Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE1286

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-03-2002
Datum publicatie
10-04-2002
Zaaknummer
AWB 01/345
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 01/345 22 maart 2002

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te E, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr B.T. Goerdat.

1. De procedure

Op 2 mei 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 22 maart 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 14 november 2000, strekkende tot het niet behandelen van haar aanvraag om een premie in het kader van de Regeling dierlijke EG-premies (zoogkoeien verkoopseizoen 2000) wegens onvolledigheid ervan, ongegrond verklaard.

Bij een op 17 mei 2001 ingekomen brief heeft appellante het beroep nader gemotiveerd.

Op 6 september 2001 is een verweerschrift ingekomen.

Op 8 februari 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Hierbij hebben appellante in persoon en verweerder bij monde van zijn gemachtigde hun standpunten nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De relevante bepalingen van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna te noemen: de Regeling) luidden ten tijde als hier van belang als volgt:

" Artikel 2.3

1. Terzake van het gedurende de desbetreffende aanhoudperiode op hun bedrijf aanhouden van een zoogkoe, stier, os, onderscheidenlijk ooi, wordt jaarlijks op daartoe strekkende aanvraag, na afloop van het betrokken verkoopseizoen, overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en de verordeningen 1254/1999, 2342/1999, 2467/98 en 2700/93 aan producenten premie verstrekt.

2. (…)

Artikel 2.4

Om voor premie als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, in aanmerking te komen:

a. dient de producent een premieaanvraag dieren in, die in één of meer door de minister vast te stellen aanvraagperioden per jaar door LASER moet zijn ontvangen.

b. kan per aanvraagperiode slechts eenmaal een aanvraag worden ingediend, welke ten minste betrekking heeft op tien ooien, onderscheidenlijk drie stieren, drie ossen of drie zoogkoeien.

Artikel 2.5

1. Voor iedere aanvraag (…), mededeling of deelnamemelding, in het kader van deze regeling maakt de producent gebruik van een daartoe door LASER vastgesteld formulier dat door de producent volledig en naar waarheid wordt ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

2. Bij de indiening van een formulier, of het verstrekken van een mededeling, bedoeld in het eerste lid, legt de producent alle bewijsstukken over ten aanzien waarvan zulks wordt verlangd.

3. De producent is verplicht degene die belast is met de uitvoering van deze regeling op diens verzoek alle ter zake van die gegevens gewenste nadere inlichtingen terstond en naar waarheid te verstrekken.

Artikel 2.6

1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.4, is niet ontvankelijk indien deze niet binnen de door de minister voor die aanvraag vastgestelde periode door LASER is ontvangen.

2. (…)

3. (…)

4. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt slechts in behandeling genomen indien de in artikel 2.5, tweede lid, bedoelde bewijsstukken binnen de desbetreffende periode, dan wel uiterlijk op een nader door LASER vastgesteld tijdstip, door LASER zijn ontvangen. (…)."

Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:

" Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op een hiertoe strekkend formulier, door verweerder (agentschap LASER) ontvangen op 4 september 2000, een aanvraag ingediend op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (zoogkoeien verkoopseizoen 2000), hierna te noemen: de Regeling.

- Bij brief van 17 oktober 2000 heeft de teammanager van LASER appellante bericht dat de aanvraag onvolledig is omdat het aantal zoogkoeien dat is vermeld op de bedrijfskalflijst niet gelijk is aan het aantal zoogkoeien op het aanvraagformulier en omdat bij de aanvraag geen of een onjuist ingevuld Meldingsformulier Veebezetting is gevoegd. Appellante is hierbij in de gelegenheid gesteld binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief de aanvraag aan te vullen, waarbij is vermeld dat, indien dit niet voldoende gebeurt, het gevolg is dat de aanvraag geheel of gedeeltelijk niet wordt behandeld en dat geen bijdrage wordt verleend.

- Appellante heeft niet binnen deze termijn gereageerd.

- Bij besluit van 14 november 2000 heeft verweerder, gelet op artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag buiten behandeling gelaten.

- Hiertegen heeft appellante bij brief van 22 december 2000 bezwaar gemaakt. Hierbij heeft zij onder meer aangevoerd dat zij de brief van 17 oktober 2000 heeft geopend, dat zij de bovenkant heeft gelezen en heeft geconstateerd dat de aanvraag was ontvangen, maar dat zij wegens ziekte niet de moeite heeft genomen de brief in zijn geheel uit de enveloppe te halen.

- Bij brief van 27 februari 2001 is appellante in de gelegenheid gesteld om binnen 10 dagen na dagtekening van deze brief aan te tonen dat zij in de desbetreffende periode wegens ziekte haar werkzaamheden niet heeft kunnen uitoefenen, bijvoorbeeld middels een artsenverklaring.

- Bij fax van 5 maart 2001 heeft appellante hierop gereageerd en medegedeeld dat zij een dergelijke verklaring niet kan overleggen, aangezien zij in de bewuste periode de griep heeft gehad en daarvoor geen bezoek aan de huisarts heeft gebracht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat hem uit het bezwaarschrift niet is gebleken noch dat uit de fax van 5 maart 2001 duidelijk is komen vast te staan dat appellante door ziekte niet in staat is geweest de brief van 17 oktober 2000 in zijn volledigheid te lezen. Appellante heeft immers de brief opengemaakt en geconstateerd dat de premieaanvraag was ontvangen. Verweerder heeft voorts aangegeven dat hij niet bewezen acht dat het voor appellante onmogelijk is geweest om tijdig de gevraagde aanvullingen over te leggen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in beroep - samengevat weergegeven en voorzover hier van belang - het volgende aangevoerd.

Zij heeft allereerst betoogd dat er, anders dan verweerder meent, wel sprake is van een overmachtsituatie. Daarover is zij in bezwaar ten onrechte niet gehoord. Door haar ziekte zijn de essentie en de urgentie van de brief van 17 oktober 2000 niet tot haar doorgedrongen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij bij haar brief van 17 mei 2001, bevattende de nadere motivering van haar beroep, een verklaring van haar huisarts overgelegd, gedateerd 11 mei 2001. In deze verklaring wordt gesproken over gezinsproblemen. Ter zitting heeft appellante deze problemen toegelicht.

Appellante heeft in haar brief van 17 mei 2001 in dit verband voorts gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met het doel en de strekking van de terzake geldende (Europees- en nationaalrechtelijke) regelgeving, dat de gevolgen van dat besluit voor haar niet evenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (van een administratieve controle) en dat er geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ter beoordeling staat of verweerder - gelet op hetgeen appellante in de bezwaarfase heeft aangevoerd met betrekking tot overmacht om te reageren op de herstelbrief van

17 oktober 2000 - bij de beslissing op bezwaar zijn besluit van 14 november 2000 om de aanvraag niet te behandelen, heeft kunnen handhaven.

5.2 Het College overweegt hierover, dat appellante in haar bezwaarschrift als verklaring voor het uitblijven van een reactie op de brief van 17 oktober 2000 heeft gesteld dat zij griep had, waarbij zij tevens heeft aangegeven dat zij daarover geen medische verklaring kon overleggen. In het midden kan blijven of hetgeen appellante eerst in beroep bij het College naar voren heeft gebracht omtrent de werkelijke problemen die zij en haar gezin in de bewuste periode ondervonden, zou hebben kunnen leiden tot het oordeel dat verweerder het besluit van 14 november 2000 tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag niet in redelijkheid heeft kunnen handhaven. Het College kan er niet aan voorbij gaan dat de ware toedracht op het moment van de totstandkoming van het bestreden besluit bij verweerder niet bekend was en ook niet bekend kon zijn. Appellante heeft er om haar moverende redenen, hoewel begrijpelijk, immers van afgezien een en ander ter kennis van verweerder te brengen. De gevolgen hiervan dienen voor haar rekening te blijven.

5.3 Verweerder heeft appellante niet alleen met zijn herstelbrief de gelegenheid geboden de aanvraag met de ontbrekende gegevens aan te vullen, maar heeft haar ook in bezwaar in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat het voor haar onmogelijk was binnen de gestelde termijn te reageren, met andere woorden dat er sprake was van een overmachtsituatie. Nu appellante van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, kan niet worden gezegd dat verweerder bij het bestreden besluit onjuist heeft gehandeld door het primaire besluit van 14 november 2000 te handhaven. In hetgeen appellante in bezwaar heeft aangevoerd hoefde verweerder geen aanleiding te zien haar te horen alvorens op het bezwaar te beslissen. Verweerder heeft in haar schriftelijk gegeven verklaring terecht geen overmachtsituatie gelegen gezien.

5.4. Van een onzorgvuldige besluitvorming is, naar het oordeel van het College, onder deze omstandigheden geen sprake. Voorts kan niet worden staande gehouden dat de gevolgen voor appellante niet evenredig zijn in verhouding tot de met het gehandhaafde besluit te dienen doelen, bestaande uit het tijdig uitvoeren van de met een juiste beoordeling van de aanvraag samenhangende administratieve en fysieke controles.

5.5 Uit het vorenoverwogene volgt dat hetgeen appellante heeft aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond.

5.6 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr R.H.L. Dallinga, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2002.

w.g. M.A. van der Ham w.g. R.H.L. Dallinga