Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE1145

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-03-2002
Datum publicatie
05-04-2002
Zaaknummer
AWB 01/280 en 01/286
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/280 en 01/286 14 maart 2002

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

1. A,

2. K,

3. L,

appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 31 januari 2001.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 13 februari 2001, heeft de raad van tucht appellanten afschrift toegezonden van zijn op 31 januari 2001 genomen beslissing op twee klachten, de een bij klaagschrift van 26 november 1999 ingediend door appellanten K en L tegen appellant A, de ander bij klaagschrift van 14 maart 2000 ingediend door eveneens K en L tegen A en B.

Bij op respectievelijk 11 en 12 april 2001 bij het College ingediende beroepschriften hebben onderscheidenlijk A en K en L tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 23 april 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 22 mei 2001 hebben K en L een reactie op het beroepschrift van A ingediend. A en B hebben bij brief van 15 juni 2001 een reactie op het beroepschrift van K en L ingediend.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 31 januari 2002, alwaar zijn verschenen A, bijgestaan door mr F. Waardenburg, advocaat te Rotterdam, en L, bijgestaan door P.T. Lakeman van de stichting SOBI. B is niet in persoon ter zitting verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr Waardenburg, voornoemd.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, voor zover daartegen geen grieven zijn aangevoerd. De tegen bepaalde, door de raad van tucht vastgestelde, feiten gerichte grieven worden hieronder besproken.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht tegen B ongegrond verklaard en de klacht tegen A wat betreft de onderdelen a en e gegrond en wat betreft de onderdelen b, c en d ongegrond verklaard. De raad van tucht heeft geen grond gevonden voor de oplegging van een maatregel.

4. De beoordeling

4.1 Het College zal eerst de grieven van A bespreken.

A heeft als eerste grief aangevoerd dat de raad van tucht ten onrechte heeft overwogen dat A zijn positie jegens K en L in verband met zijn opdracht duidelijker had moeten markeren en dat hij in strijd met de werkelijkheid jegens K en L de indruk heeft gewekt alsof hij "kleurloos" een feitenonderzoek verrichtte. A stelt wel duidelijk te zijn geweest over zijn opdracht en zijn feitenonderzoek "kleurloos" te hebben verricht.

Het College overweegt hieromtrent het volgende.

Artikel 9, tweede lid, van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (GBR-1994) bepaalt dat de registeraccountant, indien hij een bijzonder belang vertegenwoordigt, gehouden is ervoor zorg te dragen dat zulks aan de betrokkenen kenbaar is. Het College is van oordeel dat uit dit voorschrift voortvloeit dat een accountant die een forensisch onderzoek instelt en wiens rapport bestemd is om te dienen als basis voor besluitvorming inzake het voeren van een juridische procedure tegen de persoon wiens gedragingen worden onderzocht, bij de start van zijn onderzoek aan die persoon duidelijk moet maken wat zijn opdracht is, wat het doel van het onderzoek is en zo mogelijk, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dat niet te doen, welke gedragingen in het onderzoek worden betrokken.

Het College is, evenals de raad van tucht, van oordeel dat A de hier van toepassing zijnde norm heeft overtreden. De omstandigheid dat K en L aanwezig waren bij een aandeelhoudersvergadering waarin over de onderzoeksopdracht is gesproken, doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van A als registeraccountant om zelf aan K en L duidelijkheid over zijn onderzoeksopdracht te verschaffen. Uit de gedingstukken blijkt dat A noch voorafgaand aan de eerste bespreking op 23 augustus 1999 met K en L, noch tijdens die bespreking, noch direct volgend op die bespreking de vereiste helderheid heeft gegeven. A heeft volstaan met de, in feite nietszeggende, opmerking dat in opdracht van P onderzoek zou worden uitgevoerd naar de gang van zaken met betrekking tot een aantal onderwerpen. Eerst in een brief van 23 september 1999 wordt gesproken over het doel van het onderzoek, te weten het ondersteunen van P bij (de voorbereiding van) de voorgenomen juridische procedure(s) tegen, kort gezegd, K en L. In tuchtrechtelijke zin was op dat moment echter al verwijtbaar gehandeld.

Zoals de raad van tucht met juistheid tot uitdrukking heeft gebracht, "kleurt" het doel van het onderzoek, te weten de ondersteuning bij de voorbereiding van voorgenomen juridische procedures, het onderzoek zelf, waaronder de selectie van de te onderzoeken gedragingen. Daarmee is overigens geenszins gezegd dat het onderzoek niet onafhankelijk en onpartijdig kon worden uitgevoerd; tot een dergelijke conclusie is de raad van tucht ook niet gekomen.

Uit het voorgaande volgt dat de grief faalt.

4.2 Als tweede grief heeft A aangevoerd dat de raad van tucht ten onrechte heeft geoordeeld dat A onder meer door een onvolledige en bovendien suggestieve weergave van feiten in de rapportage van 8 december 1999 de reputatie van K en L heeft aangetast. Volgens A had het stuk van 8 december 1999 niet de status van een - definitief - rapport. Het stuk bevatte slechts voorlopige feitelijke bevindingen aan de hand van het tot dan toe verrichte onderzoek, zonder kwalificaties en conclusies. K en L zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren en zij hebben dat ook gedaan. Het stuk is vertrouwelijk aan de opdrachtgever ter hand gesteld, eveneens met het doel om na te gaan of de door A verzamelde feiten en de door de directie verschafte informatie op juiste wijze was weergegeven.

Het College overweegt hieromtrent als volgt.

In deze is met name van belang hetgeen is bepaald in artikel 11, eerste lid, GBR-1994. Ingevolge dit voorschrift doet de registeraccountant slechts mededelingen omtrent de uitkomst van zijn arbeid voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen, en draagt hij er zorg voor dat zijn mededelingen een duidelijk beeld geven van de uitkomsten van zijn arbeid.

Genoemd voorschrift heeft tevens betrekking op de zorgvuldigheid van de voorbereiding van een document, bevattende de uitkomst van de arbeid van een registeraccountant, zoals een door hem opgesteld rapport.

Ook indien met A wordt aangenomen dat het stuk van 8 december 1999 nog geen rapport was, maar slechts een voorlopig verslag van feitelijke bevindingen, moet toch worden vastgesteld dat de feitelijke bevindingen nog niet door K en L op hun juistheid en volledigheid waren getoetst, terwijl zij wel voor een groot deel betrekking hadden op gedragingen van K en L, en - naar door A is erkend - de medewerking van K en L essentieel was om tot een deugdelijke grondslag voor een rapportage te komen. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat A niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen door het stuk, waaruit zelf niet blijkt dat K en L er nog niet op hebben gereageerd en evenmin dat hun medewerking noodzakelijk is voor een rapportage, aan zijn opdrachtgever P ter beschikking te stellen. A had het stuk alvorens het op deze wijze naar buiten te brengen aan K en L moeten toesturen met het verzoek erop te reageren. Wanneer K en L zich op het standpunt zouden hebben gesteld niet te willen reageren en evenmin mee te willen werken aan een verder onderzoek, zou A zich nader hebben moeten beraden over de vraag of hij beschikte over een voldoend deugdelijke grondslag voor een rapportage en, zo dat niet het geval was, de opdracht hebben moeten teruggeven. Wanneer K en L daarentegen wel wilden reageren en wilden meewerken aan het onderzoek, had A op basis van die reactie een nader stuk kunnen opstellen, dat hij eventueel in concept aan P had kunnen sturen.

