Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE1282

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-03-2002
Datum publicatie
10-04-2002
Zaaknummer
AWB 01/301
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 01/301 8 maart 2002

6090 Regeling overig/GMP-erkenning diervoeder

Uitspraak in de zaak van:

T, te X, appellante,

gemachtigden: mr F.J.M. Kobossen en mr H.H. van Steijn, advocaten te Deventer,

tegen

het Productschap Diervoeder, verweerder,

gemachtigden: J. den Hertog, mr A. Franken en mr E. Kleijwegt.

1. De procedure

Op 19 april 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 maart 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 24 juni 1999, waarbij haar GMP-erkenning is ingetrokken.

Bij brieven van 8 en 10 mei 2001 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft op 22 juni 2001 een verweerschrift ingediend.

Op 6 en 12 december 2001 heeft appellante het College een tweetal faxberichten doen toekomen.

Op 14 december 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden gelijtijdig met de behandeling van het beroep van H tegen de (handhaving van de) weigering een GMP-erkenning te verlenen.

Namens de appellanten is het woord gevoerd door de gemachtigde mr H.H. van Steijn. Verweerders standpunt is nader toegelicht door zijn gemachtigden.

Bij brief van 18 december 2001 heeft verweerder, overeenkomstig hetgeen met partijen ter zitting is besproken, aan het College nog stukken met betrekking tot de (verlenging van de) hernieuwde GMP-erkenning van appellante toegezonden.

Vervolgens is het onderzoek in de zaak gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 2 van de Regeling verbod voedsel- en slachtafvallen (varkens) van 4 april 1986 (hierna ook: de Swillregeling) is het volgende bepaald:

" Het is verboden voedsel- of slachtafvallen te vervoeren naar plaatsen waar een of meer varkens worden gehouden of af te leveren aan eigenaren, houders of hoeders van een of meer varkens."

In de Verordening Vvr erkenningsregeling GMP diervoedersector 1992 (hierna: de Verordening) is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 1

1. Deze verordening (…) verstaat (…) onder:

a. GMP-codes: Good Manufacturing/Managing Practice-codes, zijnde de voorwaarden en criteria met betrekking tot bedrijfsinrichting, bedrijfsvoering, procescondities, processen, procedures, verantwoordelijkheden en voorzieningen zoals aangegeven in de bijlage bij deze verordening, waaraan moet worden voldaan om te waarborgen dat de basiskwaliteit wordt gerealiseerd;

b. deelnemer: de ondernemer aan wie voor een of meer door hem geëxploiteerde bedrijfseenheden overeenkomstig het bepaalde bij paragraaf 2 een erkenning is verleend;

(…)

h. basiskwaliteit: de kenmerken van toevoegings- en diergenees-middelen, voormengsels, grondstoffen en diervoeders, zoals die door het bestuur in het Besluit Vvr normen GMP diervoedersector 1997 zijn vastgesteld;

i. GMP-regeling: het geheel van normen met betrekking tot basiskwaliteit, de voorwaarden en criteria omtrent het kwaliteitssysteem in de GMP-code en de daarbij behorende nader vastgestelde beheersings-maatregelen, bij of krachtens deze verordening van toepassing.

Artikel 2

1. In het geval een ondernemer de basiskwaliteit jegens zijn afnemers wil borgen overeenkomstig de GMP-regeling, dan kan hij voor de bedrijfseenheid betreffende de handel in, op- en overslag, be- en verwerking dan wel produktie van grondstoffen, voormengsels en diervoeders een erkenning aanvragen.

(…)

Artikel 3

(…)

3. Om voor een erkenning in aanmerking te komen, dient ten genoegen van het productschap te worden aangetoond dat in de te erkennen bedrijfseenheid alle activiteiten, waarop de GMP-regeling betrekking heeft, hieraan voldoen. (…).

(…)

Artikel 8

1. Gedurende de geldigheidsduur van een erkenning wordt door de beoordelende instantie tenminste ieder halfjaar bij de deelnemer een controle uitgevoerd.

2. Indien de beoordelende instantie constateert dat niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden en criteria van de GMP-regeling, wordt door de secretaris schriftelijk meegedeeld op welke punten afwijkingen zijn geconstateerd, waarna de deelnemer een door de secretaris te bepalen termijn heeft om de geconstateerde afwijkingen te herstellen. Na deze termijn zal een herbeoordeling plaatsvinden.

3. Indien uit de herbeoordeling blijkt dat nog niet aan de voorwaarden en criteria van de GMP-regeling wordt voldaan, kan de secretaris de maatregelen, bedoeld in artikel 10 nemen.

Artikel 9

(…)

2. De deelnemer is verplicht het bepaalde bij of krachtens deze verordening na te leven.

(…)

Artikel 10

1. Indien de deelnemer de verplichtingen uit artikel 9 (…) niet naleeft, danwel na de herbeoordeling, bedoeld in artikel 8, tweede lid, nog niet aan de voorwaarden en criteria van de GMP-regeling voldoet, kan de secretaris:

- de erkenning intrekken (…)."

In de bijlage behorend bij voornoemde verordening, de GMP-code voor de diervoedersector (hierna: de GMP-code), is onder meer het volgende bepaald:

" 4.3 Normen en eisen (contractbeoordeling)

4.3.1 Algemeen

De ondernemer draagt er zorg voor dat zijn producten en/of diensten aantoonbaar voldoen aan de in het kader van de GMP-regeling door het bestuur bij besluit vastgestelde normen.

(…)

Voordat nieuwe producten/diensten in het leveringsprogramma worden opgenomen, wordt geverifieerd of aan alle van toepassing zijnde wettelijke voorschriften en normen in het kader van de GMP-regeling wordt voldaan. Hiervan worden registraties gedaan.

(…)

4.6 Inkoop

4.6.1 Algemeen

De ondernemer heeft schriftelijk vastgelegde procedures om te bewerkstelligen dat met ingekochte producten aan de gespecificeerde eisen bedoeld in paragraaf 4.3 (basiskwaliteit) kan worden voldaan.

De ondernemer heeft aantoonbare afspraken met dienstverleners die van invloed zijn op de basiskwaliteit.

Indien toeleveranciers erkend zijn in het kader van deze GMP-regeling, behoeven met hen geen nadere afspraken gemaakt te worden.

4.6.2 Het evalueren van (contractuele) toeleveranciers

De ondernemer beschikt over geactualiseerde lijsten van toeleveranciers van producten en diensten die voor de realisatie van basiskwaliteit van belang zijn.

a) De ondernemer evalueert minimaal jaarlijks de toeleveranciers van producten en diensten. De evaluatie heeft betrekking op hun vermogen om te voldoen aan de gemaakte afspraken en de geschiktheid van de geleverde producten voor het realiseren van basiskwaliteit in de af te leveren producten of diensten.

b) Er zijn minimaal lijsten van toeleveranciers van producten (voedermiddelen, hulpstoffen, voormengsels, toevoegingsmiddelen, diergeneesmiddelen, diervoeders) en diensten (…).

c) Van bovenstaande evaluaties van toeleveranciers zijn registraties aanwezig (zie paragraaf 4.16).

(…)

4.6.7 Aanvullingen voor handel en productie voedermiddelen, bestemd voor veehouderijbedrijven

4.6.7.1 Algemeen

Voedermiddelen dienen aangekocht te worden bij GMP-erkende bedrijven. Indien dit niet mogelijk is, dienen minimaal gelijkwaardige kwaliteitswaarborgen via schriftelijke afspraken te worden verkregen. Deze afspraken dienen minimaal de normen en kritische punten te bevatten, zoals door het bestuur bij besluit is vastgesteld."

In artikel 2 van het Besluit Vvr normen GMP diervoedersector 1997 (hierna: het Besluit) is het volgende bepaald:

" 1. In het kader van de GMP-regeling diervoedersector dient een ondernemer

de basiskwaliteit jegens zijn afnemers te waarborgen.

