaamstelling geenszins vast dat een van de vennoten van appellante, A, van de ondertekening van het contract op de hoogte was.

Hierbij komt dat in het bestreden besluit tevens melding wordt gemaakt van grasdrogerij Ideard. Nu deze grasdrogerij niet bestaat en ook nooit bestaan heeft, is ook om die reden geen sprake van een rechtsgeldig contract.

Bovendien heeft verweerder in het verweerschrift op bladzijde 2 ten onrechte melding gemaakt van een dubbele aanvraag met betrekking tot het perceel met het nummer 17773756745. Appellante heeft echter in het geheel geen steunaanvraag ingediend voor een perceel met dit nummer, terwijl ook de grasdrogerij niet aan een perceel met dit nummer heeft gerefereerd.

Dat reeds bepalend zou zijn of droogsteun is aangevraagd, ongeacht of deze ook is verleend, is slechts voorstelbaar ten aanzien van gewassen die daadwerkelijk gedroogd kunnen worden. Nu de in het kader van de Regeling voor subsidie in aanmerking gebrachte snijmaïs niet gedroogd kan worden, kan aan de vermelding van het onderhavige perceel op de lijst behorende bij het droogsteuncontract geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

Tenslotte acht appellante het bestreden besluit in strijd met de door verweerder in acht te nemen redelijkheid en billijkheid. Door de directeur van de grasdrogerij is volmondig erkend dat hij een kennelijke fout heeft gemaakt, terwijl geen enkele subsidieverlenende instantie is benadeeld.

5. Het nadere standpunt van verweerder

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder nog het volgende aangevoerd.

Erkend wordt dat ten onrechte in het bestreden besluit niet is ingegaan op het argument van appellante met betrekking tot de tenaamstelling in het contract met de grasdrogerij en de daarbij horende perceelsindelingslijst. Naar de opvatting van verweerder kan dit echter niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep, nu voormelde omstandigheid niet afdoet aan het feit dat ten aanzien van perceel 1773756746 (in het verweerschrift abusievelijk aangeduid met het nummer 177356745) een dubbele aanvraag is ingediend, hetgeen ingevolge de toepasselijke regelgeving niet is toegestaan.

Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat niet valt in te zien dat het contract met de grasdrogerij op de door appellante gestelde gronden ongeldig zou zijn. Bovendien is niet gebleken dat de maatschap zich tegenover de grasdrogerij op die gestelde ongeldigheid heeft beroepen, terwijl uit de bij het HPA telefonisch ingewonnen informatie is gebleken dat op een ander dan het in geding zijnde perceel, dat eveneens op de bij het droogcontract behorende lijst was vermeld, door appellante via de grasdrogerij subsidie is ontvangen.

Ook erkent verweerder dat in het bestreden besluit melding wordt gemaakt van grasdrogerij Ideard, maar dit kan evenmin aan de rechtsgeldigheid van het contract afdoen.

6. De beoordeling van het geschil

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder bij het bestreden besluit op goede gronden zijn standpunt dat het in de aanvraag ingevolge de Regeling voor 1999 van appellante met het volgnummer 3 vermelde perceel niet aan de voorwaarden voldoet, heeft gehandhaafd.

Het College stelt voorop dat uit artikel 1, derde lid, van Verordening (EG) nr. 658/96 volgt dat bouwland, waarvoor in het zelfde verkoopseizoen communautair gefinancierde oppervlaktesteun voor andere dan de in Verordening (EEG) nr. 1765/92 bedoelde akkerbouwgewassen, niet voor akkerbouwsubsidie in aanmerking komt en dat hierbij niet van belang is of die steun ook daadwerkelijk wordt verleend of door wie de steun is aangevraagd.

Nu blijkens artikel 9, aanhef en onder c), van Verordening (EG) nr. 603/95 aan bedrijven als dat van appellante slechts droogsteun kan worden betaald indien het verwerkende bedrijf contracten heeft gesloten met producenten van te drogen voedergewassen en een dergelijk contract ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening (EG) nr. 785/95 de identificatie van het landbouwperceel of de -percelen moet bevatten, is de perceelslijst onlosmakelijk verbonden met de aanvraag voor droogsteun. Blijkens de weergave van de vaststaande feiten staat vast dat een aanvraag voor droogsteun is gedaan, waarbij op de daarbij horende perceelslijst een perceel met het nummer 1773756746 is vermeld.

Aangezien het door appellante in de aanvraag oppervlakten met volgnummer 3, zijnde voormeld perceel met nummer 1773756746, voor subsidie in aanmerking gebrachte perceel tevens is vermeld in de perceelslijst, behorende bij het door appellante met de grasdrogerij Idaard gesloten contract, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een dubbele aanvraag. Vanzelfsprekend kan de onjuiste vermelding van het perceelsnummer in het verweerschrift - 1773756745 in plaats van 1773756746 - hier niet aan afdoen.

Het College onderschrijft voorts vanwege door verweerder genoemde redenen diens standpunt met betrekking tot de argumenten van appellante tegen de rechtsgeldigheid van het contract met de grasdrogerij.

Verweerder was derhalve, toen bleek dat het onderhavige perceel tevens voor droogsteun in aanmerking was gebracht, ingevolge op artikel 1, derde lid, van Verordening (EG) nr. 658/96 gehouden het onderhavige perceel bij de (her)beoordeling van de aanvraag oppervlakten buiten beschouwing te laten.

Nu voor de toepasselijkheid van dit artikellid niet van belang is of de aanvraag voor droogsteun met betrekking tot het perceel van appellante met nummer 1773756746 is ingewilligd, kan noch de verklaring van de directeur van de grasdrogerij noch de stelling dat het door haar geteelde gewas feitelijk niet gedroogd kan worden, appellante baten.

De bij het bestreden besluit gehandhaafde sanctie is mede gebaseerd op artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92. Gelet op hetgeen is overwogen door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 17 juli 1997 (C-354/95; National Farmers Union) omtrent de rechtsgeldigheid, in het licht van de beginselen van evenredigheid, rechtszekerheid en non-discriminatie, van het in artikel 9, tweede tot en met vierde lid, van evengenoemde verordening neergelegde sanctiestelsel, kan ook het beroep van appellante op redelijkheid en billijkheid niet slagen.

Op grond van al het vorenstaande is het beroep ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2002.

w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaas