Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE1635

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-03-2002
Datum publicatie
17-04-2002
Zaaknummer
AWB 01/662
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 01/662 28 maart 2002

20110 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A, te Amsterdam, appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 26 juni 2001.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 26 juni 2001, heeft de raad van tucht appellante afschrift toegezonden van zijn op 26 juni 2001 genomen beslissing op een klacht, op 11 januari 2001 door appellante ingediend tegen B (hierna: betrokkene)

Bij een op 14 augustus 2001 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellante tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 21 augustus 2001 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2002, alwaar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

4. De middelen van beroep

Appellante heeft, samengevat weergegeven, tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen voorgedragen.

4.1 In het zittingsverslag d.d. 18 juni 2001 van de openbare zitting van de raad van tucht gehouden op 24 april 2001 is het verhandelde ter zitting op enkele punten niet goed weergegeven. Het verslag zou moeten worden gerectificeerd op de door appellante in haar beroepschrift aangegeven wijze.

4.2 Ten aanzien van het in de uitspraak gestelde onder 5, ad 1, merkt appellante op dat het aldaar genoemde misverstand er wel duidelijk is. Dienaangaande werpt appellante de volgende punten op:

- welke is de rechtspositie van de accountant? Ondernemer of werknemer?

- Welke zijn de leveringsvoorwaarden?

- Welke zijn de uurtarieven e.d.?

- In welk licht moet de begroting voor 1999 worden gezien?

- Is appellante tijdig geïnformeerd om hierop te anticiperen?

Eventueel een nieuwe accountant te zoeken.

4.3 Ten aanzien van het gestelde in de uitspraak onder 5, ad 2, 3 en 4 is appellante van mening dat 'het voldoende betwisten van de klacht' niet correct is om reden als in het beroepschrift aangegeven.

5. De beoordeling

5.1 Ten aanzien van de eerste grief van appellante overweegt het College dat ingevolge artikel 68 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten het beroep slechts kan betreffen de beslissing van de raad van tucht aangaande een tegen Accountant-Administratieconsulent gerezen bezwaar. Derhalve kunnen bezwaren tegen de inhoud van een zittingsverslag van de raad van tucht niet als zodanig in beroep bij het College worden bestreden doch slechts aan de orde komen voor zover van belang voor de beoordeling van - in casu - de ongegrondverklaring van de klacht. Gesteld noch gebleken is dat van dit laatste sprake is, zodat het College, mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, aan deze grief van appellante voorbij gaat.

5.2 De tweede grief van appellante richt zich tegen het oordeel van de raad van tucht dat, wat er ook zij van de omschrijving in de brief d.d. 1 december 1998 van betrokkene aan appellante van de situatie waarin betrokkene per 1 januari 1999 zou gaan werken, niet valt in te zien welk misverstand in de professionele relatie tussen betrokkene en appellante daardoor kon ontstaan en welk verwijt betrokkene daarover tuchtrechtelijk kan worden gemaakt.

Het College overweegt dienaangaande het volgende.

In zijn brief van 1 december 1998 heeft betrokkene appellante onder andere het volgende bericht:

" Het Nieuwe jaar 1999 start voor ons met een verhuizing.

Vanaf 1 januari a.s. associëren wij ons namelijk met Accountants- en belastingadvieskantoor C. (…)

De fusie met C vindt plaats om onder andere (…) en daarmee de continuïteit van ons kantoor nog sterker te waarborgen. (…)

(…)

Wij zijn ervan overtuigd dat ons besluit om ons met dat kantoor te associëren voor u zonder meer profijtelijk is!

(…)

Met ingang van 4 januari 1999 is het kantoor op het nieuwe adres geopend.

(…)

Dezelfde vertrouwde personen zullen u vanaf ons nieuwe adres weer van dienst zijn, (…)

Door de fusie met onze collega's in Amsterdam zijn wij in voldoende mate in staat de uitdagingen van het nieuwe millennium met vertrouwen tegemoet te treden, zal ons kantoor weer verder kunnen groeien en kunnen wij u desondanks toch dezelfde persoonlijke aandacht blijven geven, die u van ons gewend bent.

(…)"

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene per 1 januari 1999 in loondienst is getreden van C. Betrokkene heeft - desgevraagd - verklaard dat hij met de termen 'fusie' en 'associatie' die hij in zijn brief van 1 december 1998 heeft gebezigd, wilde benadrukken dat er voor zijn cliënten weinig behoefde te veranderen en dat hij geen andere benaming kon vinden voor zijn nieuwe werksituatie.

Het College acht evenwel de door betrokkene bij genoemde brief gegeven voorstelling van zaken in tuchtrechtelijk opzicht verwijtbaar en overweegt daartoe het volgende. Uit de hiervoor weergegeven passages van bedoelde brief blijkt op geen enkele wijze dat betrokkene vanaf 1 januari 1999 in een van C afhankelijke positie kwam te verkeren, noch dat de voor cliënten te verrichten werkzaamheden door C volgens de bij dit kantoor geldende tarieven aan hen in rekening zouden worden gebracht.

Het College is van oordeel dat met het gebruik van de termen 'fusie' en 'associatie' in de brief van 1 december 1998 door betrokkene tegenover zijn cliënten de schijn is gewekt van een op basis van gelijkwaardigheid samengaan van partijen. Deze suggestie is versterkt doordat betrokkene in deze brief tevens heeft gesproken over het nog sterker waarborgen van de continuïteit en het weer verder kunnen groeien van 'ons kantoor'. Door deze onjuiste voorstelling van zaken kon bij appellante de indruk ontstaan dat de met betrokkene gemaakte afspraken over de door hem te leveren diensten en de daarvoor in rekening te brengen kosten onveranderd van kracht zouden blijven. Appellante werd evenwel, naar zij stelt, geconfronteerd met facturering door C die niet in overeenstemming was met de afspraken die zij daaromtrent met betrokkene had gemaakt Naar het oordeel van het College mag van een zelfstandig werkend accountant-administratieconsulent met een eigen cliëntenbestand worden verwacht dat hij, in geval van een verandering van omstandigheden als voormeld, zijn cliënten daarvan op juiste wijze in kennis stelt, alsmede van de daaruit voor hen voortvloeiende consequenties. Geoordeeld moet worden dat betrokkene door het verstrekken van voormelde, onjuiste informatie heeft gehandeld in strijd met artikel 5 van de Gedrags- en Beroepsregels Accountants-Administratieconsulenten (GBAA). Het verweer van betrokkene dat hij geen andere benaming voor de situatie kon vinden, kan hem niet baten.

Het College oordeelt op grond van het vorenoverwogene dat:

- de bestreden tuchtbeslissing niet in stand kan blijven;

- het geraden is dat het College de zaak zelf af doet;

- ter zake van vorenomschreven tuchrechtelijk verwijtbaar handelen de maatregel van een schriftelijke waarschuwing passend en geboden is te achten.

Gelet op het vorenstaande kan het derde middel buiten bespreking blijven.

De na te melden beslissing berust op artikel 68 van de wet op de Accountants-Administratieconsulenten en op artikel 5 van de GBAA.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing van de raad van tucht van 26 juni 2001;

- verklaart de klacht alsnog gegrond;

- legt aan betrokkene de maatregel op van schriftelijke waarschuwing.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H. Cusell en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2002.

w.g. B. Verwayen w.g. M.J. van den Broek-Prins