2. Om deze basiskwaliteit te waarborgen moet een ondernemer voldoen aan

het bepaalde in:

(…)

l. Regeling verbod voedsel- en slachtafvallen (varkens)

m. Regeling verbod voedsel- en slachtafvallen (pluimvee)

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Tot 1986 was het in Nederland onder voorwaarden toegestaan om van restaurants, ziekenhuizen, kazernes en dergelijke afkomstige keukenafvallen, aangeduid als swill, aan onder meer varkens te vervoederen. Naar aanleiding van een uitbraak van Afrikaanse varkenspest heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna mede: de Minister) in 1986 de Swillregeling vastgesteld.

- In 1994/1995 vond correspondentie plaats tussen het ministerie van LNV en enkele swillverwerkende bedrijven, op basis waarvan verweerder meende dat inmiddels swill in be- en verwerkte vorm zou zijn toegestaan. Hiervan uitgaande heeft verweerder Verordening Vvr gebruik van producten van dierlijke herkomst voor diervoeder-doeleinden 1997 vastgesteld, waarin was bepaald dat onder bepaalde procescondities be- en verwerking van keuken- en slachtafvallen is toegestaan. Een soortgelijke bepaling werd opgenomen in bijlage 2 van het Besluit, houdende aanvullende normen voedermiddelen en vochtrijke mengsels. Deze wijziging hield voorzover hier van belang het volgende in:

" In afwachting van goedkeuring van de Verordening Vvr gebruik producten van dierlijke herkomst voor diervoederdoeleinden 1997, geldt voor producten die dierlijke materialen bevatten en niet vallen onder de werkingssfeer van de Destructiewet, dat ze de volgende procescondities moeten hebben ondergaan (…)"

- Op 12 mei 1997 heeft de Minister goedkeuring aan voormelde verordening onthouden op grond van strijd met het bepaalde in de Swillregeling. Het tegen deze weigering door verweerder bij het College ingestelde beroep is op 16 juli 1999 ingetrokken.

- Bij brief van 25 maart 1999 heeft de Staatssecretaris van LNV aan de (Voorzitter van de) Tweede Kamer onder meer meegedeeld dat het verbod op het door derden aanleveren van swill aan varkens- en pluimveehouderijen en het door deze houderijen vervoederen van swill ook betrekking heeft op swill dat een bewerking heeft ondergaan. Bij deze brief is tevens meegedeeld dat een algeheel verbod op verwerking van swill te vergaand wordt beschouwd, omdat tegen het afzetten van verwerkte swill in andere sectoren, zoals de "petfood-industrie" geen bezwaren bestaan.

- Appellante levert diervoeders aan veehouders en neemt de door te haar te leveren producten af van andere ondernemingen, waaronder de op het zelfde adres als appellante gevestigde H te X, waarvan appellante een dochteronderneming is.

- Voorafgaand aan de verlenging van de GMP-erkenning van appellante van 29 maart 1999 heeft de Keuringsdienst Diervoeders (KDD) een controle verricht bij appellante en bij H. Naar aanleiding hiervan heeft appellante ter verkrijging van de verlenging met de secretaris van verweerder een overeenkomst moeten sluiten, waarin onder meer als voorwaarde is opgenomen dat appellante geen swill, of producten waarin swill is verwerkt, onder haar naam mag verkopen.

- H beschikt niet over een GMP-erkenning. Vanaf december 1998/januari 1999 heeft H het product Nutrifood aan appellante geleverd.

- Op 6 maart 1999 heeft H in het televisieprogramma NOVA bericht dat zij keuken- en/of slachtafvallen in haar producten verwerkt. H heeft zich in dit programma en latere krantenberichten op het standpunt gesteld dat door haar geproduceerde diervoeders, nu de daarin verwerkte afvallen een bewerking hebben ondergaan, geen swill bevatten.

- Bij brief van 24 juni 1999 heeft de secretaris van verweerder aan appellante meegedeeld dat haar, laatstelijk op 29 maart 1999 verlengde, GMP-erkenning is ingetrokken.

- Appellante heeft tegen dit besluit op 24 juni 1999 bezwaar gemaakt bij verweerder.

- Appellante heeft tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij het College, welk beroep vervolgens geacht werd mede gericht te zijn tegen de beslissing op bezwaar van 25 oktober 1999.