Het College overweegt voorts dat A niet duidelijk heeft kunnen maken waaruit de noodzaak bestond om reeds op 8 december 1999 een stuk met een vorm en inhoud als het onderhavige, aan P ter beschikking te stellen. Het argument dat ook P in de gelegenheid moest worden gesteld om op de voorlopige feitelijke bevindingen te reageren, gaat niet op, omdat, als K en L niet zouden meewerken, wellicht helemaal geen rapport zou kunnen worden uitgebracht, terwijl, als K en L wel zouden meewerken, in een later stadium nog voldoende gelegenheid zou zijn om P te laten reageren op een meer voldragen versie van het stuk.

Het College overweegt tenslotte dat de raad van tucht terecht heeft geoordeeld dat het bestaan van een geheimhoudingsverklaring aan het voorgaande niet afdoet. Een onvolledig en onvoldragen stuk als hier aan de orde, dat betrekking heeft op gedragingen van een persoon, die zelf nog niet op de feitelijke bevindingen heeft kunnen reageren, behoort, zoals hiervoor is uiteengezet, niet aan de opdrachtgever te worden verstrekt. Overigens merkt het College met betrekking tot de geheimhouding die in de bestreden tuchtbeslissing aan de orde is gesteld, op dat de inhoud van een forensisch rapport grote gevolgen kan hebben voor de reputatie van degenen omtrent wie wordt gerapporteerd. De door de betrokken accountant te betrachten zorgvuldigheid brengt mee dat hij moet voorzien in adequate waarborgen om te voorkomen dat een stuk als hier aan de orde, in de openbaarheid komt. Het enkele verlangen van een geheimhoudingsverklaring is daartoe niet voldoende.

Ook deze grief faalt derhalve.

4.3 De conclusie is dat de grieven van A geen doel treffen, zodat zijn beroep moet worden verworpen.

4.4 Vervolgens zal het College de grieven van K en L bespreken.

De eerste grief richt zich tegen het door de raad van tucht vastgestelde feit dat A in opdracht van P een onderzoek heeft verricht naar enkele transacties en gebeurtenissen in de periode dat K en L bij P betrokken waren. Volgens K en L was niet A de opdrachtnemer, maar V, van wie de directie, W, A bij de uitvoering van de opdracht heeft ingeschakeld.

Het College overweegt hieromtrent dat evenbedoelde rechtsbetrekkingen niet van betekenis zijn voor de beoordeling van de tuchtrechtelijke klacht tegen A. In dat verband is van belang dat A als registeraccountant werkzaamheden in het kader van die opdracht verrichtte.

K en L hebben voorts aangevoerd dat de raad van tucht bij de weergave van dit feit ten onrechte onvermeld heeft gelaten dat A zijn onderzoek heeft verricht ter onderbouwing van juridische claims van P tegen K en L.

Hieromtrent overweegt het College dat het de raad van tucht vrijstaat om de tussen de klagers en betrokken registeraccountant vaststaande feiten in een afzonderlijke paragraaf van zijn uitspraak neer te leggen, maar dat hij niet verplicht is alle vaststaande feiten in die paragraaf op te nemen en dat het de raad van tucht derhalve ook vrijstaat sommige vaststaande feiten in de ene paragraaf te vermelden en andere feiten in de paragraaf betreffende de beoordeling van de klacht.

De grief faalt derhalve.

4.5 De tweede grief richt zich tegen het oordeel van de raad van tucht dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van B niets is gebleken.

Het College onderschrijft het oordeel van de raad van tucht.

Daartoe wordt in de eerste plaats overwogen dat A de volledige tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn eigen gedragingen en voor die van de personen die hij bij de uitvoering van de opdracht heeft ingeschakeld. Er doet zich derhalve geen lacune voor in de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheden, waarvoor het bestuur van de betrokken accountantsvennootschap verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden. Evenmin is van belang of B een rol heeft gespeeld bij de aanvaarding van de opdracht. Ook de omstandigheid dat K en L B hebben aangesproken op de gedragingen van A en hem op zijn tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid hebben gewezen, kan geen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid doen ontstaan. Niet is gebleken dat B enige inhoudelijke rol heeft gespeeld.