- Ingaande 15 november 1999 is aan appellante opnieuw een GMP-erkenning verleend. Voorwaarde voor hernieuwde erkenning was dat appellante de verkoop van het product Nutrifood zou staken. Deze erkenning is vervolgens verlengd.

- Bij uitspraak van 31 januari 2001 heeft het College het beroep van appellante gegrond verklaard op de grond dat de beslissing op bezwaar van 25 oktober 1999 is genomen in strijd met artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierbij is verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- Blijkens de in december 2001 van appellante ontvangen faxberichten heeft de kantonrechter te Harderwijk op 28 november 2001 in een tegen appellante aanhangig gemaakte strafrechtelijke procedure geoordeeld dat aan artikel 2 van de Regeling verbod voedsel- en slachtafvallen (varkens) een beperking ontbreekt tot die voedselafvallen, die in relevante mate werkzame bacteriën en/of virussen bevatten, die de veeziekten bedoeld in titel III paragraaf 3 van de Veewet kunnen verwekken en dat artikel 2 van de Swillregeling aldus een ruimer verbod geeft dan is voorzien in de bevoegdheidsgrondslag van artikel 36 Veewet.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in.

Appellante heeft artikel 9, tweede lid, van de Verordening overtreden.

Zij was immers op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit onder meer verplicht om, teneinde jegens haar afnemers de basiskwaliteit te waarborgen, te voldoen aan het bepaalde in de Swillregeling. Nu appellante het product Nutrifood afnam van H, die niet over een GMP-erkenning beschikt, maar noch de samenstelling van dit product noch afspraken met H over de waarborging van de basiskwaliteit van dit product kon aantonen, handelde zij ten tijde van de intrekking van haar GMP-erkenning niet alleen in strijd met artikel 2 van het Besluit, doch tevens in strijd met de artikelen 4.3.1, 4.6.1/4.6.2 en artikel 4.6.7.1 van de GMP-code.

Ingevolge artikel 10 van de Verordening is de secretaris direct na constatering dat een deelnemer niet aan zijn verplichting van artikel 9, tweede lid, voldoet, bevoegd tot intrekking van de GMP-erkenning over te gaan.

Kern van het geschil is wat onder swill, een begrip dat in de toepasselijke regelgeving niet gedefinieerd is, moet worden verstaan.

Appellante sluit niet uit dat H bewerkte swill aan haar diervoeders - waaronder Nutrifood - toevoegt, doch stelt zich op het standpunt dat bewerkte swill niet onder het verbod van de Swillregeling valt. Gelet op de stellingname van de bewindslieden van LNV, zoals deze blijkt uit de brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 25 maart 1999 en het besluit tot onthouding van goedkeuring aan de verordening uit 1997 van verweerder, welk besluit thans formele rechtskracht heeft, is dit standpunt van appellante echter onjuist.

Anders dan appellante heeft gesteld is voorts van strijd met het gelijkheidsbeginsel geen sprake.

De omstandigheid dat bij de verlenging van de GMP-erkenning nadere voorwaarden overeengekomen zijn, hield verband met het feit dat appellante producten van het niet erkende bedrijf van H afneemt, terwijl van dit bedrijf bekend was dat het swill be- of verwerkt.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep, samenvattend weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Bij het thans bestreden besluit is het bevoegdheidsgebrek, dat kleefde aan de bij uitspraak van het College van 31 januari 2001 vernietigde beslissing op bezwaar van verweerder, geheeld. Het bestreden besluit is echter voor het overige nagenoeg identiek aan die eerdere beslissing op bezwaar.

Verweerder is derhalve ten onrechte in het geheel niet ingegaan op de materiële vragen, die op de aan de uitspraak van het College van 31 januari 2001 voorafgaande zitting van 6 december 2000 zijn besproken. Verweerder heeft eveneens ten onrechte geen aanleiding gezien appellante voorafgaand aan het thans bestreden besluit te horen.

Bovendien is het bestreden besluit niet te rijmen met het feit dat aan appellante inmiddels wederom een GMP-erkenning is verleend, zonder dat naar de opvatting van appellante sprake is van gewijzigde omstandigheden. Gelet op de nieuwe erkenning had verweerder het bezwaar van appellante juist - kennelijk - gegrond moeten verklaren. In ieder geval gaat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geheel voorbij aan de nieuwe erkenning van appellante. De ten aanzien van appellante genomen besluiten van verweerder zijn onderling tegenstrijdig.

Inhoudelijk stelt appellante zich evenals in de eerdere procedure bij het College nog steeds op het standpunt dat aan het onderhavige geschil de vraag ten grondslag ligt, wat nu eigenlijk onder swill moet worden verstaan, terwijl die term, die in de toepasselijke regelgeving niet voor komt, nauwelijks relevant kan zijn.

Naar de opvatting van appellante kan verweerder, gelet op de ratio van de Swillregeling, de in bijlage 2 bij het Besluit opgenomen procescondities en voorts het mondelinge strafvonnis van de kantonrechter van 28 november 2001, slechts (de levering van) rauwe, onbewerkte voedselrestanten in diervoeders verboden achten. Nu H de door haar ontvangen afvallen zodanig bewerkt/steriliseert dat het eindproduct niet onder de Swillregeling valt, kan zelfs indien zou vaststaan dat Nutrifood dit eindproduct bevat, niet worden geconcludeerd dat appellante ten tijde van de intrekking niet aan de toepasselijke voorschriften voldeed.

Bovendien beschikte appellante op dat moment over een kwaliteitsovereenkomst met H, hetgeen overigens geen noodzakelijke voorwaarde zou zijn geweest indien verweerder niet ten onrechte aan H een GMP-erkenning zou hebben onthouden.

Ten tijde van de intrekking van de erkenning van appellante baseerde verweerder zich voorts uitsluitend op een vermoeden dat in het product Nutrifood swill zou zijn verwerkt. Op grond van artikel 8 van de Verordening had echter voorafgaand aan de intrekking een hercontrole verricht moeten worden. In het onderhavige geval heeft pas na de intrekking van de erkenning en derhalve op een moment, dat appellante geen deelnemer was aan de GMP-regeling en dus niet meer gebonden was aan de daarin opgenomen voorschriften, een hercontrole plaatsgevonden.

De intrekking is bovendien in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu andere ondernemingen wel aan de GMP-regeling mogen deelnemen, terwijl zij - anders dan appellante - zelf swill verwerken en als diervoeder op de markt brengen. Appellante wijst in dit verband op R B.V. en N B.V.

De omstandigheid dat appellante sinds 15 november 1999 wederom een GMP-erkende onderneming is doet aan haar belang bij de onderhavige procedure niet af. Hoewel zulks (ook) uit het thans bestreden besluit niet blijkt, vormt de omstandigheid dat sprake is geweest van een intrekking van de erkenning een reden om eerder dan bij andere ondernemingen - wederom - tot intrekking van de erkenning van appellante over te gaan. Appellante heeft bij wijze van spreken al een "gele kaart", hetgeen haar ook door de KDD duidelijk is gemaakt. Indien het College zou oordelen dat verweerder ten onrechte tot de intrekking is overgegaan, komt appellante daarmee weer in de zelfde positie als andere GMP-erkende ondernemingen. Hierin schuilt haar belang.

5. Het nadere standpunt van verweerder

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder - samengevat - nog het volgende aangevoerd.

Naar de opvatting van verweerder is het bestreden besluit afdoende gemotiveerd en bestond, mede gezien de uitvoerige behandeling van het eerdere beroep van appellante ter zitting van het College van 6 december 2000 aan een nadere hoorzitting geen behoefte.

Verweerder is bij nader inzien van mening dat de enkele overtreding van in het bestreden besluit genoemde artikelen van de GMP-code (de bijlage bij de Verordening) en van artikel 2, tweede lid, van het Besluit juncto de Swillregeling voldoende grond vormde voor intrekking van de erkenning van appellante. De bepalingen in de met appellante met het oog op verlenging van haar erkenning op 29 maart 1999 gesloten overeenkomst zijn in wezen niet meer dan een herhaling van voormelde publiekrechtelijke voorschriften.