Tenslotte wordt in dit verband overwogen dat B heeft betwist dat hij, zoals K en L hebben gesteld, op 22 februari 2000 tegenover hen heeft erkend dat zij recht hadden op inzage in de administratie van P. Naar het oordeel van het college bieden de beschikbare gegevens onvoldoende steun aan het standpunt van K en L dat B op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

De conclusie is dat de grief van K en L faalt.

4.6 In hun derde grief stellen K en L dat de raad van tucht ten onrechte heeft overwogen dat A, en niet V, de onderzoeksopdracht heeft aanvaard. Deze grief faalt om dezelfde reden als hiervoor onder 4.4 vermeld.

4.7 De vierde grief heeft betrekking op de overweging van de raad van tucht dat achteraf is vast komen te staan dat het risico dat A gegevens als werkelijkheid zou presenteren waarvan bekend was dat die wellicht niet overeenkwamen met de feiten, zich niet heeft gerealiseerd.

De raad van tucht doelt hier klaarblijkelijk op de situatie dat het stuk van 8 december 1999, indien een reactie van de zijde van K en L zou uitblijven, tot een definitief rapport zou leiden, waarvan dan de gegevens wellicht niet zouden overeenkomen met de feiten. De raad van tucht heeft terecht geoordeeld dat deze situatie zich niet heeft voorgedaan omdat K en L uiteindelijk wel een reactie op het stuk van 8 december 1999 hebben gegeven. De hierop betrekking hebbende grief faalt derhalve.

4.8 De volgende grief luidt dat de raad van tucht ten onrechte heeft overwogen dat A reeds in een vroeg stadium pogingen heeft ondernomen om K en L bij het onderzoek te betrekken en dat de raad van tucht het betreffende klachtonderdeel ongegrond heeft verklaard.

Deze overweging van de raad van tucht heeft betrekking op klachtonderdeel b, dat ertoe strekte te klagen over het feit dat A eerst diverse gesprekken met derden heeft gevoerd alvorens met K en L te praten. Het College overweegt dat in dit geding niet is komen vast te staan dat A, voordat op 23 augustus 1999 het eerste gesprek met K en L plaats vond, diverse gesprekken met derden heeft gevoerd. Het enige gesprek waarvan vast staat dat dit voor die tijd is gehouden, is dat met D, maar in dit geding moet ervan worden uitgegaan dat deze op dat moment in dienst was van P en derhalve niet als 'derde' kan worden beschouwd.

De conclusie is dat ook deze grief faalt.

4.9 De zesde grief richt zich tegen de overweging van de raad van tucht dat niet is gebleken dat A betrokken was bij het verspreiden van vragenlijsten door het bestuur van P.

Deze grief faalt reeds omdat K en L tegenover de betwisting van A geen bewijs van diens betrokkenheid hebben geleverd.

4.10 De zevende grief betreft de waardering van de gelegenheid die K en L hebben gekregen om te reageren op vragenlijsten en conceptrapporten.

Bij de beoordeling van deze grief stelt het College voorop dat ter beoordeling van de raad van tucht, en dus ook van het College, stonden de klachten die op 26 november 1999 en 14 maart 2000 zijn ingediend. De klachten hebben derhalve betrekking op gedragingen die tot en met 14 maart 2000 hebben plaatsgevonden. Gebleken is dat K en L op 7 maart 2001 een derde klacht hebben ingediend tegen onder meer (de voorbereiding van) het eindrapport van 15 mei 2000 en dat zij dit rapport bewust buiten de twee eerste klachten hebben gehouden. Naar het oordeel van het College biedt hetgeen K en L hebben aangevoerd, onvoldoende grond voor het oordeel dat zij op 14 maart 2000 verkeerden in de situatie dat zij te weinig gelegenheid hadden gekregen om op vragenlijsten en concepten te reageren. De grief faalt dus.

4.11 De volgende grief, betrekking hebbend op het rapport van A van 15 mei 2000, is ter zitting van het College ingetrokken.