Hoewel het begrip swill in de toepasselijke regelgeving niet is gedefinieerd, was het appellante - zowel op het moment van de verlenging van haar erkenning in maart 1999 als ten tijde van de intrekking van die erkenning - naar de mening van verweerder voldoende duidelijk wat hieronder, mede gelet op het standpunt van de bewindslieden van LNV, verstaan moest worden.

Bij de intrekking is van groot belang geacht dat appellante in substantiële mate diervoeder levert aan varkenshouders. Het door appellante destijds geleverde product Nutrifood, waarvan verweerder op grond van de omstandigheden mocht aannemen dat dit swill bevatte, is slechts geschikt voor de varkenshouderij. Dit blijkt weliswaar noch uit het besluit tot intrekking, noch uit het bestreden besluit, maar was appellante genoegzaam bekend en is ook op de eerdere zitting van het College van 6 december 2000 aan de orde geweest.

Weliswaar was ten tijde van belang in bijlage 2 van het Besluit nog vermeld dat verwerking van swill onder bepaalde procescondities was toegestaan, maar dit kan, zoals ook blijkt naar de daarin opgenomen verwijzing naar Verordening Vvr gebruik producten van dierlijke herkomstvoor diervoederdoeleinden 1997, niet los worden gezien van die verordening en het feit dat daaraan goedkeuring is onthouden. Overigens is de bepaling inzake de procescondities in september 1999 uit bijlage 2 van het Besluit geschrapt.

Een GMP-erkenning omvat mede de handel in diervoeders, terwijl het vervoer naar en het afleveren aan varkenshouders van diervoeders, die swill bevatten, verboden is op grond van de Swillregeling.

Verweerder is niet op de hoogte van de inhoud van het mondelinge strafvonnis van de kantonrechter van 28 november 2001 en weet evenmin of het openbaar ministerie hiertegen beroep heeft ingesteld.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Met betrekking tot R geldt dat deze onderneming weliswaar - bij wijze van gecontroleerde proef - swill heeft verwerkt, maar het verwerkte product mocht niet als diervoeder in de handel worden gebracht.

Ten aanzien van N B.V geldt dat net als in het onderhavige geval sprake is van twee verwante B.V.'s. In die situatie is evenals ten aanzien van appellante als voorwaarde voor GMP-erkenning opgenomen dat de wel en de niet swillverwerkende B.V. duidelijk van elkaar gescheiden moesten worden en heeft het GMP-erkende bedrijf een verklaring moeten tekenen dat het geen swill afneemt. Uit een controle in de eerste helft van 2001 is gebleken dat de scheiding tussen de B.V.'s wel feitelijk, doch formeel nog onvoldoende gerealiseerd was. Aan N is duidelijk gemaakt dat zij teneinde haar erkenning te behouden alsnog tot volledige scheiding van de B.V.´s diende over te gaan. Verweerder heeft - anders dan in het geval van appellante - nooit aanwijzingen gehad dat N swillhoudend diervoeder aan varkenshouders heeft geleverd.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Het College stelt voorop dat appellante ten tijde van het bestreden besluit wederom in het bezit was - en ook thans is - van een GMP-erkenning.

Ter zitting heeft appellante echter gesteld dat zij als gevolg van het intrekkingsbesluit van

24 juni 1999 in een uitzonderingspositie verkeert, nu zij eerder dan andere GMP-erkende ondernemingen bij toekomstige - vermeende - overtreding van de toepasselijke regelgeving met een intrekking van haar erkenning zal worden geconfronteerd. Nu verweerder deze stelling niet heeft weersproken, heeft appellante naar het oordeel van het College belang bij een beoordeling van haar beroep.

6.2 De enkele omstandigheid, dat appellante ten tijde van het bestreden besluit wederom in het bezit was van een GMP-erkenning, maakt niet dat verweerder het bezwaar gegrond had moeten verklaren.

Ingevolge artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt op grondslag van het bezwaar heroverweging plaats. Het bezwaar van appellante was gericht tegen het besluit van 24 juni 1999 tot intrekking van haar GMP-erkenning. Een dergelijk besluit ziet naar zijn aard op de toestand zoals die op het moment van de intrekking aan de orde is. Derhalve is die toestand ook bij de heroverweging in bezwaar van belang.

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat appellante zich, voorafgaand aan het nieuwe erkenningsbesluit van 15 november 1999, jegens verweerder onvoorwaardelijk heeft verbonden geen Nutrifood of een ander product, waarin be- of verwerkte swill is verwerkt, te verkopen. Dit wordt bevestigd door het door verweerder overgelegde afschrift van een brief van appellante van 29 oktober 1999.

Derhalve liggen, anders dan appellante stelt, aan de nieuwe erkenning wel degelijk gewijzigde omstandigheden ten grondslag.

6.3 Blijkens artikel 2, eerste lid, van de Verordening is het doel van een GMP-erkenning dat afnemers van producten, afkomstig van een erkende bedrijfseenheid, erop mogen vertrouwen dat deze producten voldoen aan de basiskwaliteit.

Blijkens artikel 4.3.1 van de bij de Verordening behorende GMP-code dient de desbetreffende ondernemer er zorg voor te dragen dat de door hem verhandelde producten aantoonbaar voldoen aan de in het kader van de GMP-regeling door het bestuur van verweerder bij het Besluit vastgestelde normen. Tot die normen behoort artikel 2, tweede lid, van het Besluit, inhoudende dat de ondernemer moet voldoen aan het bepaalde in de Swillregeling.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante diervoeder levert aan varkenshouders. Evenmin is in geschil dat appellante ten tijde van het besluit van 24 juni 1999 handelde in het product Nutrifood van H en dat H kort daarvoor in de media had erkend keuken- en slachtafvallen in haar producten te verwerken, maar dat appellante zich daarbij op het standpunt heeft gesteld dat gelet op de bewerking, die deze afvallen hadden ondergaan, geen sprake was van swill.

Reeds op grond hiervan komt aan de kwaliteitsovereenkomst, die appellante met H had gesloten niet die betekenis toe, die appellante daaraan gehecht wil zien.

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat verweerder ten tijde van de intrekking van de erkenning op goede gronden tot de slotsom is gekomen dat appellante de basiskwaliteit, als bedoeld in de GMP-regelgeving, jegens haar afnemers niet kon waarborgen. Derhalve was verweerders secretaris op grond van artikel 10, eerste lid, juncto artikel 9, tweede lid, van de Verordening bevoegd tot intrekking van de erkenning over te gaan.

Gelet op de artikelen 8, 9 en 10 van de Verordening, bezien in onderlinge samenhang, was de secretaris gezien de vaststaande feiten niet gehouden voorafgaand aan die intrekking een controle bij appellante te verrichten.

6.4 Aan het vorenoverwogene doet niet af dat ten tijde van de intrekking van de GMP-erkenning van appellante in (bijlage 2 van) het Besluit (nog) procescondities waren opgenomen voor de verwerking van producten die dierlijke materialen bevatten.

Immers, die procescondities hadden betrekking op de verwerking als zodanig en appellante heeft hieruit naar het oordeel van het College niet mogen afleiden dat het haar, in weerwil van artikel 2 van de Swillregeling, door verweerder zou worden toegestaan producten die voedsel- en slachtafvallen bevatten, te vervoeren naar en af te leveren aan varkenshouders, althans dat dergelijk handelen in het licht van de doelstelling(en) van de GMP-regelgeving geen gevolgen zou hebben voor haar erkenning.

Voorts is het vonnis van de kantonrechter in de strafzaak tegen appellante voor dit geschil niet van belang. Beslissend is immers niet of de normen van de Swillregeling als zodanig verbindend zijn en de handel van appellante in Nutrifood een strafbare overtreding van die normen oplevert, maar uitsluitend of jegens de afnemers van appellante nog wel gewaarborgd was dat de haar geleverde producten aan de in de GMP-regelgeving geregelde basiskwaliteit voldeden.

Tenslotte acht het College door verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie van de ondernemingen R B.V. en N B.V. in rechtens relevante mate verschilt van die van appellante, die aan vakenshouders heeft geleverd, zodat appellantes beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.

6.5 Op grond van het vorenstaande is het beroep ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.J. Kuiper, mr M.A. van der Ham en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van R.H.L. Dallinga, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2002.

w.g. M.J. Kuiper w.g. R.H.L. Dallinga