4.12 Grief 9 klaagt erover dat de raad van tucht ten onrechte het klachtonderdeel betreffende de door K en L gemaakte kosten ongegrond heeft verklaard. In hun toelichting op deze grief stellen zij dat A door het opnemen van 'ontelbare onjuistheden en suggestieve stellingen' onnodige kosten voor hen heeft veroorzaakt.

Ook deze grief faalt, aangezien gesteld noch gebleken is dat A, met de kennis die hij op 8 december 1999 had, bewust fouten in het stuk van die datum heeft gemaakt ten einde K en L tot hoge kosten te dwingen. Waar het stuk van 8 december 1999 niet volledig was, kregen K en L juist de gelegenheid om het beeld te completeren. Overigens zijn K en L in geen enkel stadium verplicht geweest om op stukken te reageren; dat zij dat wel hebben gedaan - met de kosten en moeite die dat ongetwijfeld heeft gekost - is hun vrije keuze geweest.

4.13 Grief 10 richt zich tegen het oordeel van de raad van tucht dat een forensische accountant in een geval als het onderhavige niet deskundig hoeft te zijn op het gebied van het Nederlandse vennootschapsrecht.

Het College acht dit het oordeel van de raad van tucht juist. De grief faalt derhalve.

4.14 Grief 11 bouwt op de voorgaande voort en verwijt de raad van tucht te hebben overwogen dat K en L niet aannemelijk hebben gemaakt dat A niet deskundig was op het gebied van het Nederlandse vennootschapsrecht. Deze grief moet het lot van de voorgaande delen en faalt dus eveneens.

4.15 De twaalfde grief luidt dat de raad van tucht ten onrechte heeft overwogen dat K en L niet hebben betoogd dat het rapport van 15 mei 2000 onjuistheden of een onvolledige weergave bevat.

De betreffende overweging heeft betrekking op de klacht dat A in zijn rapport een onvolledige weergave van de feiten heeft gegeven. De raad van tucht heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat K en L niet met vrucht kunnen klagen over eventuele onvolledige weergaven van feiten in conceptrapporten, aangezien deze naar de aard der zaak onvolledig kunnen zijn, terwijl een dergelijke klacht wel tegen het eindrapport van 15 mei 2000 had kunnen worden gericht, maar dat zulks bij de onderhavige twee klachten niet is gebeurd.

Aldus heeft de raad van tucht, mede gelet op hetgeen het College hiervoor onder 4.10 heeft overwogen, een juist oordeel gegeven. De raad van tucht heeft zich in het geheel niet over de inhoud of de definitieve totstandkoming van het rapport van 15 mei 2000 uitgelaten.

De grief faalt derhalve.

4.16 De dertiende en laatste grief richt zich tegen de beslissing van de raad van tucht om geen maatregel op te leggen. K en L moeten op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard in hun beroep, aangezien zij als de oorspronkelijke klagers ingevolge artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Registeraccountants alleen beroep bij het College kunnen instellen indien hun bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard. Tegen de gegrond verklaarde klachtonderdelen en de daaraan door de raad van tucht verbonden consequenties kunnen de oorspronkelijke klagers niet opkomen.

4.17 De conclusie is dat de eerste twaalf grieven van K en L geen doel treffen, zodat ook hun beroep in zoverre moet worden verworpen. Wat betreft de dertiende grief moeten K en L niet-ontvankelijk worden verklaard in hun beroep.

4.18 Onderstaande beslissing berust op artikel 9, tweede lid, en artikel 11, eerste lid, GBR-1994 en Titel II, paragraaf 6, van de Wet op de Registeraccountants.

5. De beslissing

Het College:

- verwerpt het beroep van A;

- verklaart K en L niet-ontvankelijk in hun beroep wat betreft de daarin aangevoerde dertiende grief;

- verwerpt het beroep van K en L voor het overige.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2002.

w.g. H.C. Cusell w.g. B. van Velzen